Rechtbank Midden-Nederland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBMNE:2026:6593

Op 25 September 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 16.150710.24, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBMNE:2026:6593. De plaats van zitting was Lelystad.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
16.150710.24
Datum uitspraak:
25 September 2026
Datum publicatie:
25 September 2026

Indicatie

Verdachte (de oom) wordt veroordeeld voor het misbruik van één van zijn twee nichtjes. Het misbruik bestond onder meer uit het seksueel binnendringen van haar lichaam met zijn vinger(s) toen zij de leeftijd van 12 jaar nog niet had bereikt (art. 244 oud Sr) en toen zij al wel 12 jaar was, maar nog niet de leeftijd van 16 jaar had bereikt (art. 245 oud Sr). Verklaring aangeefster vindt voldoende steun in verklaring verdachte. Volgt vrijspraak voor het plegen van ontuchtige handelingen met zijn andere nichtje. Strafoplegging: Gevangenisstraf 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, proeftijd 2 jaar met bijzondere voorwaarden (waaronder ambulante behandeling en contactverboden). Beslissingen op vorderingen BP (één grotendeels toegewezen, de ander NO).

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16.150710.24

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 25 september 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [1985] in [geboorteplaats] ,

verblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,

(hierna: de verdachte).

1
Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van

11 september 2026. Op deze zitting waren aanwezig:

de verdachte en zijn advocaat, mr. S.C. van der Leer;

de officier van justitie, mr. F.E. Leeman;

het slachtoffer / de benadeelde partij [slachtoffer] ;

mr. C. Dijkstra, advocaat van de benadeelde partijen [slachtoffer] en [benadeelde] .

2
Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

feit 1: in de periode van [2010] tot 19 februari 2022 te [woonplaats] bij [slachtoffer] (geboren op [2010] ), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft verricht die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ;

feit 2: in de periode van 19 februari 2022 tot 1 februari 2024 te [woonplaats] bij [slachtoffer] , voornoemd, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, handelingen heeft verricht die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ;

feit 3: in de periode van 1 januari 2016 tot 9 februari 2024 te [woonplaats] met [slachtoffer] , voornoemd, en [benadeelde] (geboren op [2018] ), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet hadden bereikt, meermalen, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3
Bewijs
3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1 tot en met 3 heeft gepleegd.

De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte van de feiten 1 en 2 vrij te spreken. De verdediging heeft verzocht de verdachte partieel vrij te spreken van feit 3, namelijk voor zover dat ziet op het plegen van ontuchtige handelingen met [benadeelde] (hierna: [benadeelde] ).

De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Bewijsmiddelen feiten 1 tot en met 3

De rechtbank oordeelt dat de feiten 1 tot en met 3 zijn bewezen, met dien verstande dat zij de verdachte partieel zal vrijspreken van feit 3, namelijk voor zover dat het plegen van ontuchtige handelingen met [benadeelde] betreft. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.

Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.

3.3.2.

Bewijsoverwegingen feiten 1 en 2

Inleiding

Uit de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen volgt dat de verdachte in de periode van 1 oktober 2017 tot 1 februari 2024 handelingen heeft gepleegd bij [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] . Tot 19 februari 2022 had zij de leeftijd van twaalf jaar nog niet bereikt (feit 1) en tot 1 februari 2024 had zij al wel de leeftijd van twaalf jaar, maar nog niet de van zestien jaar bereikt (feit 2).

Voor de aanvang van de bewezenverklaarde periode heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de verklaring van de verdachte op de zitting, namelijk dat het begon nadat hij eind augustus 2017 met zijn moeder ( [slachtoffer] ’s oma) verhuisd was naar [woonplaats] . Die verklaring sluit ook aan de bij verklaring van [slachtoffer] dat zij (zes of) zeven jaar oud was toen het misbruik begon en dat het misbruik plaatsvond bij haar oma in [woonplaats] .

Het verweer van de verdediging komt er in de kern op neer dat er onvoldoende steunbewijs is voor de verklaring van [slachtoffer] dat er sprake is van seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] De rechtbank zal uitleggen waarom zij dat anders ziet.

Beoordelingskader

In een zedenzaak doet zich vaak de situatie voor dat alleen het slachtoffer en de verdachte aanwezig zijn geweest bij de ten laste gelegde handelingen en dat zij allebei iets anders verklaren over wat er precies is gebeurd. Hoewel het misbruik heeft plaatsgevonden in de woning van de oma van [slachtoffer] , waar de verdachte woont, vond het misbruik plaats zonder dat daar anderen bij aanwezig waren. De verdachte ontkent niet dat er sprake was van seksueel misbruik, maar ontkent wel het binnendringen van het lichaam van aangeefster. Aangeefster verklaart dat er wel sprake was van binnendringen, namelijk het door de verdachte met zijn vinger(s) binnendringen van haar vagina.

