Rechtbank Noord-Holland, kort geding personen- en familierecht

ECLI:NL:RBNHO:2026:13067

Op 9 July 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland een kort geding procedure behandeld op het gebied van personen- en familierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/15/379769 / FA RK 26-3718 (beroep) C/15/379771 /, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNHO:2026:13067. De plaats van zitting was Haarlem.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
C/15/379769 / FA RK 26-3718 (beroep) C/15/379771 /
Datum uitspraak:
9 July 2026
Datum publicatie:
25 September 2026

Indicatie

Wet tijdelijk huisverbod: beroep gegrond wegens motiveringsgebrek.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Haarlem

voorzieningenrechter

Wet tijdelijk huisverbod

zaak-/rekestnummers: C/15/379769 / FA RK 26-3718 (beroep)

C/15/379771 / TH ZA 26-6 (voorlopige voorziening)

Uitspraak naar aanleiding van het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), tevens uitspraak in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb van 9 juli 2026

in de zaak van

[verzoekster], verzoekster, tevens eiseres, hierna te noemen: verzoekster,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

gemachtigde mr. J.H. van Dijk, advocaat te Haarlem,

tegen

de burgemeester van de GEMEENTE ZANDVOORT, verweerder,

zetelende te Zandvoort,

in welke zaak belanghebbende is:

[de dochter],

hierna te noemen: de dochter,

wonende te [plaats].

1
De procedure
1.1.

Bij besluit van 24 juni 2026 heeft verweerder aan verzoekster een huisverbod als bedoeld in de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth) en een contactverbod met haar meerderjarige dochter opgelegd voor de periode van 24 juni 2026 tot 4 juli 2026.

Bij besluit van 3 juli 2026 is het huisverbod en contactverbod verlengd met een aansluitende periode van achttien dagen, derhalve tot 22 juli 2026.

1.2.

Tegen het besluit tot verlenging van het huisverbod en contactverbod van 3 juli 2026 (hierna: het bestreden besluit) heeft verzoekster bij brief van 6 juli 2026 beroep ingesteld en tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen, namelijk het schorsen van het bestreden besluit en bepalen dat het bestreden besluit geen werking heeft totdat er op het beroep is beslist.

1.3.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2026. Hierbij zijn verschenen en gehoord:

verzoekster, bijgestaan door haar gemachtigde en een tolk in de Poolse taal;

verweerder, vertegenwoordigd door [teammanager rechtsbescherming] (teammanager rechtsbescherming), [coördinator sociale veiligheid] (coördinator sociale veiligheid) en [juridisch adviseur] (juridisch adviseur).

De dochter is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

1.4.

Verweerder heeft ter zitting de volgende stukken overgelegd:

- het episodejournaal van 24 juni 2026;- de situatie ter plaatse van 24 juni 2026;

- het formulier Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld van 24 juni 2026;

- het proces-verbaal van bevindingen van de hulpofficier van justitie van 24 juni 2026;

- het bewijs van ontvangst van huissleutels van 24 juni 2026;

- het zorgadvies ten behoeve van het verlengen/intrekken van een tijdelijk huisverbod van 2 juli 2026;

- het beleidsadvies ten behoeve van het verlengen/intrekken van een tijdelijk huisverbod van 3 juli 2026.

1.5.

De advocaat van verzoekster heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

Overwegingen

2
De beoordeling

juridisch kader

2.1.

Op grond van artikel 2 van de Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon als uit feiten of omstandigheden blijkt dat haar aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met haar in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

2.2.

Op grond van artikel 9 van de Wth kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet.

2.3.

Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

kortsluiten

2.4.

Aangezien alle voor een beslissing relevante feiten en omstandigheden aan de orde zijn geweest, meent de voorzieningenrechter, partijen gehoord hebbende, dat nader onderzoek in dit geval redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen. Daarom zal de voorzieningenrechter gebruikmaken van de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

bestreden besluit en aanvullende motivering verweerder

2.5.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat:

er sprake was en nog steeds is van gevaar, omdat er nog steeds spanningen zijn tussen verzoekster en de dochter en het risico van een nieuwe escalatie nog steeds bestaat doordat het niet is gelukt om veiligheidsafspraken te maken;

de burgemeester bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid. De (veiligheids)situatie ten tijde van het bestreden besluit was ongewijzigd en voortduring van de hulpverlening is noodzakelijk om tot een stabiele situatie te komen. De praktische en persoonlijke belangen van verzoekster worden onderkend, maar wegen in de huidige situatie minder zwaar dan het belang om het risico op een hernieuwde escalatie te beperken.

