Rechtbank Midden-Nederland, wraking strafrecht overig
ECLI:NL:RBMNE:2026:477
Op 12 February 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een wraking procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 605285 HA RK 26-4, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBMNE:2026:477. De plaats van zitting was Lelystad.
Indicatie
Wrakingszaak. Wrakingsverzoek afgewezen. De beslissing van de rechter om de onderzoekswensen van de verdediging af te wijzen is een tussenbeslissing. Er is geen sprake van een motivering die niet anders kan worden begrepen dan als blijk van vooringenomenheid.
Uitspraak
Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Locatie: Lelystad
Zaaknummer: 605285 HA RK 26-4
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van
12 februari 2026
op het verzoek in de zin van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van:
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats] ,
(hierna: verzoeker),
advocaat mr. C.N.G.M. Starmans, te Utrecht.
1.1.
Verzoeker heeft op 13 januari 2026 mr. J.P. Verboom gewraakt. Mr. Verboom (hierna: de rechter) is de behandelend rechter in de strafzaak tegen verzoeker met parketnummer 81.159403.25 (hierna: de hoofdzaak).
1.2.
De rechter heeft op 15 januari 2026 een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek ingediend.
1.3.
De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek op 29 januari 2026 in het openbaar behandeld. Mr. E. Rozestraten is verschenen voor verzoeker als waarnemer voor
mr. Starmans. Mr. Starmans heeft voorafgaand aan de wrakingszitting pleitaantekeningen aan de wrakingskamer gestuurd, waarvan de wrakingskamer kennis heeft genomen. De rechter is met voorafgaand bericht niet verschenen.
1.4.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2.1.
Verzoeker is verdachte in de hoofdzaak die bij de rechter in behandeling is. Op 13 januari 2026 heeft in die zaak de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaat van verzoeker heeft verzocht om twee verbalisanten te horen en om politiemutaties aan het dossier toe te voegen. De rechter heeft deze verzoeken afgewezen. De advocaat heeft opgemerkt dat de rechter er blijkbaar van uitgaat dat wat verdachte heeft verklaard onzin is en dat wat de verbalisant heeft genoteerd correct is. Volgens de advocaat heeft de rechter dat bevestigd. De advocaat heeft de rechter vervolgens gewraakt.
2.2.
Het wrakingsverzoek is in de pleitaantekeningen en op de mondelinge behandeling als volgt toegelicht. Het belang van de verdediging bij de onderzoekswensen is een gegeven. De rechter heeft de onderzoekswensen van verzoeker ondanks het verdedigingsbelang afgewezen. De beslissing van de rechter vormt op zichzelf in het algemeen geen grond voor wraking, maar die beslissing in combinatie met de woorden van de rechter na het nemen van die beslissing wel. De rechter heeft op voorhouden van de advocaat bevestigd dat wat de verdachte heeft verklaard onzin is en dat hij uitgaat van de juistheid van de inhoud van het proces-verbaal van de verbalisant. De rechter heeft daarmee al een oordeel gegeven over de rechtmatigheid van de doorzoeking van de auto en verzoeker de mogelijkheid van het voeren van een verweer op grond van artikel 359a Sv ontnomen. De beslissing van de rechter is voor verzoeker onbegrijpelijk. Hierdoor is bij verzoeker de gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid bij de rechter ontstaan.
2.3.
De rechter heeft niet berust in de wraking. Dit betekent dat hij het niet eens is met de wraking. In zijn schriftelijke reactie heeft de rechter dit uitgelegd. De rechter heeft de onderzoekswensen afgewezen, omdat hij van oordeel was dat er onvoldoende verdedigingsbelang bestond. Het wrakingsverzoek is een directe reactie op zijn beslissing om de onderzoekswensen af te wijzen. De rechter heeft niets gezegd over de schuld of onschuld van de verdachte aan het aan hem ten laste gelegde feit en geen oordeel gegeven over een (te verwachten) 359a Sv verweer. De motivering van zijn beslissing is dus niet zo onbegrijpelijk dat dit blijk geeft van vooringenomenheid of partijdigheid. De advocaat heeft de beslissing van de rechter teruggebracht tot de frase dat de rechter ‘de lezing van de verdachte kennelijk maar onzin vindt’. De rechter heeft dat niet gezegd en herkent zich daar niet in. Van partijdigheid of vooringenomenheid is dus geen sprake, aldus de rechter.