Steunbewijs voor de verklaring van aangeefster kan ertoe leiden dat toch een bewezenverklaring kan volgen. Of er sprake is van voldoende steun, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat niet is vereist dat alle ten laste gelegde handelingen als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer de verklaring van het slachtoffer, als die betrouwbaar wordt bevonden, op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd (het slachtoffer).

Betrouwbaarheid verklaring [slachtoffer]

De verdediging heeft geen verweer gevoerd over de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster. De rechtbank beoordeelt die betrouwbaarheid ambtshalve. De rechtbank acht de verklaringen van aangeefster betrouwbaar. Zij heeft in de verschillende verklaringen die zij heeft afgelegd - zowel tijdens het zogenaamde ‘informatief gesprek zeden’ als tijdens haar latere aangifte - consistent, eenduidig en gedetailleerd verklaard, in het bijzonder op die punten die de kern van het delict, te weten de ten laste gelegde ontuchtige handelingen (die mede bestonden uit het binnendringen van haar lichaam) betreffen. Ook het briefje dat zij schreef aan haar moeder waarmee zij voor het eerst vertelde over het misbruik, bevat de kern – en enkele details – van haar later afgelegde verklaringen bij de politie. Bij haar oordeel over de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster betrekt de rechtbank ook de rapportage van deskundige J. van der Sleen, die heeft onderzocht in hoeverre die verklaring als waarheidsgetrouw kan worden aangemerkt. In dat rapport is onder meer geconcludeerd dat:

de deskundige geen problemen ziet in de ontstaansgeschiedenis van de verklaring van aangeefster;

de deskundige geen problemen ziet met betrekking tot de inhoud van die verklaring;

het dossier bovendien geen ondersteuning biedt voor alternatieve scenario’s voor het ontstaan van haar verklaring.

Gelet hierop en nu ook anderszins geen reden bestaat om aan de juistheid van de verklaringen van aangeefster te twijfelen, zijn deze verklaringen betrouwbaar, geloofwaardig en bruikbaar voor het bewijs.

Voldoende steunbewijs

De verklaring van aangeefster wordt naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate ondersteund door de verklaring van de verdachte. Aangeefster en de verdachte verklaren nagenoeg eensluidend over de frequentie van het misbruik, de plaats en de omstandigheden waaronder het misbruik plaatsvond (om het weekend bij oma thuis, tijdens het spelen van een computerspelletje als de aangeefster bij de verdachte op schoot zat op de kamer van de verdachte). De verdachte heeft onder meer verklaard dat hij (ook) schuifbewegingen met zijn hand bij haar blote vagina maakte, ook wel bij haar clitoris, en dat het zijn bedoeling was om haar te masturberen. Ook de aangeefster heeft verklaard dat de verdachte aan haar clitoris zat. Zij verklaarde aanvullend op hetgeen de verdachte heeft bekend ‘dat de verdachte er normaal met één vinger in ging maar dat hij soms probeerde er twee in te doen’.

De rechtbank overweegt dat seksueel binnendringen ieder binnendringen van het lichaam met een seksuele strekking betreft. De grote en kleine schaamlippen vormen een natuurlijke lichaamsopening die kan worden binnengedrongen. Voor het aanraken van de clitoris zal de natuurlijke lichaamsopening van de grote en kleine schaamlippen worden binnengedrongen.

De rechtbank heeft zoals hiervoor overwogen geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de aangeefster. Dat geldt ook voor haar verklaring dat het binnendringen van haar lichaam bestond uit het brengen/duwen van zijn vinger(s) in haar vagina. De rechtbank is van oordeel dat voor de specifieke handeling van het inbrengen van (een) vinger(s) geen aanvullend bewijs nodig is. Deze handeling ligt zo in het verlengde van de verklaring van de verdachte dat hij aan de clitoris van aangeefster zat en haar heeft willen masturberen, dat ander steunbewijs niet nodig is.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de handelingen van de verdachte zoals hiervoor omschreven, namelijk het betasten van de clitoris op de hiervoor beschreven wijze en het brengen/duwen van zijn vinger(s) in haar vagina, kunnen worden gekwalificeerd als mede bestaand hebbende uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

De rechtbank acht niet bewezen dat het misbruik zoals onder feit 1 en 2 ten laste is gelegd heeft bestaan uit ‘zijn, verdachtes, (stijve) penis tegen het lichaam van [slachtoffer] aan te drukken/duwen’, nu dit niet zonder meer uit het dossier kan volgen. De rechtbank zal de verdachte van dit onderdeel vrijspreken.

3.3.3.

Gedeeltelijke vrijspraak feit 3

De rechtbank oordeelt dat feit 3 wettig en overtuigend bewezen is voor zover dat ziet op het plegen van ontuchtige handelingen met [slachtoffer] . In zoverre heeft de verdachte dit feit ook bekend. De rechtbank zal de verdachte echter vrijspreken voor zover dat ziet op het plegen van ontuchtige handelingen met [benadeelde] en zal hierna uitleggen waarom zij tot dat oordeel komt.

