Rechtbank Noord-Holland, eerste aanleg - enkelvoudig bestuursstrafrecht
ECLI:NL:RBNHO:2025:15759
Op 9 April 2025 heeft de Rechtbank Noord-Holland een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van bestuursstrafrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is 11380807 \ WM VERZ 24-1618, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNHO:2025:15759. De plaats van zitting was Alkmaar.
Indicatie
De kantonrechter volgt het standpunt van de vertegenwoordiger van de officier van justitie en bepaalt daarom dat het beroep gegrond is en de beslissing van officier van justitie en de beschikking waarbij de boete is opgelegd zullen worden vernietigd.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknummer : 11380807 \ WM VERZ 24-1618
CJIB-nummer : ['nummer']
Uitspraakdatum : 9 april 2025
Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) en proces-verbaal van de zitting
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [betrokkene]
woonplaats : [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene)gemachtigde : [gemachtigde]
Het verloop van de procedure en het proces-verbaal van de zitting
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 26 maart 2025. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Gemachtigde van betrokkene is ook verschenen. De kantonrechter heeft na de zitting uitspraak gedaan.
Overwegingen
Overwegingen
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt — kort omschreven — als volgt: Als bestuurder handelen in strijd met een geslotenverklaring in beide richtingen.
Betrokkene is het niet eens met de opgelegde boete. De gemachtigde van betrokkene heeft zich in de gronden op het standpunt gesteld dat dat de redelijke termijn van berechting inmiddels is overschreden.
De vertegenwoordiger van de officier van justitie heeft op de zitting meegedeeld dat het parket
CVOM heeft besloten om een aantal (oude) zaken te vernietigen. Dit zijn zaken waarin de tijd tussen het indienen van het administratief beroepschrift en het doorsturen van het dossier naar de rechtbank 36 weken of langer heeft geduurd heeft, waardoor de zaken mogelijk niet binnen een redelijke termijn kunnen worden beoordeeld door een rechter. Omdat er een periode zit tussen het plannen van zittingen en het moment van vernietigen ontstaat er overlap tussen de zittingslijsten en de lijst met te vernietigen zaken. De voorliggende zaak staat op de lijst om te worden vernietigd, maar stond al gepland op de zitting van 26 maart 2025. De zittingsver-tegenwoordiger heeft daarom ter zitting verzocht het beroep gegrond te verklaren.
De kantonrechter volgt het standpunt van de vertegenwoordiger van de officier van justitie en bepaalt daarom dat het beroep gegrond is en de beslissing van officier van justitie en de beschikking waarbij de boete is opgelegd zullen worden vernietigd.
Het verzoek om een proceskostenvergoeding wordt toegewezen, omdat betrokkene (gedeeltelijk) gelijk krijgt. De kantonrechter zal met inachtneming van de uitspaak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Voetnoot 1) beslissen op het verzoek tot vergoeding van de door betrokkene gemaakte proceskosten.
Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht zullen de kosten worden vastgesteld op een bedrag van in totaal € 1.230,50. Daarbij is voor de procedure bij de officier van justitie een proceskostenvergoeding bepaald van € 323,50 (1 punt voor het beroepschrift en de hoorzitting, wegingsfactor 0,5, waarde per punt € 647,00) en voor de procedure bij de kantonrechter een proceskostenvergoeding van € 907,00 (2 punten voor het beroepschrift en de zitting, wegingsfactor 0,5, waarde per punt € 907,00).
De uitspraak
? verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
? verklaart het beroep tegen de beschikking waarbij de boete is opgelegd gegrond en vernietigt die beschikking;
? bepaalt dat de officier van justitie het bedrag dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terugbetaalt;
? veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.230,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.H. Lips, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 110,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.
Voetnoot
Voetnoot 1
Vgl. de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 maart 2024, te vinden op www.rechtspraak.nl met zoekterm ECLI:NL:GHARL:2024:1843.