2.6.

Verweerder heeft ter zitting het bestreden besluit als volgt toegelicht. Er is nog steeds sprake van een onveilige thuissituatie. Het afgelopen jaar is verzoekster veertien keer door de politie geregistreerd voor huiselijk geweld en dronkenschap, waarbij verzoekster ook drie keer is aangehouden. Uit de risicotaxatie volgt verder dat sprake is van een stijgende lijn qua geweld en dat verzoekster wisselend is in haar motivatie voor hulpverlening. Verzoekster wil nu wel naar de huisarts en Fivoor, maar eerder heeft zij aangegeven geen hulp te willen en ontkende ze haar alcoholprobleem.

Op 2 juli 2026 is door Veilig Thuis geprobeerd om door middel van een systeemgesprek veiligheidsafspraken te maken, maar dit is niet gelukt omdat verzoekster boos bij het gesprek is weggelopen. Doordat de situatie niet veilig genoeg is en niks is veranderd, is besloten om het tijdelijk huisverbod te verlengen. Dit houdt ook verband met het feit dat op 31 mei 2026 een tijdelijk huisverbod aan verzoekster was opgelegd, maar de veiligheidsafspraken die toen zijn gemaakt er niet toe hebben geleid dat de situatie is verbeterd. Het is daarom van belang dat er nu een structurele oplossing komt. Het Centrum Jeugd en Gezin (hierna: CJG) is bezig om voor de dochter een plek te krijgen bij begeleid wonen, waardoor een verlenging van het tijdelijk huisverbod nodig is. Ook is verzoekster aangemeld bij Fivoor en vinden er telefonische gesprekken plaats tussen Veilig Thuis en verzoekster.

gronden verzoekster

2.7.

Verzoekster heeft aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is genomen met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder met het zorgvuldigheidsbeginsel en evenredigheidsbeginsel. Verzoekster betwist dat haar aanwezigheid in de woning een dergelijk ernstig gevaar oplevert en/of dat de dreiging van dit gevaar zich voortzet. Er heeft op 23 juni 2026 een verbale ruzie plaatsgevonden tussen verzoekster en haar meerderjarige dochter, waarvoor verzoekster haar excuses heeft aangeboden. Verzoekster is aangehouden vanwege mishandeling van haar dochter en op 24 juni 2026 op het politiebureau verhoord, waarna zij is heengezonden en de zaak door het Openbaar Ministerie is geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. Ongeveer een maand daarvoor heeft zich eenzelfde soort incident afgespeeld en ook toen werd de zaak geseponeerd wegens onvoldoende bewijs. Er is zodoende geen sprake van een voldoende concreet, ernstig vermoeden van ernstig en onmiddellijk gevaar. Naarmate het huisverbod voortduurt, dient de onderbouwing van het gestelde ernstige gevaar eerder toe te nemen dan af te nemen. In dit geval is juist sprake van een afname.Naast dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is genomen, acht verzoekster het bestreden besluit ook in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het nadeel dat verzoekster door de maximale verlenging van het huisverbod ondervindt is onevenredig groot, omdat zij de afgelopen tien dagen voornamelijk buiten of bij een vriend heeft geslapen. Zij ervaart veel praktische problemen bij haar werk als schoonmaakster, omdat de sleutels van haar werkadressen thuis liggen en zij daar nu niet bij kan en de dochter op dit vlak niet mee wil werken. Verzoekster en haar dochter zullen in de toekomst met elkaar door één deur

moeten en zoals de dochter zelf aangeeft, zal een verlenging van het huisverbod de bestaande impasse niet oplossen. De verlenging van het tijdelijk huisverbod draagt niet bij aan normalisering van de relatie.

2.8.

Door en namens verzoekster is ter zitting hieraan toegevoegd dat er geen sprake is van objectieve aanwijzingen voor een ernstig en onmiddellijk gevaar of een ernstig vermoeden daarvan. De spanningen en de verbale ruzies tussen verzoekster en de dochter zijn hiervoor onvoldoende. Ook is het onvoldoende dat de dochter nu meer rust en ruimte ziet om vervolgstappen te zetten. Eerder heeft de dochter namelijk zelf afgezien van begeleid wonen. Verzoekster heeft verder aangegeven dat ze bij een vriend en haar buurvrouw heeft geslapen, maar dat ze daar nu ook niet meer terechtkan. Verder klopt het dat het niet is gelukt om in het systeemgesprek met Veilig Thuis tot veiligheidsafspraken te komen, omdat ze daarvoor te emotioneel was. Het is zorgelijk dat er nu geen nieuw gesprek is ingepland en alleen wordt uitgegaan van de situatie van de dochter.

oordeel voorzieningenrechter

2.9.

Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht concludeert de voorzieningenrechter dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit er nog steeds sprake was van een ernstig vermoeden dat de aanwezigheid van verzoekster in de woning een ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van de dochter. Dit vermoeden is gebaseerd op het feit dat in het afgelopen jaar veertien politiemeldingen zijn geweest waarbij sprake was van huiselijk geweld en overmatig alcoholgebruik van verzoekster. Daarnaast is verzoekster op 23 juni 2026 na een melding van huiselijk geweld wederom onder invloed van alcohol aangehouden. Deze recente gebeurtenissen bevestigen dat de zorgen over de veiligheid onverminderd aanwezig zijn.Na de escalatie tussen verzoekster en de dochter is op 2 juli 2026 door Veilig Thuis geprobeerd veiligheidsafspraken te maken om de risico’s te beperken. Dit is niet gelukt, omdat verzoekster het gesprek voortijdig boos heeft verlaten. Hierdoor ontbreken concrete afspraken die de veiligheid van de dochter kunnen waarborgen, waardoor de voorzieningenrechter het onverantwoord acht de huidige situatie zonder nadere maatregelen te laten voortbestaan. Daarbij is ook van belang dat verzoekster wisselend verklaart over haar alcoholgebruik en ambivalent is ten aanzien van het aanvaarden van hulpverlening. Ook weegt mee dat aan verzoekster op 31 mei 2026 eveneens een huisverbod is opgelegd. In het kader van dat huisverbod zijn destijds veiligheidsafspraken gemaakt, maar deze hebben niet geleid tot een duurzame veilige thuissituatie. Het is dan ook noodzakelijk dat naar een structurele oplossing wordt gezocht. Het CJG is inmiddels betrokken bij de dochter en onderzoekt de mogelijkheden voor een traject van begeleid wonen. Verweerder heeft aangegeven dat zij de komende achttien dagen nodig hebben om een passend plan uit te werken.2.10. Op grond van het voorgaande concludeert de voorzieningenrechter dat verweerder bevoegd was om het bestreden besluit te nemen en dat het bestreden besluit zorgvuldig en op goede gronden is genomen. De omstandigheid dat verzoekster nog steeds geen vaste slaapplaats heeft en niet bij haar sleutels voor werk kan, heeft verweerder bij het verlengen van het tijdelijk huisverbod niet van doorslaggevende betekenis hoeven vinden. Verweerder heeft deze afweging op grond van de omstandigheden van dit geval kunnen maken, waardoor de voorzieningenrechter het bestreden besluit niet in strijd acht met het evenredigheidsbeginsel.

2.10.

Tot slot dient te worden beoordeeld of er op dit moment aanleiding bestaat het huis- en contactverbod op te heffen omdat aangenomen kan worden dat het gevaar is geweken. Hiervoor bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding. Het is niet gelukt om tot nieuwe veiligheidsafspraken te komen, waardoor het risico op een nieuwe escalatie nog steeds aanwezig is. Daar komt bij dat verweerder voldoende heeft toegelicht dat de hulpverlening de komende periode nodig heeft om tot een structurele oplossing te komen.

2.11.

De voorzieningenrechter zal gelet op het voorgaande het beroep ongegrond verklaren.

2.12.

Nu de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak, brengt dit in het onderhavige geval mee dat verzoeker geen belang meer heeft bij een uitspraak op zijn verzoek om een voorlopige voorziening, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

2.13.

Er is geen grond om een van partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten. Het verzoek van de verzoeker daartoe wordt daarom afgewezen.

Beslissing

3
De beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1.

verklaart het beroep ongegrond;

3.2.

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;

3.3.

wijst het verzoek tot een proceskostenveroordeling af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.D. de Jong, rechter, in tegenwoordigheid van mr. N.L. de Groot, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.

Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroep, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.