De verdachte heeft steeds stellig ontkend dat hij ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [benadeelde] . Feit 3 ziet op het plegen van ontuchtige handelingen met zowel [slachtoffer] als met [benadeelde] , [benadeelde] was nog heel jong was toen het vermeende misbruik heeft plaatsgevonden, en bovendien was zij nog erg jong toen zij hier met de politie over sprak. Het studioverhoor vond plaats op 8 mei 2024. Zij was toen nog maar vijf jaar oud. Gelet op die nog jonge leeftijd moet behoedzaam worden omgegaan met haar verklaring. De deskundige J. van der Sleen, die ook heeft onderzocht in hoeverre de verklaring van [benadeelde] als waarheidsgetrouw kan worden aangemerkt, heeft hierover – inleidend – het volgende opgemerkt:

“Voor het afleggen van een verklaring is vijf jaar een jonge leeftijd. Verklaringen van kinderen van deze leeftijd zijn vaak onvolledig. Dit heeft te maken met het feit dat hun geheugen nog in ontwikkeling is, maar ook is de mogelijkheid beperkt om verbaal weer te geven wat er in hun geheugen is opgeslagen. Bovendien hebben ze vaak moeite met het langere tijd beantwoorden van vragen en is een verhoorsituatie daarmee sowieso al een uitdaging. Dat blijkt ook tijdens het verhoor van [benadeelde] in de kindvriendelijke verhoorstudio. Ze kan slechts korte tijd focussen op het vertellen over de vermeende incidenten met de verdachte en is dan weer afgeleid en wil iets anders doen.”

Voornoemde deskundige benoemt ook wat problematisch is in de ontstaansgeschiedenis van de verklaring van [benadeelde] , namelijk:

dat [benadeelde] had gehoord dat de verdachte aan de tut [de rechtbank begrijpt: de vagina] van [slachtoffer] (haar zus) had gezeten;

dat haar moeder in februari 2024 aan [benadeelde] had gevraagd of de verdachte ook aan haar tut had gezeten.

In dat verband oordeelt de rechtbank, in aanvulling op het voorgaande, het volgende over de totstandkoming van de verklaring van [benadeelde] tijdens het studioverhoor. Op 16 februari 2024 vertelde de moeder van [benadeelde] aan haar dat de verdachte (haar oom) niet zo aardig is geweest tegen haar zus en dat hij aan de ‘tut’ van haar zus heeft gezeten en dat het pijn deed bij haar zus. Vervolgens is aan [benadeelde] gevraagd of de verdachte ook aan haar ‘tut’ had gezeten, waarop zij zegt: ‘Nee, ik weet het niet. Er is niks gebeurd.’ Tijdens een autorit, ongeveer een week erna, vertelde [benadeelde] – in het bijzijn van haar moeder, haar zus en een vriendin van haar zus – dat de verdachte aan de ‘tut’ van haar zus had gezeten. Pas geruime tijd later, op 4 mei 2024, vertelde [benadeelde] aan haar moeder dat de verdachte ook aan haar tut had gezeten, waarna haar moeder logischerwijs contact heeft opgenomen met de politie.

De deskundige geeft weliswaar aan dat zij geen sterke ondersteuning ziet voor alternatieve scenario’s, maar zij geeft ook aan dat het scenario ‘onbedoelde beïnvloeding’ in deze zaak niet geheel kan worden uitgesloten. De rechtbank ziet in de ontstaansgeschiedenis van de verklaring van [benadeelde] , zoals hiervoor weergegeven, voldoende risico’s op een onbedoelde beïnvloeding van de belastende verklaring van [benadeelde] die zij tijdens het studioverhoor heeft afgelegd.

Verder is uit het proces-verbaal van het studioverhoor niet goed op te maken hoe de verklaring tot stand is gekomen, gelet op de summiere uitwerking ervan, waarbij slechts in bulletvorm een samenvatting is gegeven van wat [benadeelde] heeft verteld. De al dan niet gestelde vragen en de exacte manier waarop [benadeelde] antwoord geeft, zijn niet vermeld. Wel staat beschreven dat [benadeelde] heel bewegelijk was en snel afgeleid. Dit maakt het aannemelijk dat er gerichte vragen zijn gebruikt om te zorgen dat [benadeelde] ging praten over het onderwerp van het verhoor.

