Rechtbank Noord-Holland, beschikking civiel recht overig

ECLI:NL:RBNHO:2026:132

Op 8 January 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland een beschikking procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is 368369, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNHO:2026:132. De plaats van zitting was Alkmaar.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
368369
Datum uitspraak:
8 January 2026
Datum publicatie:
12 January 2026

Indicatie

In deze zaak verzoekt een gepensioneerde om ABP te bevelen persoonsgegevens te ver-strek¬ken. Verzoe¬ker doet daarbij een beroep op het inzagerecht van de Algemene verorde-ning gegevensbe¬scher¬¬ming (AVG). De rechtbank verklaart het ver¬zoek niet-ontvankelijk. Verzoeker had op grond van de Uitvoeringswet Algemene ver¬or¬dening gegevens¬be¬scher-ming (UAVG) eerst ABP moeten vragen om de gege¬vens te verstrekken. Dat heeft ver-zoeker niet gedaan. Het verzoek kan daarom niet inhoude¬lijk worden beoor¬¬¬deeld. Ook als dat wel het geval zou zijn, had het verzoek moeten worden afgewezen. Ver¬zoeker wil name¬lijk geen persoonsgege¬vens van ABP verkrijgen (en ver¬zoe¬ker heeft die gegevens ook al), maar berekeningen van zijn huidige en toekomstige pen¬sioen in het kader van de Wet toe¬komst pensioenen. Daarvoor zijn de AVG en de UAVG niet bedoeld. Verzoeker wordt ver¬oor¬deeld in de proces¬kosten van ABP (een bedrag van € 2.120,00), omdat hij ongelijk krijgt.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer / rekestnummer: C/15/368369 / HA RK 25-117

Beschikking van 8 januari 2026

in de zaak van

[verzoeker] ,

te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

hierna te noemen: [verzoeker] ,

tegen

Stichting Pensioenfonds ABP,

te Heerlen,

verwerende partij,

hierna te noemen: ABP,

advocaten: mr. E. Lutjens en mr. R.E. van Schaik.

De zaak in het kort

In deze zaak verzoekt een gepensioneerde om ABP te bevelen persoonsgegevens te verstrekken. Verzoeker doet daarbij een beroep op het inzagerecht van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). De rechtbank verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. Verzoeker had op grond van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG) eerst ABP moeten vragen om de gegevens te verstrekken. Dat heeft verzoeker niet gedaan. Het verzoek kan daarom niet inhoudelijk worden beoordeeld. Ook als dat wel het geval zou zijn, had het verzoek moeten worden afgewezen. Verzoeker wil namelijk geen persoonsgegevens van ABP verkrijgen (en verzoeker heeft die gegevens ook al), maar berekeningen van zijn huidige en toekomstige pensioen in het kader van de Wet toekomst pensioenen. Daarvoor zijn de AVG en de UAVG niet bedoeld. [verzoeker] wordt veroordeeld in de proceskosten van ABP (een bedrag van € 2.120,00), omdat hij ongelijk krijgt.

1
De procedure
1.1.

De rechtbank heeft op 7 augustus 2025 een verzoekschrift ontvangen van [verzoeker] . Op 10 oktober 2025 heeft [verzoeker] nog een e-mailbericht aan de rechtbank verstuurd met bijlagen. ABP heeft een verweerschrift ingediend.

1.2.

Op 27 november 2025 heeft een zitting plaatsgevonden. Tijdens deze zitting heeft ABP pleitaantekeningen overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen op de zitting hebben verklaard.

2
Het verzoek en het verweer
2.1.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank om ABP te bevelen zijn persoonsgegevens te verstrekken en toe te sturen. Het gaat [verzoeker] daarbij om alle berekeningen die ten grondslag liggen aan de hoogte van de huidige pensioenuitkering van [verzoeker] . Ook wil [verzoeker] dat deze berekeningen worden voorzien van een uitleg en dat de juistheid en volledigheid daarvan wordt bevestigd. In de tweede plaats wil [verzoeker] van ABP een berekening van zijn pensioen zoals dat er naar verwachting over tien jaar uitziet, in het kader van het nieuwe pensioenstelsel van de Wet toekomst pensioenen.

2.2.

ABP verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Allereerst voert ABP aan dat het verzoek van [verzoeker] niet-ontvankelijk is. Voor zover nodig voert ABP ook aan dat het verzoek van [verzoeker] moet worden afgewezen. Volgens ABP zijn de door [verzoeker] verzochte pensioenberekeningen een rekenproces en geen persoonsgegeven zoals bedoeld in de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG). Verder wijst ABP erop dat zij aan haar informatieverplichtingen voldoet en dat het inzageverzoek van [verzoeker] buitensporig is, omdat het opstellen van pensioenberekeningen veel tijd kost.

