Rechtbank Midden-Nederland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBMNE:2026:6332

Op 15 September 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 16-226276-22, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBMNE:2026:6332. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
16-226276-22
Datum uitspraak:
15 September 2026
Datum publicatie:
15 September 2026

Indicatie

Vrijspraak mensenhandel. Geen wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16-226276-22

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 15 september 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [2004] in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres [adres] in [woonplaats] ,

(hierna: [verdachte] ).

1
Zitting

De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 1 september 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

[verdachte] ;

de officier van justitie: mr. D.M.A. van der Zwan;

de advocaat van [verdachte] : mr. K. Elema (hierna: de advocaat).

2
Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij zich, samengevat:

in de periode van 1 juli 2020 tot en met 16 december 2020 in Lent, Cuijk, Eindhoven, Utrecht en/of ergens anders in Nederland schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel (seksuele uitbuiting) van de minderjarige [aangeefster] (hierna: [aangeefster] ).

De volledige tekst van de beschuldiging staat in de bijlage bij dit vonnis.

3
Vrijspraak
3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat kan worden bewezen dat [verdachte] het feit heeft gepleegd doordat hij betrokken is geweest bij sekschats. Zij vindt dat [verdachte] moet worden vrijgesproken voor de beschuldiging dat hij heeft geholpen bij de seksafspraken in Lent, Cuijk en Eindhoven. Zij eist dat aan [verdachte] de volgende straf wordt opgelegd:

- een werkstraf van 150 uur, te vervangen door 75 dagen jeugddetentie als [verdachte] deze taakstraf niet of niet goed uitvoert;

- een jeugddetentie van 1 dag.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om [verdachte] vrij te spreken van het feit. De advocaat vindt dat niet bewezen kan worden dat [verdachte] heeft geholpen bij het maken van de (seks)afspraken in Cuijk, Lent en Eindhoven. Zij wijst daarnaast erop dat [verdachte] heeft verklaard dat hij helemaal niet wist dat de contacten met de mannen zouden leiden tot seks, en dat er ook geen bewijs in het dossier zit waaruit blijkt dat hij dat wél wist. Volgens de advocaat is het wel duidelijk dat [verdachte] heeft geholpen met sekschats, maar dat is volgens haar geen ‘seksuele handeling’ zoals wordt bedoeld in de wet.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

Inleiding: betrokkenheid [A] bij seksuele uitbuiting van [aangeefster]

Op 16 december 2020 kwam bij de politie de melding binnen dat de 16-jarige [aangeefster] vermist was en dat er zorgen waren dat zij in het loverboycircuit zat. Later op de avond werd [aangeefster] aangetroffen door de politie. Zij verklaarde dat zij werd bedreigd en afgeperst door [A] , en dat hij haar ertoe heeft aangezet om seksuele chatgesprekken te voeren met mannen tegen betaling. [A] zou volgens [aangeefster] ook een fysieke seksafspraak met een man voor [aangeefster] hebben geregeld. De rechtbank heeft [A] veroordeeld voor mensenhandel (seksuele uitbuiting) in haar uitspraak van 12 mei 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:3778.

[aangeefster] heeft [verdachte] gevraagd om haar te helpen

[A] vond dat [aangeefster] niet genoeg verdiende en dat zij moest zorgen voor meer klanten. [aangeefster] heeft daarom besloten [verdachte] te benaderen, die bij haar op school zat en destijds ook 16 jaar was. Zij heeft aan hem gevraagd om haar te helpen. [verdachte] heeft dat op de zitting bevestigd. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is wat [aangeefster] precies aan [verdachte] heeft verteld, hoe [verdachte] haar heeft geholpen en waar [verdachte] dacht dat hij [aangeefster] mee hielp.

[verdachte] zegt dat de verklaring van [aangeefster] niet klopt

In eerste instantie heeft [aangeefster] bij de politie verklaard dat [verdachte] haar heeft geholpen met het onderhouden van contacten met mannen en met het maken van fysieke seksuele afspraken in Eindhoven en Lent. In een latere verklaring komt zij daar gedeeltelijk op terug. Verder worden delen van haar eerste verklaring tegengesproken door de chatgesprekken tussen [aangeefster] en [verdachte] in het dossier, waaruit blijkt dat [verdachte] niet altijd goed op de hoogte was van wat [aangeefster] deed. [verdachte] heeft zelf ook gezegd dat de eerste verklaring van [aangeefster] niet klopt. Hij heeft verklaard dat hij haar weliswaar heeft geholpen met chatten en met het vertalen van zinnen, maar dat hij er niet van op de hoogte was dat [aangeefster] daadwerkelijk seksafspraken had met de mannen met wie zij contact had. Ook vertelde [aangeefster] hem vaak niet waar zij mee bezig was. Deze verklaring van [verdachte] wordt ondersteund door een aantal chats in het dossier tussen [aangeefster] en [verdachte] .

