RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./repnr.: 10475332 \ AO VERZ 23-32 (PA)
Uitspraakdatum: 25 juli 2023
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:
de besloten vennootschap Plukon Blokker B.V.
gevestigd te Blokker
verzoekende partij
verder te noemen: Plukon
gemachtigde: mr. E. van Otterloo
[verweerder]
wonende te [woonplaats]
verwerende partij
verder te noemen: [verweerder]
gemachtigde: mr. E.G.M. Huisman en mr. S.A.H. Luiten
In deze zaak verzoekt een werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een werknemer. De kantonrechter wijst dat verzoek toe, omdat sprake is van omstandigheden die zodanig zijn dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarbij is met name van belang dat de werknemer al ruim 2½ jaar zijn werkzaamheden niet meer kan doen wegens detentie, en aannemelijk is dat die detentie nog geruime tijd zal duren.
2.1.
[verweerder] , geboren [geboortedatum] 1980 , is sinds 29 december 2003 in dienst bij Plukon. De functie van [verweerder] is chauffeur, met een salaris van € 2.723,88 bruto per vier weken.
2.2.
Op 9 november 2020 heeft [verweerder] zich gemeld bij Plukon met de mededeling dat hij verwachtte dat hij zou worden aangehouden door de politie.
2.3.
Met een brief van 16 november 2020 heeft Plukon aan [verweerder] meegedeeld dat de loonbetaling wordt gestaakt, omdat [verweerder] de overeengekomen werkzaamheden niet kan verrichten als gevolg van het feit dat hij in voorarrest zit.
2.4.
In een uitspraak van 5 juli 2022 is [verweerder] door de rechtbank Noord-Holland veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien jaar, voor doodslag en het verbergen of wegmaken van een lijk met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen. (Voetnoot 1) [verweerder] is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan.
3
Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek
3.1.
Plukon verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden vanwege omstandigheden die zodanig zijn dat van Plukon redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Plukon heeft aan dat verzoek ten grondslag gelegd – kort weergegeven – dat [verweerder] is veroordeeld tot een langdurige detentie vanwege een ernstig misdrijf en dat [verweerder] dit misdrijf onlangs ook heeft bekend, zodat ervan moet worden uitgegaan dat hij de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst langdurig niet zal kunnen nakomen. Verder stelt Plukon dat terugkeer van [verweerder] naar het werk ook tot grote onrust zou leiden en dat [verweerder] sinds zijn detentie niets meer van zich heeft laten horen.
3.2.
[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Daartoe is – samengevat – aangevoerd dat er nog geen onherroepelijke uitspraak is gedaan in het strafproces, dat [verweerder] Plukon wel degelijk heeft geïnformeerd en dat de strafzaak geen verband houdt met het werk of het bedrijf van Plukon. Daarbij stelt [verweerder] zich op het standpunt dat een detentie op zichzelf geen grond kan zijn voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] om Plukon te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding, omdat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] .
Overwegingen
het verzoek
4.1.
Het gaat in deze zaak in de eerste plaats om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.
4.2.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. (Voetnoot 2) Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. (Voetnoot 3)
4.3.
Onder een redelijke grond voor ontbinding wordt onder meer verstaan (andere) omstandigheden die zodanig zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, de zogenoemde h-grond. (Voetnoot 4)
4.4.
Deze grond voor ontbinding, de h-grond, kan zich onder andere voordoen als sprake is van detentie van een werknemer. (Voetnoot 5) Of detentie van een werknemer tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst moet leiden, hangt af van de omstandigheden van het geval.
4.5.
De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval de detentie van [verweerder] de ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.6.
Vast staat dat [verweerder] sinds in ieder geval 16 november 2020 in detentie zit. [verweerder] is inmiddels dus al ruim 2½ jaar afwezig van zijn werk en niet beschikbaar voor het verrichten van de overeengekomen werkzaamheden.
4.7.
Verder staat vast dat [verweerder] in eerdergenoemde uitspraak van 5 juli 2022 van de rechtbank Noord-Holland is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien jaar, voor doodslag en het verbergen of wegmaken van een lijk met het oogmerk om de oorzaak van het overlijden te verhelen. Uitgaande van die uitspraak zal [verweerder] dus ook lange tijd afwezig blijven van het werk en ook langdurig niet beschikbaar zijn voor het verrichten van dat werk. Ook volgt uit die uitspraak dat [verweerder] is veroordeeld voor een zeer ernstig misdrijf.
4.8.
De detentie en de strafrechtelijke veroordeling tot een langdurige gevangenisstraf vanwege een ernstig misdrijf zijn voldoende grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Van Plukon kan namelijk in redelijkheid niet worden gevergd dat zij de arbeidsovereenkomst laat voortduren, daar waar [verweerder] wegens dat ernstige misdrijf en die veroordeling al 2½ jaar afwezig is van zijn werk, en ook lange tijd afwezig zal blijven, en langdurig niet in staat en beschikbaar zal zijn voor het verrichten van zijn werkzaamheden. Plukon kan ook worden gevolgd in haar stelling dat van haar in zo’n geval niet kan worden verlangd dat zij wacht op de terugkeer van [verweerder] .
4.9.