Al met al volgt uit het voorgaande dat er te veel risico’s bestaan dat de verklaring van de nog maar vijfjarige [benadeelde] , onbedoeld is beïnvloed. Daarmee is haar verklaring onvoldoende betrouwbaar om voor het bewijs te kunnen gebruiken. Dit betekent ook dat er onvoldoende bewijs is voor het plegen van ontuchtige handelingen door de verdachte met

[benadeelde] , zodat de verdachte van dit onderdeel van feit 3 van de beschuldiging zal worden vrijgesproken.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

1op meerdere tijdstippen in de periode van 1 oktober 2017 tot 19 februari 2022 te [woonplaats] met [slachtoffer] (geboren op [2010] ), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, meermalen een of meer handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] door (telkens)- die [slachtoffer] op zijn schoot te tillen/zetten en - de (binnenkant van) het been van die [slachtoffer] te betasten en- de billen van die [slachtoffer] te betasten en- de nek van die [slachtoffer] te kussen en- de borsten van die [slachtoffer] te betasten en- de vagina, clitoris en schaamlippen/schaamstreek van die [slachtoffer] te betasten en- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] te brengen/duwen;

2op meerdere tijdstippen in de periode van 19 februari 2022 tot 1 februari 2024 te [woonplaats] met [slachtoffer] (geboren op [2010] ), die de leeftijdvan twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, meermalen een of meer handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] door (telkens)- die [slachtoffer] op zijn schoot te tillen/zetten en- de (binnenkant van) het been van die [slachtoffer] te betasten en- de billen van die [slachtoffer] te betasten en- de nek van die [slachtoffer] te kussen en- de borsten van die [slachtoffer] te betasten en- de vagina, clitoris en schaamlippen/schaamstreek van die [slachtoffer] te betasten en- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] te brengen/duwen;

3op meerdere tijdstippen in de periode van 1 oktober 2017 tot 1 februari 2024 te [woonplaats] , met [slachtoffer] , geboren op [2010] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, meermalen een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, door telkens- die [slachtoffer] op zijn schoot te tillen/zetten en - de (binnenkant van) het been van die [slachtoffer] te betasten en - de billen van die [slachtoffer] te betasten en - de nek van die [slachtoffer] te kussen en - de borsten van die [slachtoffer] te betasten en- de vagina, clitoris en schaamlippen/schaamstreek van die [slachtoffer] te betasten;

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4
Kwalificatie en strafbaarheid
4.1.

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op en de rechtbank merkt op dat sprake is van eendaadse samenloop tussen de feiten 1 en 3 respectievelijk de feiten 2 en 3:

feit 1:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd

feit 2:

met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd

feit 3:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd

4.2.

Strafbaarheid feiten en verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5
Straf
5.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:

- een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met daarbij de door de reclassering in haar advies van 17 augustus 2026 geadviseerde bijzondere voorwaarden, kort gezegd inhoudende:

een meldplicht bij de reclassering

dat hij zich ambulant laat behandelen

een contactverbod met de slachtoffers en hun moeder.

5.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om, in geval van strafoplegging, geen langere gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft gezeten en daarnaast een taakstraf op te leggen en een voorwaardelijke gevangenisstraf met daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Er is sprake van een laag recidiverisico, positieve ontwikkelingen tijdens de schorsing, maar er bestaat ook de noodzaak tot het continueren van de ingezette behandeling. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de persoon van de verdachte en de daarmee gepaard gaande verminderde toerekeningsvatbaarheid.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zijn nichtje jarenlang misbruikt. Dit misbruik vond frequent plaats. Zijn nichtje was om het weekend bij hem thuis als zij bij haar oma logeerde en het gebeurde vrijwel elke keer als zij daar kwam. Dit is begonnen toen zij zeven jaar oud was en ging door totdat zij bijna de leeftijd van 14 jaar had bereikt. Het misbruik bestond onder meer uit het seksueel binnendringen van haar lichaam met zijn vinger(s). De verdachte heeft misbruik gemaakt van het vertrouwen dat het slachtoffer in hem als oom mocht stellen. Juist in die omgeving, het huis van oma, had [slachtoffer] zich veilig moeten kunnen voelen. Verdachte heeft daarmee niet alleen een grove inbreuk gemaakt op zowel de lichamelijke als psychische integriteit van het slachtoffer, hij heeft ook de normale seksuele en lichamelijke ontwikkeling van het slachtoffer doorkruist. Dit soort feiten kunnen namelijk grote schade toebrengen aan de ontwikkeling van meisjes. Dit blijkt ook wel uit wat het slachtoffer tijdens het uitoefenen van haar spreekrecht heeft verteld en uit de onderbouwing van haar schadevergoedingsvordering. Door zo te handelen heeft de verdachte uitsluitend oog gehad voor de spanning die hij daarbij kennelijk ervaarde en ook wilde ervaren. Hij heeft geen rekening gehouden met de ingrijpende gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:

- een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte (het strafblad) van

5 augustus 2026. Hieruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

- een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 17 augustus 2026;

- een psychologisch Pro Justitia rapport van 26 september 2024, uitgebracht door de deskundige S.A. van Groningen, GZ-psycholoog.

Reclasseringsadvies

In het reclasseringsadvies is, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende geconcludeerd en geadviseerd.

Uit de risicotaxatie volgt een gemiddeld risico op een nieuwe aanklacht of veroordeling voor een zedendelict. Daarbij worden het ontbreken van een structurele dagbesteding,

sociale eenzaamheid, beperkingen in het psychosociaal functioneren en de houding van de verdachte aangemerkt als relevante criminogene factoren.

Gedurende het schorsingstoezicht is gebleken dat de verdachte zich openstelt voor begeleiding en behandeling. Uit de informatie van ForFACT komt naar voren dat hij gemotiveerd deelneemt aan de behandeling en positieve stappen zet op het gebied van sociale vaardigheden, zelfinzicht en autonomie. Tegelijkertijd wordt geconstateerd dat belangrijke behandeldoelen nog niet volledig zijn bereikt. De verdachte heeft vanwege zijn beperkte sociale netwerk, het ontbreken van een passende dagbesteding en zijn cognitieve beperkingen nog onvoldoende mogelijkheden gehad om de aangeleerde vaardigheden in de praktijk te oefenen en te bestendigen. Daarnaast is sprake van een afhankelijkheidsrelatie met zijn moeder. Hoewel deze relatie steunend van aard is, vormt zij tevens een belemmering voor de verdere ontwikkeling van zelfstandigheid en maatschappelijke participatie. Ook de pogingen om een constructieve dagbesteding te realiseren en het sociale netwerk van de verdachte uit te breiden, hebben vooralsnog niet tot het gewenste resultaat geleid. Hierdoor blijven meerdere risicofactoren aanwezig.

Alles overziend constateert de reclassering dat er sprake is van een positieve behandelontwikkeling, maar dat de geconstateerde risicofactoren nog onvoldoende zijn afgenomen. Gelet op de aard van de verdenking, het ingeschatte recidiverisico, de nog aanwezige criminogene factoren en de nog lopende behandeldoelen, acht de reclassering voortzetting van de ambulante behandeling bij ForFACT noodzakelijk en geïndiceerd. De behandeling biedt het meest passende kader om verder te werken aan het vergroten van de sociale vaardigheden, het versterken van de zelfstandigheid, het uitbreiden van het sociale netwerk en het realiseren van een duurzame dagbesteding, met als doel het verder terugdringen van het recidiverisico en het bestendigen van de positieve ontwikkelingen die reeds zichtbaar zijn. Naast een behandeling, wordt een meldplicht en een contactverbod met [slachtoffer] en [benadeelde] en hun moeder geadviseerd.

Psychologisch Pro Justitia rapport

In het rapport van de psycholoog staan onder meer, zakelijk weergegeven, de volgende conclusies en adviezen:

Er is bij de verdachte sprake van een licht verstandelijke beperking en afhankelijke en vermijdende trekken in de persoonlijkheid. Deze stoornissen waren aanwezig ten tijde van de feiten en beïnvloedden daarbij zijn gedragskeuzes en gedragingen.

De verdachte functioneert, vanuit zijn licht verstandelijke beperking en de verstoring in zijn persoonlijkheidsontwikkeling, op een lager sociaal emotioneel ontwikkelingsniveau dan passend bij zijn kalenderleeftijd. De verdachte heeft veel moeite om contact te krijgen met vrouwen van zijn eigen leeftijd, hoewel hij dat wel graag zou willen. Hij voelt angst om door hen afgewezen te worden en denkt dat ze zijn beperking niet zullen accepteren. Hoewel de verdachte beperkt zicht heeft gegeven op zijn motieven en gevoelens ten aanzien van de feiten, kan verondersteld worden dat hij aansluiting ervaarde bij [slachtoffer] omdat zij op een soortgelijk emotioneel niveau functioneerde. De verdachte beschikt daarnaast, vanuit zijn stoornissen, over een beperkt inlevingsvermogen. Hij heeft zich vermoedelijk vanuit een kinderlijk egocentrisme laten leiden door zijn eigen behoefte (seksuele lust), zonder daarbij veel rekening te houden met de gevolgen van zijn gedrag voor zijn nichtje.

Geadviseerd wordt de feiten in (licht) verminderde mate toe te rekenen aan de verdachte. De verdachte is goed in staat geweest om te weten en begrijpen dat zijn handelen niet was toegestaan. Het risico op seksuele recidive wordt laag ingeschat.

Er wordt voor de verdachte een laagdrempelige, outreachende vorm van behandeling geadviseerd, zoals bijvoorbeeld een forensisch fact-team (lvb). Het is namelijk belangrijk dat er meer zicht komt op de seksualiteitsbehoefte- en beleving van de verdachte, aangezien hier in het huidige onderzoek weinig zicht op is ontstaan. De verwachting is dat de verdachte hier meer openheid over zal geven na afronding van het proces. Vanuit een goede delict-analyse kan binnen de behandeling worden onderzocht of er op seksueel gebied factoren zijn die invloed hebben op het recidiverisico en die in de behandeling meegenomen dienen te worden. In de behandeling dient verder, vanuit de beschreven problematiek, aandacht te zijn voor het versterken van de identiteit en het zelfbeeld van de verdachte, het adequaat leren omgaan met zijn emoties en het vergroten van zijn intermenselijke vaardigheden (het verminderen van de sociale angst/verlegenheid). Geadviseerd wordt ook zijn moeder bij de behandeling te betrekken. Tot slot wordt aanbevolen in de behandeling aan te sluiten bij het niveau van cognitief en adaptief functioneren, aangezien anders de kans op overvraging en het niet aanslaan van de behandeling groot is. Deze behandeling kan worden opgelegd als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel.