Overwegingen

3
De beoordeling
3.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of het verzoek van [verzoeker] om ABP te bevelen zijn persoonsgegevens toe te sturen, kan worden toegewezen.

3.2.

De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van [verzoeker] niet-ontvankelijk is en dus niet inhoudelijk kan worden beoordeeld. Ook als dat wel het geval zou zijn, had het verzoek moeten worden afgewezen. De rechtbank licht dat oordeel hierna toe.

3.3.

Een betrokkene heeft op grond van de AVG het recht om van een instantie of organisatie uitsluitsel te verkrijgen over het verwerken van hem betreffende persoonsgegevens. Als dergelijke gegevens zijn verwerkt, heeft betrokkene ook het recht om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en informatie over onder andere de verwerkingsdoeleinden. (Voetnoot 1) Onder persoonsgegevens wordt verstaan alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon, zoals bijvoorbeeld naam, geboortedatum, nationaliteit, e.d. (Voetnoot 2)

3.4.

Een schriftelijke beslissing op een inzageverzoek als bedoeld in de AVG moet worden genomen binnen een maand na ontvangst van het verzoek. (Voetnoot 3)

3.5.

Indien een beslissing op een inzageverzoek is genomen (door een ander dan een bestuursorgaan), kan een betrokkene zich op grond van artikel 35 lid 1 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: UAVG) tot de rechtbank wenden met het verzoek de betreffende instantie of organisatie te bevelen het inzageverzoek alsnog toe te wijzen (of af te wijzen). Dat kan zonder advocaat. (Voetnoot 4)

3.6.

[verzoeker] heeft zijn verzoek aan de rechtbank gebaseerd op het inzagerecht van de AVG. Het verzoek van [verzoeker] moet dus worden aangemerkt als een verzoek op grond van artikel 35 lid 1 van de UAVG.

3.7.

Een betrokkene kan pas dan een verzoek indienen bij de rechtbank naar aanleiding van een inzageverzoek, als een organisatie of instantie eerst een beslissing heeft genomen op dat inzageverzoek. Dat volgt uit artikel 35 lid 1 van de UAVG.

3.8.

Vast staat dat [verzoeker] op 23 juni 2025 per online e-mail via de website van ABP een verzoek heeft gedaan om pensioenberekeningen aan hem toe te sturen, en heeft gevraagd om een bevestiging van de juistheid en volledigheid van die berekeningen. Daarop heeft ABP op 23 juni 2025 gereageerd met een ontvangstbevestiging. Vervolgens heeft ABP met een online bericht van 14 juli 2025 aan [verzoeker] meegedeeld dat niet aan zijn verzoek kan worden voldaan. Daarbij heeft ABP toegelicht dat aan [verzoeker] al eerder een Uniform pensioenoverzicht (hierna: UPO) is gestuurd, waarbij ook is opgemerkt dat een UPO niet als een bindende of gegarandeerde toezegging van pensioenaanspraken kan worden gezien.

3.9.

[verzoeker] heeft gelet op het voorgaande geen verzoek gedaan om persoonsgegevens of inzage daarin, zoals bedoeld in de AVG en de UAVG. [verzoeker] heeft alleen gevraagd om pensioenberekeningen en een bevestiging van de juistheid daarvan. Op de zitting heeft [verzoeker] ook erkend dat zijn verzoek niet ziet op zijn persoonsgegevens en dat hij niet twijfelt aan de juistheid van de door ABP ten aanzien van hem geregistreerde persoonsgegevens.

3.10.

Dit betekent dat er geen sprake is geweest van een verzoek van [verzoeker] aan ABP om persoonsgegevens of inzage daarin en dus ook niet van een beslissing daarover van ABP. Bij gebreke van een beslissing kan gelet op artikel 35 lid 1 van de UAVG geen verzoek worden ingediend bij de rechtbank in het kader van een inzageverzoek. De rechtbank moet het verzoek van [verzoeker] daarom niet-ontvankelijk verklaren. Dat betekent dat het verzoek niet inhoudelijk kan worden beoordeeld.

3.11.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat het verzoek van [verzoeker] ook zou zijn afgewezen als het wel inhoudelijk zou worden beoordeeld, om de volgende redenen.

3.12.

Zoals hiervoor al is overwogen, ziet het verzoek van [verzoeker] niet op zijn persoonsgegevens, maar gaat het hem om informatie over de berekeningen van zijn pensioen. Ook uit het verzoek van [verzoeker] , zijn pleitnota en zijn toelichting op de zitting blijkt dat het hem gaat om pensioenberekeningen, niet om zijn persoonsgegevens.

3.13.

Pensioenberekeningen zijn geen persoonsgegevens zoals bedoeld in de AVG. ABP heeft terecht gesteld dat een pensioenberekening een rekenproces en een methodiek is, maar als zodanig geen persoonsgegeven. Een pensioenberekening kan weliswaar persoonsgegevens bevatten, net als bijvoorbeeld een juridische analyse, maar vormt daarmee op zichzelf niet een persoonsgegeven. (Voetnoot 5) [verzoeker] kan dus geen verzoek indienen bij de rechtbank op grond van artikel 35 van de UAVG om pensioenberekeningen te verkrijgen.

3.14.

ABP is op basis van de Pensioenwet wel verplicht om haar deelnemers te informeren over hun pensioen, zowel in het algemeen als bij het zogenoemde ‘invaren’ naar het nieuwe pensioenstelsel (voor ABP naar verwachting op 1 januari 2027). (Voetnoot 6) Maar de procedure van artikel 35 van de UAVG is niet bedoeld voor vorderingen op basis van de Pensioenwet. Daarnaast blijkt uit de door ABP overgelegde stukken en de toelichting daarop dat ABP jegens [verzoeker] voldoet aan de informatieverplichtingen van de Pensioenwet.

3.15.

Voor zover het verzoek van [verzoeker] wel zou gaan over persoonsgegevens, moet worden vastgesteld dat alle relevante persoonsgegevens die ten grondslag liggen aan de berekening van het huidige en toekomstige pensioen al aan [verzoeker] zijn verstrekt door ABP. Die persoonsgegevens zijn bij het vaststellen van het huidige pensioen aan [verzoeker] meegedeeld en worden sindsdien ook steeds vermeld in het UPO dat [verzoeker] jaarlijks van ABP ontvangt. [verzoeker] heeft erkend dat die persoonsgegevens juist zijn. Er is dus ook geen reden voor de rechtbank om ABP te bevelen die persoonsgegevens alsnog te verstrekken.

3.16.

[verzoeker] wordt veroordeeld tot betaling van de door ABP gemaakte proceskosten, zoals door ABP is verzocht. [verzoeker] is namelijk de partij die in deze procedure ongelijk krijgt, omdat zijn verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard. De proceskosten worden vastgesteld op een bedrag van € 2.120,00. De proceskosten worden bepaald aan de hand van vaste tarieven, te weten € 1.228,00 voor het salaris van de gemachtigde van ABP, € 714,00 aan griffierecht dat door ABP is betaald en € 178,00 aan nakosten. (Voetnoot 7)

3.17.

De rechtbank merkt nog op dat [verzoeker] op de zitting heeft verklaard dat hij door een stichting is geadviseerd over de indiening van dit verzoek, maar dat daarbij niet is gewezen op het risico van een veroordeling in de proceskosten (naast het door [verzoeker] verschuldigde griffierecht van € 331,00). De rechtbank begrijpt dat dit bijzonder vervelend is voor [verzoeker] , maar moet vaststellen dat dit voor rekening en risico van [verzoeker] komt. Het is aan [verzoeker] om dit eventueel terug te koppelen aan de betreffende stichting.

Beslissing

4
De beslissing

De rechtbank:

4.1.

verklaart het verzoek van [verzoeker] niet-ontvankelijk;

4.2.

veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 2.120,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Jansen, bijgestaan door de griffier mr. M. Bouwen, en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2026.

griffier rechter

Voetnoot

Voetnoot 1

Artikel 15 lid 1 AVG.

Voetnoot 2

Artikel 4, aanhef en onder 1, AVG.

Voetnoot 3

Artikel 34 UAVG, in verbinding met artikel 12 lid 3 AVG.

Voetnoot 4

Artikel 35 lid 4 UAVG.

Voetnoot 5

Zie ook de uitspraak van het Hof van Justitie van de EU van 17 juli 2014, te vinden op curia.europa.eu, met nummer ECLI:EU:C:2014:2081 en C-141/12.

Voetnoot 6

Zie o.a. artikel 44 en artikel 150j van de Pensioenwet.

Voetnoot 7

Zie voor de tarieven www.rechtspraak.nl, civiel/handelsrecht, tarieven/kosten/vergoedingen.