Rechtbank Noord-Holland, eerste aanleg - enkelvoudig personen- en familierecht

ECLI:NL:RBNHO:2026:4445

Op 11 March 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van personen- en familierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/15/374384 / JU RK 26-196, C/15/374380 / JU RK 26, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNHO:2026:4445. De plaats van zitting was Haarlem.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
C/15/374384 / JU RK 26-196, C/15/374380 / JU RK 26
Datum uitspraak:
11 March 2026
Datum publicatie:
24 April 2026
Advocaat:
mr. N. Schiettekatte

Indicatie

Perspectiefbesluit wordt onderschreven dor de kinderrechter. Kinderen hebben thuis veel meegemaakt en wonen ook al jaren niet meer thuis.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Haarlem

Zaaknummers: C/15/374384 / JU RK 26-196, C/15/374380 / JU RK 26-194 en

C/15/375257 / JU RK 26-332

Datum uitspraak: 11 maart 2026

Beschikking van de kinderrechter over verlengingen ondertoezichtstelling en verlengingen machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling de Jeugd- & Gezinsbeschermers,

hierna te noemen: de GI,

gevestigd te Amsterdam,

over

[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,

en

[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,

en

[de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige 3] en samen te noemen: de kinderen,

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [plaats] ,

advocaat: mr. N. Schiettekatte, kantoorhoudende te Rotterdam.

1
Het verloop van de procedure
1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

Ten aanzien van [de minderjarige 1] :

het verzoekschrift met bijlagen van 29 januari 2026;

brief van de Raad voor de Kinderbescherming van 9 februari 2026 “Toetsing voorgenomen besluit verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing na twee jaar”;

de brief van de GI van 24 februari 2026 (het perspectiefbesluit).

Ten aanzien van [de minderjarige 2] :

het verzoekschrift met bijlagen van 28 januari 2026;

brief van de Raad voor de Kinderbescherming van 2 februari 2026 “Toetsing voorgenomen besluit verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing na twee jaar”;

de brief van de GI van 24 februari 2026 (het perspectiefbesluit).

Ten aanzien van [de minderjarige 3] :

- het verzoekschrift met bijlagen van 27 februari 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de GI vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] .

1.3.

De kinderen zijn in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan de zitting in

raadkamer hun mening over het verzoek aan de kinderrechter kenbaar te maken, maar hebben hier geen gebruik van gemaakt.

2
De feiten
2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.

2.2.

[de minderjarige 1] verblijft sinds september 2024 in een kleinschalige woonvoorziening van Parlan in [plaats] . [de minderjarige 2] verblijft in een Kamer Trainings Centrum (hierna: KTC) van Kenter Jeugdhulp in [plaats] . [de minderjarige 3] woont thuis bij de moeder.

2.3.

[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn met de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 10 maart 2016 onder toezicht gesteld en met een machtiging uit huis geplaatst. Beide maatregelen zijn telkens verlengd, laatstelijk tot 7 april 2026. [de minderjarige 3] is met de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 11 juni 2021 onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is telkens verlengd, laatstelijk tot 11 juni 2026.

2.4.

De Raad heeft in de brieven van 2 en 9 februari 2026 geadviseerd om de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing (na twee jaar) voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] te verlengen.

3
Het verzoek

[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]

3.1.

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen. Voor [de minderjarige 2] verzoekt de GI een verlenging van een jaar. Voor [de minderjarige 1] verzoekt de GI, na wijziging van het verzoek ter zitting, een verlenging tot aan de meerderjarigheid van [de minderjarige 1] (ongeveer acht maanden). De GI heeft de kinderrechter ook verzocht de genomen perspectiefbesluiten, dat de kinderen niet meer bij de moeder zullen wonen, te toetsen. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI het volgende naar voren gebracht.

3.2.

Inmiddels is duidelijk dat het perspectief van de [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] niet bij de moeder ligt. Beide kinderen wonen al jaren niet meer bij de moeder thuis, omdat de thuissituatie voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onvoldoende emotioneel veilig en stabiel was. De moeder is chronisch overbelast en bij haar is sprake van pedagogisch onvermogen. De GI heeft de afgelopen jaren diverse hulpverlening in de thuissituatie ingezet, maar concludeert dat de belastbaarheid van de moeder beperkt is. Het perspectiefonderzoek dat uitgevoerd zou worden, is voortijdig beëindigd. Het uitvoeren van een perspectiefonderzoek is een intensief traject en vraagt van een opvoeder dat zij in balans is, de draagkracht groot is en de leefsituatie stabiel. Dat is bij de moeder onvoldoende het geval geweest. In de afzonderlijke perspectiefbesluiten van 24 februari 2026 heeft de GI geconcludeerd dat geen mogelijkheden gezien worden om toe te werken aan thuisplaatsing bij de moeder.