Overschrijding redelijke termijn

Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting had moeten zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. De termijn is aangevangen toen de verdachte voor het eerst werd gehoord door de politie, namelijk op 19 april 2024. Het vonnis wordt gewezen op 25 september 2026. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden met ongeveer 5 maanden.

Strafkader

Gelet op de aard en ernst van de feiten en de lange periode waarin deze feiten frequent werden gepleegd door de verdachte, kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De rechtbank ziet in de persoon van de verdachte aanleiding om van de eis van de officier van justitie af te wijken. Gelet op de aanwezige stoornissen ten tijde van de feiten kunnen de feiten in verminderde mate aan hem worden toegerekend. Ook is gebleken dat de verdachte zich tijdens de schorsing goed heeft gehouden aan de voorwaarden. Hij zet zich in, neemt gemotiveerd deel aan de behandeling en zet positieve stappen. De verdachte heeft daarnaast voor een groot deel openheid gegeven over de door hem gepleegde feiten, met uitzondering van de handelingen die het meest ernstig waren. De rechtbank oordeelt dat de overschrijding van de redelijke termijn matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.

De verdachte heeft, voordat de voorlopige hechtenis werd geschorst, 108 dagen vast gezeten. Gelet op de ernst van de gepleegde feiten en mede gelet op straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, volstaat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van dat voorarrest – zoals verzocht door de verdediging – naar het oordeel van de rechtbank niet. Met het opleggen van de straf moet recht worden gedaan aan het leed dat het slachtoffer is aangedaan. Bovendien moet voor de verdachte, en ook voor anderen, duidelijk zijn hoe ernstig deze feiten zijn en welke straffen daarvoor worden opgelegd. De rechtbank ziet in de rapportages die over de verdachte zijn opgemaakt ook het belang dat verder wordt gegaan met de tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis ingezette behandeling, ook om te voorkomen dat de verdachte in de toekomst zijn verwijtbare gedrag herhaalt. Daarom zal de rechtbank een deel van de op te leggen gevangenisstraf in voorwaardelijke zin opleggen.

Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte de volgende straf op:

- een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden (een meldplicht bij de reclassering, het volgen van een ambulante behandeling, een contactverbod met [slachtoffer] en [benadeelde] en hun moeder).

Schorsing blijft doorlopen na vonnis

Hoewel de rechtbank een langere gevangenisstraf oplegt dan de verdachte al in voorarrest heeft gezeten, ziet zij geen aanleiding om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen. De verdachte heeft zich goed aan de schorsingsvoorwaarden gehouden. Hij kan de oproep voor het ondergaan van de (resterende) gevangenisstraf in vrijheid afwachten.

6
Vordering benadeelde partij
6.1.

Vordering van de benadeelde partijen

[slachtoffer] heeft zich, via haar wettelijk vertegenwoordiger (haar moeder), gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 12.536,63,- voor de feit 1 tot en met 3, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 36,63 voor vergoeding van materiële schade en € 12.500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).

[benadeelde] heeft zich, via haar wettelijk vertegenwoordiger (haar moeder), gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 5.058,74 voor feit 3, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 58,74 voor vergoeding van materiële schade en € 5.000,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).

Verder verzoeken de benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en dat de schadevergoeding wordt overgemaakt op een rekening met een BEM-clausule.

6.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat beide vorderingen voor toewijzing in aanmerking komen.

6.3.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer]

Primair is verzocht [slachtoffer] grotendeels niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering vanwege de bepleite vrijspraken voor de feiten 1 en 2, met uitzondering van een toewijzing van een schadevergoeding voor feit 3, nu de verdediging zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor een bewezenverklaring van feit 3 voor zover dat [slachtoffer] betreft.

Indien de rechtbank alleen komt tot een veroordeling voor feit 3, dan dient het gevorderde schadebedrag aanzienlijk te worden gematigd en dient aansluiting te worden gezocht bij hetgeen de Rotterdamse schaal voorschrijft bij een veroordeling van een dergelijk feit.

De gevorderde materiële kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde]

Primair is verzocht [benadeelde] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering vanwege de bepleite vrijspraak van het onderdeel van feit 3 dat ziet op de benadeelde partij [benadeelde] .