Overwegingen
3.1.
Artikel 512 Sv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit wat hij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat hij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of hij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
Het oordeel van de wrakingskamer
3.3.
De beslissing van de rechter om de onderzoekswensen af te wijzen is een tussenbeslissing. Dat de rechter die beslissing heeft genomen ten nadele van verzoeker is geen grond voor wraking. Ook een onjuiste, gebrekkige of onbegrijpelijke motivering of het ontbreken daarvan voor die beslissing levert geen grond voor wraking op. Voor een wraking zijn meer omstandigheden nodig. Alleen als (de motivering van) de beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden begrepen dan als blijk van vooringenomenheid, kan dit tot een ander oordeel leiden. De wrakingskamer is van oordeel dat hiervan geen sprake is en legt dat hierna uit.
3.4.
Het proces-verbaal van de zitting is voor de wrakingskamer de kenbron van wat er op de zitting is voorgevallen. Uit dat proces-verbaal en de toelichting van de advocaat maakt de wrakingskamer op dat de advocaat, nadat de rechter zijn beslissing op de onderzoekswensen had genomen, aan de rechter heeft voorgehouden dat de rechter er blijkbaar van uit gaat dat wat verdachte heeft verklaard onzin is (en wat de verbalisant heeft genoteerd correct is). De rechter heeft deze woorden dus niet zelf gebruikt. Dat de rechter zou hebben beaamd dat hij de verklaring van de verdachte onzin vindt en dat wat de verbalisanten hebben genoteerd juist is, wordt door de rechter niet herkend en dat blijkt ook niet uit het proces-verbaal of de motivering die de rechter voor zijn beslissing heeft gegeven. De rechter heeft in zijn motivering geen oordeel gegeven over de verklaring van de verdachte of over de rechtmatigheid van de doorzoeking van de auto. De advocaat verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam (Voetnoot 1) waarin een wrakingsverzoek gegrond is verklaard, maar dat die zaak identiek aan deze zaak zou zijn, volgt de wrakingskamer niet. De politierechter in de Amsterdamse zaak heeft zich uitgelaten over de rechtmatigheid van de zoeking, zo leest de wrakingskamer de uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Dat is in deze zaak niet aan de orde. De rechter heeft gemotiveerd dat hij ‘op dit moment’ het verdedigingsbelang onvoldoende vond. De rechter heeft daarmee ruimte gelaten voor de verdachte om tijdens de inhoudelijke behandeling terug te komen op de wijze waarop de doorzoeking heeft plaatsgevonden. Dat de rechter al een oordeel zou hebben gegeven over een mogelijk te voeren verweer over de (on)rechtmatigheid van de doorzoeking van de auto op grond van artikel 359a Sv blijkt niet uit de motivering.
3.5.
De wrakingskamer heeft dan ook geen reden om aan te nemen dat sprake is van partijdigheid of vooringenomenheid bij de rechter. Het wrakingsverzoek zal daarom worden afgewezen.
Beslissing
4.1.
wijst het wrakingsverzoek af;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing te sturen aan verzoeker, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, aan de betrokken teamvoorzitter van de afdeling Strafrecht waarin de rechter werkzaam is, en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoeker met parketnummer 81.159403.25 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.M. Janssen-Witteveen, voorzitter, mr. Y.N.M. Rijlaarsdam en mr. D. van Bloemendaal, als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. K.F. van Dam, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Voetnoot
Voetnoot 1
ECLI:NL:RBAMS:2021:7945.