De rechtbank gaat behoedzaam met de verklaring van [aangeefster] om

Het voorgaande betekent dat de rechtbank behoedzaam zal omgaan met de verklaring van [aangeefster] . Dit houdt in dat de rechtbank niet zonder meer uitgaat van wat [aangeefster] heeft verklaard, maar alleen voor zover de verklaring van [aangeefster] wordt ondersteund door objectieve bewijsmiddelen, in dit geval de chatberichten in het dossier.

Er is niet bewezen dat [verdachte] de handelingen uit de beschuldiging heeft gepleegd

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of op basis van deze verklaringen en de chats tussen [aangeefster] en [verdachte] die in het dossier zitten, buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan seksuele uitbuiting van [aangeefster] . De beschuldiging van seksuele uitbuiting bestaat eruit dat [verdachte] (kort gezegd) de volgende drie handelingen zou hebben gepleegd:

het aanmaken van twee accounts waarop [aangeefster] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden;

het onderhouden van contact met (potentiële) klanten over de prostitutiewerkzaamheden en het geven van instructies aan [aangeefster] voor de werkzaamheden in de prostitutie;

het innemen of laten afstaan van (een deel van) het geld dat [aangeefster] met de prostitutiewerkzaamheden heeft verdiend.

De rechtbank komt tot de conclusie dat niet kan worden bewezen dat [verdachte] deze handelingen heeft gepleegd. Hierna wordt uitgelegd waarom.

1) Er kan niet worden vastgesteld dat [verdachte] twee accounts voor [aangeefster] heeft aangemaakt

De rechtbank oordeelt dat nergens uit het dossier blijkt dat [verdachte] de twee accounts voor [aangeefster] heeft aangemaakt. [aangeefster] heeft zelf verklaard dat zij degene was die de accounts heeft aangemaakt op verzoek van [A] , en het dossier bevat geen stukken die erop wijzen dat dit niet klopt. De rechtbank zal [verdachte] daarom van deze handeling vrijspreken.

2) Niet bewezen dat [verdachte] contact heeft onderhouden met klanten en [aangeefster] instructies heeft gegeven die kunnen leiden tot prostitutiewerk

Daarnaast is in de beschuldiging opgenomen dat [verdachte] contact heeft onderhouden met (potentiële) klanten over prostitutiewerkzaamheden en dat hij [aangeefster] instructies heeft gegeven voor de werkzaamheden in de prostitutie. In deze zaak gaat het qua werkzaamheden dan vooral om seksafspraken, sekschats en videobellen. De rechtbank zal die werkzaamheden hierna bespreken en beoordelen wat de rol van [verdachte] daarbij is geweest.

De rechtbank is het met de officier van justitie en de verdediging eens dat niet bewezen is dat [verdachte] op enige manier betrokken is geweest bij de seksafspraken in Cuijk, Lent en Eindhoven. Hoewel [aangeefster] in haar eerste politieverklaring zegt dat [verdachte] daarbij heeft geholpen, zegt zij later dat de afspraak in Lent via [A] is gegaan en dat zij eigenlijk niet meer weet hoe het contact is gelegd voor de afspraak in Cuijk. Daarnaast vond het volgende chatgesprek tussen [aangeefster] en [verdachte] plaats, een dag nadat [aangeefster] een afspraak met een klant in een hotel in Eindhoven had:

[verdachte] zei op 08-12-2020 10:07 uur: Wat deed jij gisteren in van der valk. Niet liegen. [aangeefster] zei op 08-12-2020 10:16 uur: Geld halen. Wat anders. [verdachte] zei op 08-12-2020 10:25 uur: Geld halen?? Welk geldd. Van Wie. Je moet 100 procent straight met mij zijn je kan niet opeens geld ophalen uit het niks [aangeefster] Wallahi.  (Voetnoot 1)

Uit dit gesprek leidt de rechtbank af dat [verdachte] niet op de hoogte was van de fysieke afspraak die [aangeefster] in het hotel in Eindhoven had. Er zijn in het dossier geen andere bewijsmiddelen waaruit blijkt dat [verdachte] op enige manier heeft geholpen bij het maken van deze seksafspraken.

Hoewel dus niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] een rol heeft gehad bij het maken van fysieke afspraken, vindt de officier van justitie dat alsnog kan worden bewezen dat [verdachte] het feit uit de beschuldiging heeft gepleegd, omdat [verdachte] betrokken zou zijn geweest bij het voeren van sekschats door [aangeefster] .

De rechtbank gaat hieraan voorbij. Het standpunt van de officier van justitie gaat ervan uit dat de sekschats bedoeld waren om seksafspraken te maken en dat [verdachte] daarvan wist of dat redelijkerwijs moest vermoeden. De officier van justitie wijst in dat verband op de verklaring van [aangeefster] , die zegt dat [verdachte] wist dat de gesprekken bedoeld waren om seksafspraken te maken. [verdachte] heeft dat zelf ontkend. Hij zegt dat hij weleens wat namen heeft doorgegeven, wat chats heeft vertaald en dat zij spraken over paydates, een date waarvoor [aangeefster] zou worden betaald, maar [verdachte] was er niet van op de hoogte dat het in de chats en bij de paydates ging om het verrichten van seksuele handelingen.

De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat deze uitleg van [verdachte] niet klopt. In het dossier zijn namelijk geen sekschats opgenomen. Doordat deze sekschats niet in het dossier zijn opgenomen, is niet bekend wat de inhoud van de chats is. Hierdoor is ook niet bekend of sprake is geweest van het toewerken naar een seksuele handeling en welke bijdrage [verdachte] daar dan precies aan heeft geleverd. De paar gesprekken met mannen die wel in het dossier staan, wijzen er niet op dat het de bedoeling was om een seksafspraak te maken. Het dossier bevat bijvoorbeeld een chat tussen [aangeefster] en een man, waarin [aangeefster] zegt dat zij een man zoekt die haar financieel kan onderhouden. (Voetnoot 2) Bovendien blijkt uit het hiervoor opgenomen gesprek tussen [aangeefster] en [verdachte] dat [verdachte] ook niet precies wist wat [aangeefster] feitelijk allemaal deed.

Kortom: de rechtbank kan uit het dossier niet afleiden wat de bedoeling en strekking is geweest van de sekschats, welke exacte bijdrage door [verdachte] is geleverd bij die sekschats, en (dus) ook niet dat [verdachte] (daardoor) moet hebben geweten dat het ging om het verrichten van seksuele handelingen.

Het standpunt van de officier van justitie gaat er verder vanuit dat het voeren van sekschats door [aangeefster] met klanten op zichzelf seksuele handelingen zijn. Daar is de rechtbank het niet mee eens. Er is volgens de rechtspraak van de Hoge Raad pas sprake van een seksuele handeling als door de minderjarige een meer fysieke handeling met zichzelf of met een ander wordt verricht. De officier van justitie heeft niet gesteld dat zo’n handeling is verricht tijdens de sekschats of dat het de bedoeling was dat dat zou gebeuren. [aangeefster] heeft daarover ook niet verklaard. De rechtbank kan het ook niet uit de sekschats afleiden, want die zitten dus niet in het dossier. Andere bewijsmiddelen die daarop zouden kunnen wijzen zitten evenmin in het dossier.

Op de zitting is het ook nog gegaan over videobellen door [aangeefster] met klanten. Zo heeft de moeder van [aangeefster] verklaard dat [aangeefster] weleens naakt in bed belde. (Voetnoot 3) De rechtbank kan uit haar verklaring echter niet afleiden dat [aangeefster] toen contact had met een klant, dat toen een seksuele handeling werd verricht en ook niet dat [verdachte] daar toen op enige manier bij betrokken is geweest. De rechtbank ziet zijn betrokkenheid ook niet in het whatsappbericht dat hij naar [aangeefster] stuurt waarin hij zegt: “Je kan ook geld fixen voor videobellen of normaal bellen”. (Voetnoot 4) Uit dit bericht blijkt namelijk niet dat het [verdachte] erom ging dat tijdens het (video)bellen een seksuele handeling werd verricht.

De rechtbank vindt daarmee niet bewezen dat [verdachte] contact heeft onderhouden met klanten en [aangeefster] instructies heeft gegeven die kunnen leiden tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden. De rechtbank zal [verdachte] daarom van deze handeling vrijspreken.

