Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
Artikel 170 van Wegenverkeerswet 1994
2. Inleidend overweegt de rechtbank het volgende. Ingevolge het bepaalde in artikel 170, lid 1, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) heeft het college de bevoegdheid tot het overbrengen en in bewaring stellen van een voertuig, indien met het voertuig een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift wordt overtreden en bovendien verwijdering van het voertuig noodzakelijk is in verband met: a) het belang van de veiligheid op de weg, of, b) het belang van de vrijheid van het verkeer, of c) het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen. Met een bij of krachtens de WVW 1994 vastgesteld voorschrift wordt gedoeld op voorschriften die in de WVW 1994 zelf staan, of die zijn opgenomen in het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer, de Regeling verkeersregels en verkeersteken 1990, maar bijvoorbeeld ook het Kentekenreglement.
2.1.
Voorschriften opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV) zijn geen bij of krachtens de WVW 1994 vastgestelde voorschriften. De APV vindt immers zijn grondslag in het bepaalde van de artikelen 147 en 149 van de Gemeentewet.
2.2.
Over de vereiste noodzaak tot verwijdering van een voertuig valt in de wetsgeschiedenis het volgende te lezen:
Is spoedeisendheid bij bestuursdwang (…) uitzondering, bij parkeerovertredingen is deze regel. De noodzaak verkeersgevaarlijke of hinderlijke parkeerovertredingen te beëindigen is zo urgent dat een aan het beëindigen voorafgaande waarschuwing aan de overtreder niet denkbaar is.
Op grond van deze overwegingen kan de regeling van bestuursdwang (…) hier niet onverkort worden gevolgd. Het is echter wel van belang om zo nauw mogelijk aan te sluiten op die regeling. Daarom is gekozen voor een systeem waarbij wordt uitgegaan van toepasselijkheid van de algemene bestuursdwangregeling (…), maar waarbij in de WVW uitdrukkelijk enkele aanvullingen en afwijkingen zijn opgenomen. (Voetnoot 1)
2.3.
In verband met vorengaande is van belang dat krachtens het bepaalde in artikel 170, lid 2, van de WVW 1994 het bepaalde in artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht (spoedeisende gevallen) (Awb) niet van toepassing is.
2.4.
Bovengenoemd toetsingskader leidt tot de volgende inhoudelijke beoordeling. In onderhavige zaak heeft het college zijn bevoegdheid tot het wegslepen van de auto van eiser gegrond op de overtreding van het bepaalde in artikel 5.5, lid 1, van de Algemene Plaatselijke Verordening Zaanstad 2013 (APV Zaanstad), in verbinding met het bepaalde in artikel 170, lid 1, van de WVW 1994. Het college heeft aldus zijn bevoegdheid tot het wegslepen van de auto van eiser gegrond op een onjuiste wettelijke grondslag.
Bestuursdwangregeling Awb
3. Bij gebreke van een juiste wettelijke grondslag kan voor wat betreft de bevoegdheid tot het wegslepen van de auto, in onderhavige zaak, slechts worden teruggevallen op de bestuursdwangregeling in de Awb. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
3.1.
In het bestreden besluit wordt voor wat betreft de spoedeisendheid verwezen naar het bepaalde in artikel 5:31, lid 1, van de Awb. Eiser betwist echter de spoedeisendheid. De rechtbank volgt eiser daarin en is van oordeel dat de motivering in het bestreden besluit tekort schiet. Waar spoedeisendheid in artikel 170 van de WVW 1994 een gegeven is, is dat in het geval van de algemene bestuursdwangregeling van artikel 5:31 van de Awb niet het geval. Spoedeisende bestuursdwang is in dit geval alleen aan de orde bij een concreet veiligheidsrisico. (Voetnoot 2) Dat concrete risico dient als zodanig te worden gemotiveerd. Het college is hier niet in geslaagd. De spoedeisendheid wordt door het college in het bestreden besluit slechts in abstracte zin met algemeenheden gemotiveerd. Volgens het college bevond het voertuig zich in slechte staat, namelijk de ingeslagen ruiten dat een aanlokkende werking voor vandalisme heeft waardoor een verhoogd risico op brandgevaar door brandstichting ontstond. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft geoordeeld dat aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente, de dreigende verrommeling en vrees voor precedentwerking op zichzelf beschouwd geen spoedeisende situatie oplevert. (Voetnoot 3)
3.2.
In het bestreden besluit wordt verder opgemerkt dat het proces-verbaal wegslepen en het brondocument zouden zijn opgemaakt op ambtseed, maar dat volgt niet uit de stukken zelf nu deze niet zijn ondertekend door de verbalisanten.
3.3.
De conclusie is, gelet op het vorenstaande, dat aan het bestreden besluit meerdere gebreken kleven.
Overwegingen ten overvloede
4. De rechtbank overweegt ten overvloede dat, ook al zou zij tot het oordeel komen dat het college bevoegde bestuursdwang heeft toegepast, het college van kostenverhaal (nu niet aan de orde) zal moeten afzien, omdat eiser naar het oordeel van de rechtbank geen verwijt treft. (Voetnoot 4) Eiser had namelijk diezelfde ochtend een afspraak met een sloopbedrijf om het voertuig op te halen.
