Rechtbank Noord-Holland, eerste aanleg - enkelvoudig bestuursstrafrecht
ECLI:NL:RBNHO:2025:15540
Op 26 March 2025 heeft de Rechtbank Noord-Holland een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van bestuursstrafrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is 11368551 \ WM VERZ 24-1544, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNHO:2025:15540. De plaats van zitting was Alkmaar.
Indicatie
De kantonrechter volgt het standpunt van de vertegenwoordiger van de officier van justitie en bepaalt daarom dat het beroep gegrond is. De beslissing van officier van justitie zal worden vernietigd en de boete zal worden gematigd tot nul.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknummer : 11368551 \ WM VERZ 24-1544
CJIB-nummer : ['nummer']
Uitspraakdatum : 26 maart 2025
Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) en proces-verbaal van de zitting
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [betrokkene]
woonplaats : [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene)gemachtigde : [gemachtigde]
Het verloop van de procedure en het proces-verbaal van de zitting
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 26 maart 2025. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Gemachtigde van betrokkene is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Overwegingen
Overwegingen
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt — kort omschreven — als volgt: Als bestuurder handelen in strijd met een geslotenverklaring in beide richtingen.
Betrokkene is het niet eens met de opgelegde boete. De gemachtigde van betrokkene heeft zich in de gronden en op de zitting op het standpunt gesteld dat betrokkene in een [betrokkene] speelt die op de pleegdatum optrad tijdens het [betrokkene]. Betrokkene beschikte over een ontheffing voor 30 september 2023 maar de bandleden hadden de spullen pas na 00:00 uur opgeruimd en ingeladen, waardoor ze niet voor de dagwisseling zijn vertrokken. Hiervoor is bij het aanvragen van de ontheffing niet gewaarschuwd.
De vertegenwoordiger van de officier van justitie heeft op de zitting meegedeeld dat de onthef-fing niet meer geldig was na middernacht, en dat de boete daarom in principe terecht is opgelegd. Er is wel aangetoond dat betrokkene over een ontheffing beschikte voor een dag eerder. Gelet daarop is er, samen met de overige omstandigheden, voldoende aanleiding de boete op nihil te stellen. De vertegenwoordiger van de officier van justitie heeft verzocht het beroep gegrond te verklaren.
De kantonrechter volgt het standpunt van de vertegenwoordiger van de officier van justitie en bepaalt daarom dat het beroep gegrond is. De beslissing van officier van justitie zal worden vernietigd en de boete zal worden gematigd tot nul.
De uitspraak
? verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
? verklaart het beroep tegen de beschikking waarbij de boete is opgelegd gegrond en matigt de boete tot nihil;
? bepaalt dat de officier van justitie het bedrag dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terugbetaalt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.H. Lips, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 110,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.