Rechtbank Noord-Holland, eerste aanleg - enkelvoudig bestuursrecht overig

ECLI:NL:RBNHO:2026:9246

Op 9 July 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is HAA 25/3720, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNHO:2026:9246. De plaats van zitting was Haarlem.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
HAA 25/3720
Datum uitspraak:
9 July 2026
Datum publicatie:
23 July 2026

Indicatie

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het wegslepen van de auto door het college. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit gebaseerd is op een onjuiste wettelijke grondslag en de motivering gebreken bevat.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 25/3720

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit Amsterdam, eiser

(gemachtigde: M.H. Rasenberg),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad

(gemachtigde: mr. F.P. Brouwer en S. Beekman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het wegslepen van de auto door het college.

1.1.

Met het bestreden besluit van 30 juli 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.

1.2.

De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van het college van 30 juli 2025 op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college. Eiser was niet aanwezig.

1.3.

Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Ter zitting is besproken dat in het proces-verbaal van de zitting de uitspraak wat uitgebreider gemotiveerd zal worden.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Artikel 170 van Wegenverkeerswet 1994

2. Inleidend overweegt de rechtbank het volgende. Ingevolge het bepaalde in artikel 170, lid 1, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) heeft het college de bevoegdheid tot het overbrengen en in bewaring stellen van een voertuig, indien met het voertuig een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift wordt overtreden en bovendien verwijdering van het voertuig noodzakelijk is in verband met: a) het belang van de veiligheid op de weg, of, b) het belang van de vrijheid van het verkeer, of c) het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen. Met een bij of krachtens de WVW 1994 vastgesteld voorschrift wordt gedoeld op voorschriften die in de WVW 1994 zelf staan, of die zijn opgenomen in het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer, de Regeling verkeersregels en verkeersteken 1990, maar bijvoorbeeld ook het Kentekenreglement.

2.1.

Voorschriften opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV) zijn geen bij of krachtens de WVW 1994 vastgestelde voorschriften. De APV vindt immers zijn grondslag in het bepaalde van de artikelen 147 en 149 van de Gemeentewet.

2.2.

Over de vereiste noodzaak tot verwijdering van een voertuig valt in de wetsgeschiedenis het volgende te lezen:

Is spoedeisendheid bij bestuursdwang (…) uitzondering, bij parkeerovertredingen is deze regel. De noodzaak verkeersgevaarlijke of hinderlijke parkeerovertredingen te beëindigen is zo urgent dat een aan het beëindigen voorafgaande waarschuwing aan de overtreder niet denkbaar is.

Op grond van deze overwegingen kan de regeling van bestuursdwang (…) hier niet onverkort worden gevolgd. Het is echter wel van belang om zo nauw mogelijk aan te sluiten op die regeling. Daarom is gekozen voor een systeem waarbij wordt uitgegaan van toepasselijkheid van de algemene bestuursdwangregeling (…), maar waarbij in de WVW uitdrukkelijk enkele aanvullingen en afwijkingen zijn opgenomen. (Voetnoot 1)

2.3.

In verband met vorengaande is van belang dat krachtens het bepaalde in artikel 170, lid 2, van de WVW 1994 het bepaalde in artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht (spoedeisende gevallen) (Awb) niet van toepassing is.

2.4.

Bovengenoemd toetsingskader leidt tot de volgende inhoudelijke beoordeling. In onderhavige zaak heeft het college zijn bevoegdheid tot het wegslepen van de auto van eiser gegrond op de overtreding van het bepaalde in artikel 5.5, lid 1, van de Algemene Plaatselijke Verordening Zaanstad 2013 (APV Zaanstad), in verbinding met het bepaalde in artikel 170, lid 1, van de WVW 1994. Het college heeft aldus zijn bevoegdheid tot het wegslepen van de auto van eiser gegrond op een onjuiste wettelijke grondslag.

Bestuursdwangregeling Awb

3. Bij gebreke van een juiste wettelijke grondslag kan voor wat betreft de bevoegdheid tot het wegslepen van de auto, in onderhavige zaak, slechts worden teruggevallen op de bestuursdwangregeling in de Awb. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

3.1.

In het bestreden besluit wordt voor wat betreft de spoedeisendheid verwezen naar het bepaalde in artikel 5:31, lid 1, van de Awb. Eiser betwist echter de spoedeisendheid. De rechtbank volgt eiser daarin en is van oordeel dat de motivering in het bestreden besluit tekort schiet. Waar spoedeisendheid in artikel 170 van de WVW 1994 een gegeven is, is dat in het geval van de algemene bestuursdwangregeling van artikel 5:31 van de Awb niet het geval. Spoedeisende bestuursdwang is in dit geval alleen aan de orde bij een concreet veiligheidsrisico. (Voetnoot 2) Dat concrete risico dient als zodanig te worden gemotiveerd. Het college is hier niet in geslaagd. De spoedeisendheid wordt door het college in het bestreden besluit slechts in abstracte zin met algemeenheden gemotiveerd. Volgens het college bevond het voertuig zich in slechte staat, namelijk de ingeslagen ruiten dat een aanlokkende werking voor vandalisme heeft waardoor een verhoogd risico op brandgevaar door brandstichting ontstond. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft geoordeeld dat aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente, de dreigende verrommeling en vrees voor precedentwerking op zichzelf beschouwd geen spoedeisende situatie oplevert. (Voetnoot 3)

3.2.

In het bestreden besluit wordt verder opgemerkt dat het proces-verbaal wegslepen en het brondocument zouden zijn opgemaakt op ambtseed, maar dat volgt niet uit de stukken zelf nu deze niet zijn ondertekend door de verbalisanten.

3.3.

De conclusie is, gelet op het vorenstaande, dat aan het bestreden besluit meerdere gebreken kleven.

Overwegingen ten overvloede

Invordering

4. De rechtbank overweegt ten overvloede dat, ook al zou zij tot het oordeel komen dat het college bevoegde bestuursdwang heeft toegepast, het college van kostenverhaal (nu niet aan de orde) zal moeten afzien, omdat eiser naar het oordeel van de rechtbank geen verwijt treft. (Voetnoot 4) Eiser had namelijk diezelfde ochtend een afspraak met een sloopbedrijf om het voertuig op te halen.

Artikel 174 WVW 1994

4.1.

Verder overweegt de rechtbank nog het volgende. Krachtens het bepaalde in artikel 174, lid 2, van de WVW 1994 kan ook een wielklem worden geplaatst. Dit is mogelijk als het kenteken niet behoorlijk zichtbaar op of aan het voertuig aanwezig is (art. 40 WVW 1994). Het wegslepen van het voertuig is krachtens het bepaalde in artikel 170, lid 1, van de WVW 1994, vervolgens mogelijk. De rechtbank is gebleken dat dit nader is uitgewerkt in de Wegsleepverordening Zaanstad 2019 (Wegsleepverordening). In de toelichting bij artikel 5 van de Wegsleepverordening staat, voor zover hier van belang, het volgende:

Artikel 5 Overbrengen en in bewaring stellen van motorrijtuigen in het geval van gebleken onvoldoende rijgeschiktheid of rijvaardigheid dan wel het ontbreken van een behoorlijk zichtbare kentekenplaat

Naast de in artikel 170, eerste lid WVW 1994 bedoelde gevallen zijn in deze wet nog twee gevallen genoemd, waarin het noodzakelijk kan zijn om een voertuig te laten wegslepen en in bewaring te laten stellen. Achtereenvolgens wordt hier gedoeld op:

? het niet afgeven van zijn rijbewijs, wanneer dit is ingevorderd, omdat iemand zijn motorrijtuig heeft bestuurd terwijl hij onder invloed was van drogerende stoffen of alcohol en dergelijke (zie artikel 130 en 164 WVW 1994);

? de situatie dat een motorrijtuig niet beschikt over een behoorlijk zichtbare kentekenplaat terwijl de eigenaar of houder van dat motorrijtuig niet direct te achterhalen is. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan voertuigwrakken die geen kenteken meer hebben of aan situaties dat er sprake kan zijn van het 'knoeien' met kentekens in geval van autodiefstal.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit gebaseerd is op een onjuiste wettelijke grondslag en de motivering gebreken bevat. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.