[verweerder] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 5 juli 2022. Dat betekent dat die uitspraak nog niet onherroepelijk is. Dat doet er echter niet aan af dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is. Plukon heeft mediaberichten overgelegd waarin wordt vermeld dat [verweerder] in januari 2023 op een zitting in de strafzaak in hoger beroep bij het Gerechtshof te Amsterdam heeft bekend dat hij het slachtoffer heeft doodgestoken (in een reflex en/of uit zelfverdediging) en begraven, en dat hij ook al eerder heeft verklaard dat hij verantwoordelijk was voor de dood van het slachtoffer. In het verweerschrift heeft [verweerder] niet betwist dat hij deze verklaringen heeft afgelegd. [verweerder] is zelf niet op zitting bij de kantonrechter verschenen om daarover uitleg te geven of vragen te beantwoorden. Gelet daarop moet ervan worden uitgegaan dat het zeer aannemelijk is dat [verweerder] ook in hoger beroep zal worden veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf wegens een ernstig misdrijf. [verweerder] heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die tot een andere conclusie kunnen leiden.
4.10.
De kantonrechter weegt ook mee dat het strafbare feit waarvoor [verweerder] is veroordeeld tot grote onrust bij de medewerkers van Plukon heeft geleid. Op de zitting heeft Plukon verklaard en toegelicht dat tot op de dag van vandaag regelmatig vragen worden gesteld door medewerkers over de strafzaak en [verweerder] . Die onrust is weer toegenomen nadat in januari 2023 in de media de hiervoor genoemde verklaring van [verweerder] werd vermeld. Het is ook begrijpelijk en aannemelijk dat een en ander voor grote onrust heeft gezorgd bij het personeel, omdat collega’s hebben samengewerkt met [verweerder] en wonen in de omgeving waar het misdrijf is gepleegd. Deze omstandigheid draagt eraan bij dat van Plukon niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst voort te zetten.
4.11.
[verweerder] stelt op zichzelf terecht dat er geen relatie is tussen het strafbare feit waarvoor hij is veroordeeld en zijn functie of werkzaamheden. Dat staat echter niet in de weg aan ontbinding. Het ontbreken van die relatie legt onvoldoende gewicht in de schaal tegenover de hiervoor genoemde omstandigheden die de ontbinding wel rechtvaardigen. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat Plukon sinds 16 november 2020 geen loon meer betaalt en dat [verweerder] , zoals hij heeft gesteld, altijd goed heeft gefunctioneerd.
4.12.
Of [verweerder] sinds zijn detentie niets meer van zich heeft laten horen, zoals Plukon heeft aangevoerd, kan in het midden blijven. Die omstandigheid draagt er namelijk niet aan bij, en doet er ook niet aan af, dat er al een redelijke grond is voor ontbinding.
4.13.
Herplaatsing van [verweerder] binnen een redelijke termijn is niet mogelijk en ligt ook niet in de rede, alleen al gelet op zijn detentie.
4.14.
De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van Plukon zal toewijzen en dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden, op grond van omstandigheden die zodanig zijn dat van Plukon in redelijkheid niet kan worden gevergd die overeenkomst te laten voortduren.
4.15.
Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 25 juli 2023, de datum van deze beschikking. Daarbij wordt geen rekening gehouden met een opzegtermijn, omdat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst naar het oordeel van de kantonrechter het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] . (Voetnoot 6) De ontbinding is immers het gevolg van de detentie van [verweerder] en de strafrechtelijk veroordeling tot een langdurige gevangenisstraf wegens een ernstig misdrijf. Gelet daarop is evident dat het handelen van [verweerder] dat tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst leidt als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. [verweerder] heeft geen argumenten of omstandigheden aangedragen die kunnen afdoen aan die ernstige verwijtbaarheid. [verweerder] is ook niet op de zitting verschenen om daarover informatie te geven.
4.16.
Plukon heeft, naar de kantonrechter begrijpt, ook verzocht om voor recht te verklaren dat [verweerder] geen aanspraak heeft op een transitievergoeding. Dat verzoek kan worden toegewezen. Op grond van de wet is Plukon immers geen transitievergoeding verschuldigd indien het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] . (Voetnoot 7) Dat is hier het geval, zoals hiervoor is overwogen.
4.17.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat hij ongelijk krijgt en sprake is van ernstig verwijtbaar handelen. Daarbij zal het salaris van de gemachtigde van Plukon worden vastgesteld op € 793,00.
het tegenverzoek
4.18.
[verweerder] heeft een verzoek gedaan om Plukon in geval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding. Dat verzoek wordt afgewezen, onder verwijzing naar wat hiervoor onder 4.16 is overwogen.
4.19.
[verweerder] heeft nog verzocht om de transitievergoeding toch geheel of gedeeltelijk toe te kennen, ook als wordt aangenomen dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] . Die mogelijkheid bestaat als het niet toekennen van de transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. (Voetnoot 8) Het gaat daarbij om uitzonderlijke situaties, waarbij gedacht kan worden aan het geval waarin een werknemer een relatief kleine misstap begaat na een heel lang dienstverband. (Voetnoot 9) Van zo’n situatie is hier geen sprake. De enkele omstandigheid dat [verweerder] altijd goed heeft gefunctioneerd, zoals hij heeft aangevoerd, legt onvoldoende gewicht in de schaal. Dat [verweerder] tijdens zijn detentie geen aanspraak kan maken op enige uitkering en na afloop van zijn detentie een slechte arbeidsmarktpositie zal hebben, is ook geen grond om de transitievergoeding geheel of gedeeltelijk toe te kennen. Gelet op de langdurige detentie van [verweerder] is ook geen sprake van een situatie dat een transitievergoeding nodig is om te voorzien in de kosten van levensonderhoud of voor het verkrijgen van ander werk.
4.20.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat hij ongelijk krijgt. Deze kosten worden vastgesteld op nihil, omdat in het kader van het tegenverzoek geen zelfstandige proceshandelingen zijn verricht.