6.4.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer] :

Materiële schade

De gevorderde reiskosten kunnen niet worden aangemerkt als kosten gemaakt ter vaststelling van de schade en komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal de gevorderde materiële schade van € 36,63 daarom afwijzen.

Immateriële schade - grondslag

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

De benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij door de door de verdachte gepleegde strafbare feiten geestelijk letsel heeft opgelopen.

Hoogte toekenning schadebedrag - Rotterdamse schaal

De betwisting van het schadebedrag ziet in de kern op de bepleite vrijspraken voor de feiten 1 en 2. De rechtbank heeft die feiten echter bewezen verklaard. Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging. In de onderhavige zaak valt het letsel van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie ‘Ontucht met binnendringen’, categorie ‘meest ernstig’ van de Rotterdamse schaal. Deze categorie heeft een bandbreedte van € 12.500,- tot € 32.000,-. De advocaat van de benadeelde partij heeft hier ook aansluiting bij gezocht, en wel bij de onderkant van die bandbreedte. Dit bedrag van € 12.500,- is tegelijkertijd de bovenkant van bandbreedte in de categorie ‘ernstig’. De rechtbank kan zich hier in vinden. Daarbij let de rechtbank op de lange periode van het misbruik (meer dan zes jaar) terwijl de aard van de seksuele handelingen minder vergaand is dan de in de relevante categorieën genoemde voorbeelden. De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 12.500,- aan immateriële schade daarom toewijzen.

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe en zal deze laten aanvangen in het midden van de (totale) bewezenverklaarde periode van de feiten 1 tot en met 3, te weten vanaf 1 december 2020 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Proceskosten

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van

€ 12.500,- aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2020 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.

Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 89 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

De rechtbank zal bepalen dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

BEM-clausule

Omdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen – tot de minderjarige achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken. De benadeelde partij heeft om deze BEM-clausule verzocht.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde] :

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van feit 3 van de beschuldiging, voor zover dat de benadeelde partij [benadeelde] betreft. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat beide partijen in dit geval hun eigen kosten betalen.

7
Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en schadevergoedingsmaatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

- artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 55, 57, 244 (oud), 245 (oud) en 247 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

8
De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 tot en met 3 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;

verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder feit 1 tot en met 3 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

- als voorwaarden gelden dat de verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

* zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en

zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Middendreef 293, 8233 GT Lelystad;

* zich gedurende de proeftijd laat behandelen door ForFACT of een soortgelijke

zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden,

seksueel grensoverschrijdend gedrag, vergroten van zelfstandigheid en verbeteren van het zelfbeeld. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat betrokkene voorgeschreven medicatie zal gebruiken;

* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met:

? [slachtoffer] , geboren op [2010] ;

? [benadeelde] , geboren op [2018] ;

? [A] , geboren op [1980] ;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer] (feiten 1 tot en met 3)

wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 12.500. Dit betreft immateriële schade;

veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2020 tot de dag van volledige betaling;

wijst de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft het meer gevorderde, te weten de materiële schade, af;

veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij aan de Staat € 12.500,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2020 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 89 dagen gijzeling;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule.

Vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer] (feit 3)

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en de verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Koorevaar, voorzitter, mr. H.C. Piet en

mr. J.P. Verboom, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.J. Laanstra als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 25 september 2026.

De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 februari 2016 tot 19 februari 2022 te [woonplaats] , gemeente Noordoostpolder, althans in Nederland, met [slachtoffer] (geboren op [2010] ), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meermalen een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] door (telkens)- die [slachtoffer] op zijn schoot te tillen/zetten en/of- de (binnenkant van) het been van die [slachtoffer] te betasten en/of- de billen van die [slachtoffer] te betasten en/of- de nek van die [slachtoffer] te kussen en/of- zijn, verdachtes, (stijve) penis tegen het lichaam van die [slachtoffer] aan te drukken/duwen en/of- de borsten van die [slachtoffer] te betasten en/of- de vagina en/of clitoris en/of schaamlippen/schaamstreek van die [slachtoffer] te betasten en/of- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] te brengen/duwen;

2hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 februari 2022 tot 1 februari 2024 te [woonplaats] , gemeente Noordoostpolder, althans in Nederland, met [slachtoffer] (geboren op [2010] ), die de leeftijdvan twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meermalen een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van hetlichaam van die [slachtoffer] door (telkens)- die [slachtoffer] op zijn schoot te tillen/zetten en/of- de (binnenkant van) het been van die [slachtoffer] te betasten en/of- de billen van die [slachtoffer] te betasten en/of- de nek van die [slachtoffer] te kussen en/of- zijn, verdachtes, (stijve) penis tegen het lichaam van die [slachtoffer] aan te drukken/duwen en/of- de borsten van die [slachtoffer] te betasten en/of- de vagina en/of clitoris en/of schaamlippen/schaamstreek van die [slachtoffer] te betasten en/of- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] te brengen/duwen;

3hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot 9 februari 2024 te [woonplaats] , gemeente Noordoostpolder, althans in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [2010] , en/of [benadeelde][benadeelde] , geboren op [2018] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meermalen een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, door telkens- die [slachtoffer] en/of [benadeelde] op zijn schoot te tillen/zetten en/of- de (binnenkant van) het been van die [slachtoffer] te betasten en/of- de billen van die [slachtoffer] te betasten en/of- de nek van die [slachtoffer] te kussen en/of- zijn, verdachtes, (stijve) penis tegen het lichaam van die [slachtoffer] aan te drukken/duwen en/of- de borsten van die [slachtoffer] te betasten en/of- de vagina en/of clitoris en/of schaamlippen/schaamstreek van die [slachtoffer] en/of [benadeelde] te betasten.

Bijlage II: Bewijsmiddelen  (Voetnoot 1)

De verklaring van aangeefster [slachtoffer] , voor zover, zakelijk weergegeven, in haar aangifte is opgenomen:

Ik doe aangifte tegen mijn oom, [verdachte] . Het is in [woonplaats] gebeurd, bij mijn oma thuis, tot ongeveer 1 februari 2024. (Voetnoot 2) Ik ging op zijn schoot zitten. Ik ging een spelletje spelen. Zonder het te zeggen deed hij mijn broek naar beneden en ging hij aan mijn vagina zitten. (Voetnoot 3)

Wanneer ik niet ging luisteren of zo, dan deed hij zijn vingers in één keer heel hard in mijn vagina. Dan bleef hij er ook in. Dat was gewoon in één keer naar binnen rammen en houden. Dat deed pijn natuurlijk. Ik voelde mij vies. Ook heel naar als ik terug kwam van mijn oma. Het was helemaal niet fijn. Mijn vagina deed altijd wel pijn, al helemaal, omdat hij het heel lang deed. (Voetnoot 4)

Het gebeurde elke keer als ik daar was. Dat was om het weekend. Als ik zei dat het pijn deed, dan bleef hij daar gewoon hangen met zijn vinger in mijn vagina. Tot ik weer normaal ging zitten en dan ging hij gewoon weer door. Het is een paar keer gebeurd dat mijn vagina bloedde wanneer hij keihard met zijn vinger in mijn vagina ging. Hij deed dat met rechts. Zijn linkerhand gebruikte hij dan wel eens om aan mijn clitoris of aan mijn tieten te zitten. Ik zat dan op zijn schoot in zijn kamer. (Voetnoot 5)

Hij heeft aan mijn tieten gezeten. Soms als ik dan op schoot zat gaf hij wel eens een kusje in mijn nek. Als ik langs liep zat hij wel eens aan mijn kont of ongepast een knuffel gegeven. Bij mijn middel gepakt en dan nog een beetje aan mijn kont zitten. Aan de binnenkant van mijn benen heen gewreven, dat soort dingen. (Voetnoot 6)

Het is gestopt vanaf het moment dat ik het mijn moeder heb verteld, toen zijn we naar de politie gegaan. (Voetnoot 7)

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 11 september 2026:

Ik heb aan mijn nichtje [slachtoffer] gezeten. Ik had boven een kamer. Zij kwam mee om een computerspelletje te spelen. Zij ging dan op mijn schoot zitten. Ik was haar eerst aan het strelen op haar benen. De eerste keer was toen wij net verhuisd waren.

Later ging ik ook naar haar vagina toe. Dan deed ik haar knoop los en broek naar beneden en zat ik aan haar blote vagina. Soms zat ik aan haar borsten. Ik heb een kusje in haar nek gegeven. Ik heb ook wel over de kleding aan haar billen gezeten.

Ik deed het vanuit een bepaalde spanning, ik weet dat het niet mag. Ik heb tegen haar gezegd dat het een geheim moest blijven. Het waren seksuele handelingen.

Ik maakte schuifbewegingen met mijn hand bij haar vagina. Op haar kleding, maar ook haar blote vagina als zij haar broek en onderbroek uit had. Mijn bedoeling was om haar te masturberen. Ik deed dat ook wel bij haar clitoris. Soms hield ik één hand bij de vagina en de andere hand op haar borst.

Een ‘Informatiestaat SKDB-persoon’ betreffende de verdachte van 23 juli 2026:

Historische BRP-adressen:

Vanaf 26 september 2017: [adres] te [woonplaats] . (Voetnoot 8)

Voetnoot

Voetnoot 1

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL900-2024050307, doorgenummerd pagina 1 tot en met 59. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

Voetnoot 2

Pagina 9.

Voetnoot 3

Pagina 10.

Voetnoot 4

Pagina 11.

Voetnoot 5

Pagina 12.

Voetnoot 6

Pagina 13.

Voetnoot 7

Pagina 13.

Voetnoot 8

Een uittreksel van de Justitiële Informatiedienst betreffende de adresgegevens van de verdachte. Pagina 2.