4.1.
Verder overweegt de rechtbank nog het volgende. Krachtens het bepaalde in artikel 174, lid 2, van de WVW 1994 kan ook een wielklem worden geplaatst. Dit is mogelijk als het kenteken niet behoorlijk zichtbaar op of aan het voertuig aanwezig is (art. 40 WVW 1994). Het wegslepen van het voertuig is krachtens het bepaalde in artikel 170, lid 1, van de WVW 1994, vervolgens mogelijk. De rechtbank is gebleken dat dit nader is uitgewerkt in de Wegsleepverordening Zaanstad 2019 (Wegsleepverordening). In de toelichting bij artikel 5 van de Wegsleepverordening staat, voor zover hier van belang, het volgende:
Artikel 5 Overbrengen en in bewaring stellen van motorrijtuigen in het geval van gebleken onvoldoende rijgeschiktheid of rijvaardigheid dan wel het ontbreken van een behoorlijk zichtbare kentekenplaat
Naast de in artikel 170, eerste lid WVW 1994 bedoelde gevallen zijn in deze wet nog twee gevallen genoemd, waarin het noodzakelijk kan zijn om een voertuig te laten wegslepen en in bewaring te laten stellen. Achtereenvolgens wordt hier gedoeld op:
? het niet afgeven van zijn rijbewijs, wanneer dit is ingevorderd, omdat iemand zijn motorrijtuig heeft bestuurd terwijl hij onder invloed was van drogerende stoffen of alcohol en dergelijke (zie artikel 130 en 164 WVW 1994);
? de situatie dat een motorrijtuig niet beschikt over een behoorlijk zichtbare kentekenplaat terwijl de eigenaar of houder van dat motorrijtuig niet direct te achterhalen is. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan voertuigwrakken die geen kenteken meer hebben of aan situaties dat er sprake kan zijn van het 'knoeien' met kentekens in geval van autodiefstal.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last. Artikel 5:24, eerste en derde lid, is op dit besluit van overeenkomstige toepassing.
2 Indien de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht, kan terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt.
Artikel 170, eerste en tweede lid
1. Tot de bevoegdheid van burgemeester en wethouders tot oplegging van een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 125 van de Gemeentewet, behoort de bevoegdheid tot het overbrengen en in bewaring stellen van een op een weg staand voertuig, indien met het voertuig een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift wordt overtreden en bovendien verwijdering van het voertuig noodzakelijk is in verband met
a. het belang van de veiligheid op de weg, of
b. het belang van de vrijheid van het verkeer, of
c. het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen.
2. De artikelen 5:24, 5:25, tweede tot en met vierde lid, 5:29, vijfde lid, 5:30, derde lid, en 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing. Bij de toepassing van artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht treedt de rechthebbende die het voertuig afhaalt, in de plaats van de overtreder. Voor de toepassing van artikel 5:30 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de omstandigheid dat een voertuig niet is afgehaald, gelijkgesteld met de omstandigheid dat het voertuig niet kan worden teruggegeven.
1. Indien ter zake van een overtreding van artikel 40, eerste lid, proces-verbaal wordt opgemaakt door een ambtenaar van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, dan wel een op dat voorschrift betrekking hebbende gedraging, omschreven in de in artikel 2, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften bedoelde bijlage door hem wordt geconstateerd, begaan met een op de weg staand motorrijtuig, terwijl niet terstond blijkt wie de eigenaar of houder van dat motorrijtuig is, is de burgemeester bevoegd op verzoek van die ambtenaar dat motorrijtuig naar een door hem aangewezen plaats te doen overbrengen en in bewaring te doen stellen.
2. Alvorens het in het eerste lid bedoelde verzoek te doen, kan de daar bedoelde ambtenaar door middel van een daartoe aan te brengen apparaat het rijden met het motorrijtuig voor ten hoogste twee dagen beletten. Het apparaat wordt binnen die termijn verwijderd, zodra bekend wordt wie de eigenaar of houder van het motorrijtuig is.
3. De artikelen 170, tweede lid, tweede en derde volzin, vierde, vijfde en zesde lid, 171, 172 en 173, eerste lid, van deze wet en de artikelen 4:116, 4:118 tot en met 4:124, 5:10, 5:25, eerste en zesde lid, 5:29, tweede en derde lid, en 5:30, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
De raad maakt de verordeningen die hij in het belang van de gemeente nodig oordeelt.
Algemene plaatselijke verordening (APV) Zaanstad 2013
1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op of aan de weg te parkeren.
2. Het is verboden een voertuig dat niet is voorzien van een voor het rijden met een zodanig voertuig geldig wettelijk verplicht kenteken, op de openbare weg te parkeren.
3. Het is verboden om een voertuig, dat bestemd is voor andere dan verkeersdoeleinden, te parkeren of geparkeerd te hebben op de openbare weg voor een tijdsduur langer dan 2 maanden.
4. Het verbod in lid 1 geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Besluit activiteiten leefomgeving.
5. Het verbod in lid 3 geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5:6.