3) Er kan niet worden vastgesteld dat [verdachte] geld van [aangeefster] heeft ingenomen

Als laatste wordt [verdachte] ervan verdacht dat hij van [aangeefster] geld heeft ingenomen voor de prostitutiewerkzaamheden. Ook dit onderdeel van de beschuldiging kan niet worden bewezen, omdat de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] op de hoogte was van de sekswerkzaamheden. Daar komt bij dat [aangeefster] geen duidelijke verklaring heeft afgelegd over het afgeven van geld aan [verdachte] en dat het dossier ook verder geen bewijs hierover bevat.

De rechtbank zal [verdachte] daarom ook van deze handeling vrijspreken.

Conclusie: [verdachte] wordt vrijgesproken

Het voorgaande betekent dat de rechtbank oordeelt dat het feit niet is bewezen en dat [verdachte] daarvan wordt vrijgesproken.

4
Vordering benadeelde partij
4.1.

Vordering van de benadeelde partij

[aangeefster] heeft zich gesteld als benadeelde partij. Zij vordert dat de verdachte wordt veroordeeld tot het betalen van € 1.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder verzoekt [aangeefster] de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Dat betekent (kort gezegd) dat zij de schadevergoeding niet zelf bij [verdachte] zou hoeven te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet.

4.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering te matigen tot een bedrag van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

4.3.

Standpunt van de verdediging

De advocaat heeft verzocht [aangeefster] niet-ontvankelijk in haar vordering te verklaren, vanwege de bepleite vrijspraak.

4.4.

Oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij is niet-ontvankelijk in de vordering

De rechtbank spreekt [verdachte] vrij van de beschuldiging. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank bepaalt daarom dat [aangeefster] niet-ontvankelijk is in haar vordering.

De benadeelde partij moet de proceskosten vergoeden

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Doordat [aangeefster] niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, is niet komen vast te staan of en in hoeverre zij haar vordering terecht heeft ingediend. [aangeefster] moet daarom de kosten vergoeden die [verdachte] heeft gemaakt om tegen deze vordering in te gaan. De rechtbank oordeelt dat op dit moment niet vast staat dat [verdachte] daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil (€ 0,00).

Beslissing

5
De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat [verdachte] het feit heeft gepleegd en spreekt [verdachte] daarvan vrij;

benadeelde partij [aangeefster]

verklaart [aangeefster] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door [verdachte] gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

Dit vonnis is gewezen door mr. N.P.J. Janssens, voorzitter, mr. C.S.K. Fung Fen Chung en mr. S.D. Groen, in tegenwoordigheid van mr. J. Broere als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.

Bijlage: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op één of meerdere tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 juli 2020

tot en met 16 december 2020 te Lent, Cuijk, Eindhoven, Utrecht en/of (elders) in

Nederland,

A) een ander of anderen, te weten [aangeefster] (geboren op [2004] )

(telkens)

(sub 5)

- ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele

handelingen met en/of voor een derde tegen betaling dan wel ten aanzien van die

[aangeefster] (telkens) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte wist of

redelijkerwijs moest vermoeden dat die [aangeefster] zich daardoor beschikbaar zou

stellen tijdens het verrichten van die seksuele handelingen, terwijl die [aangeefster]

(telkens) de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,

en/of

(sub 8)

B)

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit seksuele handelingen van die

[aangeefster] met en/of voor een derde tegen betaling, terwijl die [aangeefster] (telkens) de

leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,

hebbende en of zijnde hij verdachte,

- twee accounts aangemaakt waarop [aangeefster] werd aangeboden voor

prostitutiewerkzaamheden;

- contacten onderhouden met en/of afspraken gemaakt met (potentiële)

(prostitutie)klant(en) voor die [aangeefster] en/of het maken van afspraken met die

(potentiële) klant(en) over de aard van de prostitutiewerkzaamheden en/of de

daarvoor te betalen bedragen;

- instructies heeft gegeven aan die [aangeefster] voor de werkzaamheden in de prostitutie;

- een (gedeelte) van het door die [aangeefster] verdiende geld ingenomen en/of door die

[aangeefster] laten afstaan en/of van dat door [aangeefster] verdiende geld betaald gekregen;

( art 273f lid 1 ahf/sub 2° Wetboek van Strafrecht, art 273f lid 1 ahf/sub 5° Wetboek

van Strafrecht, art 273f lid 1 ahf/sub 8° Wetboek van Strafrecht )

Voetnoot

Voetnoot 1

Pagina 125 van het dossier.

Voetnoot 2

Pagina 127 van het dossier.

Voetnoot 3

Pagina 270 van het dossier.

Voetnoot 4

Pagina 379 van het dossier.