[de minderjarige 3]

3.3.

De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI het volgende naar voren gebracht.

3.4.

[de minderjarige 3] leeft in een chronisch emotionele onveilige thuissituatie, waarin met de inzet van ambulante hulp en deeltijdpleegzorg gedurende de afgelopen jaren onvoldoende verbetering is te zien. De moeder is structureel overbelast, emotioneel niet beschikbaar voor haar kinderen en kan de opvoeding van [de minderjarige 3] niet aan. De GI ziet geen mogelijkheden om met verdere hulp de leerbaarheid van moeder ten aanzien van haar pedagogische vaardigheden te vergroten. Gebleken is dat voor [de minderjarige 3] een verblijfsplek is binnen de residentiele voorziening aan de [straat] in [plaats] , waar [de minderjarige 2] ook verblijft. De voorziening is in de buurt van de moeder en de school van [de minderjarige 3] . De moeder en [de minderjarige 3] kennen de mentor daar al lang en de moeder heeft een goede relatie met haar. [de minderjarige 3] zou daar per

9 maart aanstaande terechtkunnen.

4
Het standpunt van de moeder

[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]

4.1.

De moeder is het eens met de verzochte maatregelen. De moeder vindt het moeilijk, maar ziet in dat zij niet voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] kan zorgen en heeft dan ook begrip voor perspectiefbesluit.

[de minderjarige 3]

4.2.

De moeder is het eens met de verzochte maatregelen en de plaatsing van [de minderjarige 3] aan de [straat] . Het liefst wil de moeder dat [de minderjarige 3] bij haar thuis blijft wonen, maar ze ziet in dat dat nu voor hem niet het beste is.

Overwegingen

5
De beoordeling

Perspectiefbesluit

5.1.

De beslissing van de GI dat het opgroeiperspectief van een kind niet meer bij de ouder(s) maar elders ligt, wordt het perspectiefbesluit genoemd. Een perspectiefbesluit kan aan het rechterlijk oordeel worden onderworpen voor zover dat noodzakelijk is voor de beoordeling van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met dat perspectiefbesluit. In het kader van de verzoeken van de GI tot verlening van de uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , ziet de kinderrechter dan ook aanleiding om de perspectiefbesluiten van de GI te toetsen.

5.2.

Vast staat dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] veel hebben meegemaakt in de thuissituatie en om die reden beiden al jaren niet meer thuis bij de moeder wonen. Er is in het verleden veel hulp ingezet om te onderzoeken of thuis wonen voor de kinderen nog tot de mogelijkheden behoorde, maar gebleken is dat dat niet het geval is. Het perspectiefonderzoek dat uitgevoerd zou worden, is vroegtijdig beëindigd wegens de beperkte draagkracht van de moeder en haar instabiele leefsituatie. De moeder wil graag weer zelf voor haar kinderen zorgen, maar is al jaren overbelast en pedagogisch onmachtig om voor de kinderen een stabiele en emotioneel veilige ouder te zijn. De kinderrechter acht het bewonderenswaardig van de moeder dat zij inziet dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] goed zitten op de plekken waar zij nu verblijven en dat het in hun belang is dat zij niet meer thuis wonen bij de moeder.

5.3.

De kinderrechter zal de perspectiefbesluiten dan ook onderschrijven. Dat betekent dat de GI niet meer zal (hoeven) werken aan de thuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .

De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]

5.4.

De rechtbank is van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing en dat deze maatregelen ook noodzakelijk zijn in het belang van (de verzorging en opvoeding) van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .  (Voetnoot 1) De rechtbank legt hieronder uit waarom.

5.5.

[de minderjarige 1] heeft thuis veel meegemaakt en heeft (daarom) een ernstige vorm van hechtingsproblematiek en PTSS-klachten. Ook bij zijn sociaal emotionele ontwikkeling heeft hij professionele hulp en aandacht nodig, die hij krijgt bij Parlan. Hoewel het met [de minderjarige 1] – naar omstandigheden – lange tijd goed is gegaan, is bij hem eind vorig jaar een plotselinge verandering ontstaan. De motivatie van [de minderjarige 1] voor school en zijn stage is sterk afgenomen en hij is laatst gezien met een mes op straat. De huidige jeugdbeschermer houdt [de minderjarige 1] goed in de gaten en heeft de aanmelding van [de minderjarige 1] voor individuele therapie, waarvoor hij bij Parlan op de wachtlijst stond, verzocht met voorrang te behandelen. [de minderjarige 1] is gebaat bij verdere hulp en ondersteuning, wat maakt dat de ondertoezichtstelling nog steeds nodig is. Daarnaast is het in zijn belang om zijn verblijf bij Parlan te borgen met een machtiging tot uithuisplaatsing tot aan zijn meerderjarigheid.

