Rechtbank Noord-Holland, eerste aanleg - enkelvoudig bestuursstrafrecht

ECLI:NL:RBNHO:2025:15537

Op 26 March 2025 heeft de Rechtbank Noord-Holland een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van bestuursstrafrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is 11368529 \ WM VERZ 24-1542, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNHO:2025:15537. De plaats van zitting was Alkmaar.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
11368529 \ WM VERZ 24-1542
Datum uitspraak:
26 March 2025
Datum publicatie:
7 January 2026

Indicatie

De kantonrechter ziet geen aanleiding om een proceskostenvergoeding toe te kennen. Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie wordt weliswaar gegrond verklaard, maar betrokkene krijgt inhoudelijk ongelijk. De boete is immers terecht opgelegd en de beschikking waarbij de boete is opgelegd, wordt ook niet vernietigd of gewijzigd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknummer : 11368529 \ WM VERZ 24-1542

CJIB-nummer : ['nummer']

Uitspraakdatum : 26 maart 2025

Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) en proces-verbaal van de zitting

in de zaak van

naam : [betrokkene]

adres : [betrokkene]

woonplaats : [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene)gemachtigde : [gemachtigde]).

Het verloop van de procedure en het proces-verbaal van de zitting

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.

De zaak is behandeld op de zitting van 26 maart 2025. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Gemachtigde van betrokkene is na afbericht niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Overwegingen

Overwegingen

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt — kort omschreven — als volgt: Op een kruispunt niet de richting volgen die de voorsorteerstrook aangeeft.

Betrokkene is het niet eens met de opgelegde boete. De gemachtigde van betrokkene heeft zich in de gronden op het standpunt gesteld dat de gedraging niet is verricht, dan wel dat de omstandigheden het opleggen van een sanctie niet rechtvaardigen. Volgens de gemachtigde is het dossier niet toegestuurd en is betrokkene niet gehoord. De gelegenheid om de gronden schriftelijk aan te vullen was niet effectief omdat de verklaring van de verbalisant niet is toe-gestuurd. Bij brief van 7 september 2023 is verzocht de stukken toe te sturen. Het structureel schenden van de hoorplicht is niet toegestaan. Daarnaast is het inzagerecht geschonden.

De vertegenwoordiger van de officier van justitie heeft op de zitting meegedeeld de beslissing en het standpunt te handhaven en heeft de kantonrechter verzocht om het beroep ongegrond te verklaren. Het zaakoverzicht is op 6 maart 2025 aan de gemachtigde gestuurd wegens het ontbreken van aanvullende gronden. Daar is geen reactie op gekomen. Bij brief van 11 augustus 2023 is de gemachtigde verzocht schriftelijke gronden aan te voeren in plaats van het hoorgesprek, zodat geen reden is om de boete te matigen. De gedraging blijkt voldoende uit het zaakoverzicht, en er is geen reden de boete te matigen.

De kantonrechter oordeelt dat de enkele ontkenning dat de gedraging is begaan, ontoereikend is. Het zaakoverzicht is op 6 maart 2025 naar de gemachtigde verzonden en daar is geen reactie op gekomen. Het ligt op de weg van betrokkene om ter onderbouwing van het verweer concrete feiten of omstandigheden aan te voeren of bewijzen over te leggen, die de stelling dat de gedraging niet is begaan, aannemelijk maken. Dat is in deze zaak niet gebeurd.

De gemachtigde van betrokkene heeft gesteld dat de boete moet worden verlaagd met 25%, omdat betrokkene in het administratief beroep bij de officier van justitie niet is gehoord. Daarbij is verwezen naar een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. (Voetnoot 1) In die uitspraak heeft het hof geoordeeld dat bij betrokkenen die zonder hulp van een (professioneel) gemachtigde in beroep gaan, de officier van justitie structureel het recht schendt om te worden gehoord. Het hof heeft daarom de boete met 25% verlaagd, mede omdat er geen concreet zicht bestaat op een oplossing daarvoor.

De gemachtigde van betrokkene heeft op zichzelf gelijk dat de officier van justitie ook in dit geval de hoorplicht heeft geschonden. De gemachtigde en betrokkene zijn namelijk niet ‘fysiek’ of telefonisch gehoord door de officier van justitie. Er is ook geen toestemming gegeven om daarvan af te zien. Het beroep is daarom gegrond en de beslissing van de officier van justitie zal worden vernietigd wegens een schending van de hoorplicht.

De kantonrechter ziet echter geen aanleiding om de boete met 25% te verlagen. De schending van de hoorplicht die hier aan de orde is, kan niet gelijk worden gesteld met de schending waarover het hof oordeelde. In dit geval gaat het niet om een betrokkene die zonder professioneel gemach-tigde in beroep is gegaan, maar werd betrokkene bijgestaan door een gemachtigde. Bovendien is die gemachtigde door de officier van justitie in de gelegenheid gesteld om het beroep schriftelijk toe te lichten en is daarvan ook gebruik gemaakt. Er is dus geen sprake van het geheel achterwege laten van iedere vorm van horen van een betrokkene zonder gemachtigde. Overigens is het de kantonrechter ambtshalve bekend dat professioneel gemachtigden maar zeer zelden betrokkenen meenemen naar een (hoor)zitting, zodat de schending van de hoorplicht in dit soort gevallen ook in zoverre een ander karakter en gevolg heeft dan in de uitspraak van het hof.

De kantonrechter ziet geen aanleiding om een proceskostenvergoeding toe te kennen. Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie wordt weliswaar gegrond verklaard, maar betrok-kene krijgt inhoudelijk ongelijk. De boete is immers terecht opgelegd en de beschikking waarbij de boete is opgelegd, wordt ook niet vernietigd of gewijzigd (Voetnoot 2).

De uitspraak

De kantonrechter:

? verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

? verklaart het beroep tegen de beschikking waarbij de boete is opgelegd ongegrond;

? wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.H. Lips, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 110,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.

Datum toezending:

Voetnoot

Voetnoot 1

Zie de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 november 2022, te vinden op www.rechtspraak.nl met nummer ECLI:NL:GHARL:2022:9934.

Voetnoot 2

Vgl. de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 april 2020, te vinden op www.rechtspraak.nl met zoekterm ECLI:NL:GHARL:2020:3336.