5.1.

De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing, inhoudende dat het besluit van 12 maart 2025 wordt herroepen.

5.2.

Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

5.3.

Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het besluit van 12 maart 2025;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,00 aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026 door mr. M. Jurgens, rechter, in aanwezigheid van mr. N.G. Dankerlui, griffier.

griffier

rechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 5:31

1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last. Artikel 5:24, eerste en derde lid, is op dit besluit van overeenkomstige toepassing.

2 Indien de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht, kan terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt.

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 170, eerste en tweede lid

1. Tot de bevoegdheid van burgemeester en wethouders tot oplegging van een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 125 van de Gemeentewet, behoort de bevoegdheid tot het overbrengen en in bewaring stellen van een op een weg staand voertuig, indien met het voertuig een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift wordt overtreden en bovendien verwijdering van het voertuig noodzakelijk is in verband met

a. het belang van de veiligheid op de weg, of

b. het belang van de vrijheid van het verkeer, of

c. het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen.

2. De artikelen 5:24, 5:25, tweede tot en met vierde lid, 5:29, vijfde lid, 5:30, derde lid, en 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing. Bij de toepassing van artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht treedt de rechthebbende die het voertuig afhaalt, in de plaats van de overtreder. Voor de toepassing van artikel 5:30 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de omstandigheid dat een voertuig niet is afgehaald, gelijkgesteld met de omstandigheid dat het voertuig niet kan worden teruggegeven.

Artikel 174

1. Indien ter zake van een overtreding van artikel 40, eerste lid, proces-verbaal wordt opgemaakt door een ambtenaar van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, dan wel een op dat voorschrift betrekking hebbende gedraging, omschreven in de in artikel 2, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften bedoelde bijlage door hem wordt geconstateerd, begaan met een op de weg staand motorrijtuig, terwijl niet terstond blijkt wie de eigenaar of houder van dat motorrijtuig is, is de burgemeester bevoegd op verzoek van die ambtenaar dat motorrijtuig naar een door hem aangewezen plaats te doen overbrengen en in bewaring te doen stellen.

2. Alvorens het in het eerste lid bedoelde verzoek te doen, kan de daar bedoelde ambtenaar door middel van een daartoe aan te brengen apparaat het rijden met het motorrijtuig voor ten hoogste twee dagen beletten. Het apparaat wordt binnen die termijn verwijderd, zodra bekend wordt wie de eigenaar of houder van het motorrijtuig is.

3. De artikelen 170, tweede lid, tweede en derde volzin, vierde, vijfde en zesde lid, 171, 172 en 173, eerste lid, van deze wet en de artikelen 4:116, 4:118 tot en met 4:124, 5:10, 5:25, eerste en zesde lid, 5:29, tweede en derde lid, en 5:30, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

Gemeentewet

Artikel 149

De raad maakt de verordeningen die hij in het belang van de gemeente nodig oordeelt.

Algemene plaatselijke verordening (APV) Zaanstad 2013

Artikel 5:5

1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op of aan de weg te parkeren.

2. Het is verboden een voertuig dat niet is voorzien van een voor het rijden met een zodanig voertuig geldig wettelijk verplicht kenteken, op de openbare weg te parkeren.

3. Het is verboden om een voertuig, dat bestemd is voor andere dan verkeersdoeleinden, te parkeren of geparkeerd te hebben op de openbare weg voor een tijdsduur langer dan 2 maanden.

4. Het verbod in lid 1 geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Besluit activiteiten leefomgeving.

5. Het verbod in lid 3 geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5:6.

Voetnoot

Voetnoot 1

Tweede kamer, vergaderjaar 1993-1994, 23 491, nr. 3., p. 8.

Voetnoot 2

Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3095.

Voetnoot 3

Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3299.

Voetnoot 4

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3485.