5.6.

De moeder heeft ter zitting terecht aangegeven dat goed in de gaten moet worden gehouden dat [de minderjarige 1] na zijn achttiende niet tussen het wal en schip raakt. Het is aan de GI om een stevig en concreet plan van aanpak te maken om de overgang van [de minderjarige 1] naar zijn volwassenheid goed te begeleiden.

5.7.

Ook [de minderjarige 2] heeft in de thuissituatie bij de moeder veel meegemaakt. Over [de minderjarige 2] bestonden langere tijd zorgen over haar sociaal emotionele ontwikkeling en die zorgen zijn sinds januari van dit jaar flink toegenomen. [de minderjarige 2] heeft een vriendje en hij lijkt op haar geen goede invloed te hebben. Er is sprake van veel schoolverzuim en [de minderjarige 2] onttrekt zich aan de begeleiding van haar mentor en begeleiders op het KTC. Ook de moeder heeft weinig invloed meer op [de minderjarige 2] . De leerplichtambtenaar is betrokken en [de minderjarige 2] is in januari van dit jaar weggestuurd van haar stage. Het lijkt lastig om binnen de huidige woonvoorziening [de minderjarige 2] bij te sturen en haar te motiveren positieve keuzes te maken. De GI zal binnenkort met Kenter Jeugdhulp bespreken of voor [de minderjarige 2] wellicht een andere verblijfsplek passender is. [de minderjarige 2] is gebaat bij verdere hulp en ondersteuning, wat maakt dat de ondertoezichtstelling nog steeds nodig is. Ook de machtiging tot uithuisplaatsing is in haar belang noodzakelijk.

Uithuisplaatsing van [de minderjarige 3]

5.8.

Uit het dossier is gebleken dat [de minderjarige 3] moeite heeft met emotieregulatie en zich daardoor agressief kan uiten. De moeder is pedagogisch onmachtig en kan onvoldoende voorzien in de opvoedbehoefte van [de minderjarige 3] . Om de moeder te ontlasten wordt voor [de minderjarige 3] deeltijdpleegzorg ingezet. Daar wordt gezien dat [de minderjarige 3] overschat wordt en overprikkelt raakt, wat ook lijdt tot agressieve buien. De beschikbaarheid en belastbaarheid van de deeltijdpleegmoeder staat onder druk vanwege de gedragsproblemen van [de minderjarige 3] . [de minderjarige 3] gaat naar een school voor speciaal onderwijs, waar hij eveneens wisselend gedrag laat zien. Voor de moeder is al jaren hulpverlening ingezet om haar opvoedvaardigheden thuis te vergroten, maar het lukt haar niet om een veilig en stabiele thuissituatie voor [de minderjarige 3] te creëren.

5.9.

Per 9 maart 2026 kan [de minderjarige 3] worden geplaatst in een residentiële setting van Kenter Jeugdhulp aan het [straat] te [plaats] . Het is fijn dat [de minderjarige 3] op deze plek terecht kan. Het is een bekende instelling voor hem, want zijn zus [de minderjarige 2] woont daar ook en de moeder heeft veel vertrouwen in de mentor aldaar. Daarnaast is de voorziening dicht bij de moeder en de school van [de minderjarige 3] . Hoewel de moeder nu achter deze plaatsing van [de minderjarige 3] staat, kan de moeder hier wisselend in zijn. Het is dan ook in het belang van [de minderjarige 3] noodzakelijk om de uithuisplaatsing te borgen met een machtiging. Het verzoek van de GI tot machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige 3] zal dan ook worden toegewezen.

ten aanzien van alle verzoeken

5.10.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

Beslissing

6
De beslissing

De kinderrechter:

in de zaken met zaaknr: C/15/374384 / JU RK 26-196( [de minderjarige 1] ) en C/15/374380 / JU RK 26-194 ( [de minderjarige 2] )

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1], tot

23 oktober 2026;

6.2.

verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 2], tot 10 maart 2027;

6.3.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1], in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 23 oktober 2026;

6.4.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing in accommodatie van een jeugdhulpverlener van [de minderjarige 2] tot 10 maart 2027;

in de zaak met zaaknr: C/15/375257 / JU RK 26-332 ( [de minderjarige 3] )

6.5.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 3] , in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, tot 11 juni 2026;

ten aanzien van alle verzoeken

6.6.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.7.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026 door

mr. A.K. Mireku, kinderrechter, in aanwezigheid van J.B. Stevens als griffier, en op schrift gesteld op 1 april 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoot

Voetnoot 1

artikelen 1:255, eerste lid en 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW)