1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 10,
- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 4,
- het tussenvonnis van 7 mei 2025,
- de akte vervanging producties 6 t/m 8, tevens aanvullende producties 11 t/m 14, tevens wijziging van eis, beperking van eis van [eiser] van 17 juni 2025,
- de brief van [gedaagde] met bezwaar tegen de akte van [eiser] van 17 juni 2025,
- de brief van [gedaagde] inzake artikel 1.2.13 van het procesreglement van 19 juni 2025,
- aantekeningen ter comparitie, tevens de aanvullende productie 15 van [eiser],
- de mondelinge behandeling van 7 juli 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt, en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van [gedaagde] en [eiser],
- de antwoordakte van [gedaagde] van 16 juli 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Overwegingen
5
De beoordeling in de hoofdzaak
Ambtshalve toetsing consumentenrecht
5.1.
Het gaat in deze zaak om een consumentenkoop. (Voetnoot 1) De kantonrechter toetst daarom ambtshalve of is voldaan aan de toepasselijke informatieplichten (Voetnoot 2) en of sprake is van oneerlijke bedingen. (Voetnoot 3)
5.2.
Uit de stukken en wat ter zitting is besproken blijkt dat [gedaagde] heeft voldaan aan de informatieplichten die gelden bij een overeenkomst anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte. (Voetnoot 4)
5.3.
[eiser] heeft in zijn aanvullende akte van 17 juni 2025 aangevoerd dat de garantiebepaling in de overeenkomst oneerlijk is en dat [gedaagde] deze in de koopovereenkomst heeft opgenomen nadat de koop al was gesloten, terwijl dat niet was besproken. Ter zitting heeft [gedaagde] aangegeven dat partijen specifiek overeengekomen zijn dat de auto is verkocht zonder garantie. Dit is door [eiser] niet weersproken. Over deze bepaling is dus afzonderlijk onderhandeld, zodat deze bepaling is uitgesloten van toetsing op oneerlijkheid. (Voetnoot 5)
5.4.
Een afgeleverde zaak moet beantwoorden aan de overeenkomst. (Voetnoot 6) Daarvan is geen sprake als de zaak, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de auto heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Dan is sprake van non-conformiteit. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen. (Voetnoot 7)
5.5.
Bij een tweedehands auto die bestemd is om aan het verkeer deel te nemen, geldt dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordt als het gebruik van de auto een gevaar voor de verkeersveiligheid oplevert door een gebrek dat niet eenvoudig door de koper kan worden ontdekt en hersteld. (Voetnoot 8) Niet uitgesloten is dat deze regel uitzondering lijdt, bijvoorbeeld wanneer de koper het risico van een dergelijk gebrek heeft aanvaard. Daarbij moet echter worden betrokken dat mededelingen van de verkoper over de staat van de auto – afhankelijk van hun inhoud – eraan in de weg kunnen staan dat wordt aangenomen dat de koper dit risico heeft aanvaard.
5.6.
Dat het moet gaan om een gebrek dat niet eenvoudig kan worden ontdekt en hersteld, brengt een zekere onderzoeksplicht voor de koper met zich.
5.7.
Veilige verkeersdeelname is de ondergrens voor wat de koper mag verwachten voor het normaal gebruik van een tweedehands auto. (Voetnoot 9) Daarnaast mag de koper verwachten dat een tweedehands auto de eigenschappen bezit waarvan hij de aanwezigheid niet behoeft te betwijfelen. (Voetnoot 10) Wat dat concreet betekent, hangt af van de specifieke eigenschappen van de auto – zoals het bouwjaar van de auto, de gereden kilometers en koopprijs van de auto – en van specifieke afspraken die partijen hebben gemaakt. (Voetnoot 11)
5.8.
Naarmate een tweedehands auto ouder is en meer kilometers heeft gereden, mag de koper minder verwachten dan van een nieuwe(re) auto. De koper moet er dan rekening mee houden dat onderdelen als gevolg van slijtage kapot kunnen gaan en voor eigen rekening moeten worden hersteld. Niet ieder defect na aankoop levert dus non-conformiteit op.
5.9.
[eiser] stelt dat hij vanaf 15 april 2024 een brandgeur in de auto opmerkte. Hij heeft de auto daarom laten onderzoeken door [betrokkene 1]. In het expertiserapport concludeert [betrokkene 1] dat de auto een defecte koppakking had, omdat in het koelvloeistofreservoir motorolie werd aangetroffen.
5.10.
[gedaagde] betwist dat de koppakking defect was, maar die betwisting is naar het oordeel van de kantonrechter in het licht van de bevindingen in het expertiserapport van [betrokkene 1] onvoldoende gemotiveerd. Van belang hierbij is dat [gedaagde] was uitgenodigd voor het onderzoek van [betrokkene 1], maar dat hij daarbij niet aanwezig is geweest en dat hij later heeft afgezien van de aangekondigde contra-expertise. Het had op de weg gelegen van [gedaagde] om zijn betwisting van de defecte koppakking en de bevindingen in het rapport nader te motiveren. Hij heeft weliswaar aangevoerd dat het rapport van [betrokkene 1] niet betrouwbaar zou zijn omdat de expert een persoonlijke bekende van de gemachtigde van [eiser] zou zijn, maar [gedaagde] heeft verder niet onderbouwd waarom het expertiseonderzoek in dat geval onbetrouwbaar zou zijn. De gemachtigde van [eiser] heeft dit bovendien weersproken.
5.11.
De kantonrechter volgt de conclusie in het expertiserapport. Die conclusie is in het rapport helder onderbouwd: er zit motorolie bij de koelvloeistof en dat komt door de defecte koppakking. De foto’s in het rapport dienen ter onderbouwing van deze conclusie en zijn niet betwist.
De kapotte koppakking kwalificeert als ‘gebrek’
5.12.
De kernvraag in deze zaak is of de defecte koppakking kwalificeert als een ‘gebrek’ in de zin van non-conformiteit, dan wel of sprake is van normale slijtage aan de auto die voor rekening van [eiser] moet komen. De kantonrechter is van oordeel dat het gaat om een ‘gebrek’ in de zin van non-conformiteit.
5.13.
In het expertiserapport van [betrokkene 1] wordt geconcludeerd dat het defect aan de koppakking al vóór de verkoop van de auto aanwezig moet zijn geweest. Op basis hiervan zou direct sprake zijn van een ‘gebrek’, omdat alleen slijtage die zich na levering voordoet voor rekening van de koper komt. De kantonrechter acht de onderbouwing van deze conclusie in het expertiserapport echter onvoldoende specifiek om het oordeel enkel daarop te baseren. Hierna wordt daarom toegelicht hoe verder tot het oordeel is gekomen.
5.14.
Het is niet zo dat het gebruik van de auto door de defecte koppakking een gevaar opleverde voor de verkeersveiligheid. [eiser] heeft erkend dat hij nog ongeveer tweeduizend kilometer met de auto heeft gereden in de drie maanden tussen aankoop en herstel. Het ging volgens [eiser] dan wel alleen om korte ritjes om de kinderen naar school te brengen, maar hij heeft niet gesteld en er is niet anderszins gebleken dat met de auto niet veilig aan het verkeer kon worden deelgenomen.
5.15.
De beoordeling komt daarom neer op de vraag of [eiser], gelet op de specifieke eigenschappen van de auto en de afspraken tussen partijen, redelijkerwijs moest verwachten dat de koppakking kort na aankoop defect zou (kunnen) raken.
5.16.
De koopovereenkomst ziet op een tweedehands auto uit 2012 met een kilometerstand van 202.693 kilometer en een koopprijs van € 6.295,-, die zonder garantie is verkocht. Gelet op deze omstandigheden, diende [eiser] er rekening mee te houden dat zich bij normaal gebruik van de auto slijtage aan de auto zou kunnen voordoen en dat bepaalde onderdelen voor zijn rekening zouden moeten worden hersteld.
5.17.
Bij een defecte koppakking gaat het echter om een ernstig motorisch defect dat kan leiden tot aanzienlijke motorschade. Daarover zijn partijen het eens. Volgens [gedaagde] is het zelfs zo dat een auto met een defecte koppakking al na honderd kilometer tot stilstand zou komen. Hoewel dat standpunt niet nader is onderbouwd (zie 5.24) en zich niet verhoudt tot het feit dat [eiser] nog tweeduizend kilometer heeft gereden, onderstreept het wel dat ook [gedaagde] een defecte koppakking aanmerkt als een ernstig motorisch defect.
5.18.
Uit het expertiserapport en wat ter zitting is besproken volgt dat het gaat om een gebrek dat door [eiser] niet eenvoudig te ontdekken of herstellen was, omdat de bovenzijde van de motor moet worden gedemonteerd om bij de koppakking te komen.
5.19.
Onweersproken is dat [eiser] al op 15 april 2024, binnen twee weken na aankoop, een brandgeur rook. Vast is komen te staan dat de auto bij het onderzoek van [betrokkene 1] op 6 juli 2024 een defecte koppakking had, te zien aan de motorolie in de koelvloeistof. Volgens [betrokkene 1] werd de brandgeur veroorzaakt door de defecte koppakking en dit is niet betwist door [gedaagde]. De herstelkosten bedragen € 1.598,35, wat neerkomt op ongeveer een kwart van de koopprijs van de auto.
5.20.
Hoewel de auto ten tijde van de koop al relatief oud was en een hoge kilometerstand had, hoefde [eiser] naar het oordeel van de kantonrechter niet te verwachten dat zich binnen zo korte tijd na levering een dergelijk ernstig defect zou openbaren, waarvan herstel noodzakelijk was om de auto veilig en normaal te kunnen blijven gebruiken en waarvan de herstelkosten bovendien zo hoog zijn ten opzichte van de koopprijs van de auto. Dat is hier wel het geval geweest.
5.21.
Met inachtneming van het bovenstaande is sprake van een ‘gebrek’ en niet van normale slijtage aan de auto.
Non-conformiteit via het wettelijk bewijsvermoeden
5.22.
Het wettelijk bewijsvermoeden is van toepassing omdat het gaat om een consumentenkoop. Omdat vast is komen te staan dat het gebrek zich binnen een termijn van één jaar na levering heeft geopenbaard, wordt vermoed dat de auto bij levering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord. (Voetnoot 12)
5.23.
Het is aan [gedaagde] om dit vermoeden te weerleggen met het tegendeel. Dat vereist dat [gedaagde] voldoende concreet en onderbouwd stelt en zo nodig bewijst dat de auto bij aflevering wel degelijk aan de overeenkomst heeft beantwoord. [gedaagde] kan daarvoor niet volstaan met het zaaien van zodanige twijfel dat het vermoeden onhoudbaar is (tegenbewijs), maar moet tegendeelbewijs leveren. (Voetnoot 13)
5.24.
De stelling van [gedaagde] dat niet meer dan honderd kilometer met een kapotte koppakking kan worden gereden, is te algemeen om te kunnen bewijzen dat de koppakking pas ná het moment van levering kapot is gegaan. [eiser] heeft deze stelling ook betwist en aangevoerd dat een defecte koppakking zich geleidelijk kan ontwikkelen en zich steeds verder openbaart. Verreweg de meeste kilometers die [eiser] met de auto heeft gereden, zijn gereden nadat hij de brandgeur rook die – volgens het expertiserapport van [betrokkene 1] – kwam door de defecte koppakking. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen hier specifiek op in te gaan en/of zijn stelling over de onmogelijkheid van het verder rijden met een defecte koppakking nader te onderbouwen.
5.25.
Ook de stelling dat het niet mogelijk zou zijn dat de koppakking bij levering al defect was, omdat dit dan bij de Apk-keuring aan het licht had moeten zijn gekomen, is theoretisch en onvoldoende concreet om te kunnen leiden tot tegendeelbewijs. [gedaagde] heeft ter zitting weliswaar toegelicht hoe de CO2 bij de Apk-keuring wordt gemeten en dat er witte rook uit de uitlaat moet zijn gekomen als de koppakking kapot zou zijn, maar uit de overgelegde productie inzake de Apk-keuring blijkt niet dat specifiek onderzoek is gedaan naar de koppakking en dat deze in orde was. [gedaagde] heeft met zijn stellingen hooguit twijfel gezaaid, maar dat is onvoldoende om toe te komen aan het leveren van tegendeelbewijs voor het weerleggen van het bewijsvermoeden. De defecte koppakking leidt daarom tot non-conformiteit van de auto.
Ontbreken garantie en onderzoeksplicht [eiser]
5.26.
Het verweer van [gedaagde] dat het gebrek voor rekening van [eiser] komt omdat hij de auto zonder garantie heeft gekocht en niet zelf heeft laten keuren, slaagt niet. Deze omstandigheden maken namelijk niet dat [gedaagde] niet aan zijn verplichtingen ten aanzien van de conformiteit van de auto heeft te voldoen. (Voetnoot 14)
5.27.
Ook het verweer dat [eiser] zijn onderzoeksplicht heeft geschonden faalt. [eiser] heeft de auto voorafgaand aan de koop bekeken en hem is daarbij medegedeeld dat de auto “goed” was. Ook was de auto vlak voor de verkoop nog Apk-gekeurd. Omdat de bovenzijde van de motor moet worden gedemonteerd om bij de koppakking te komen, had [eiser] het gebrek niet eenvoudig op een andere wijze kunnen ontdekken of herstellen. Er was naar het oordeel van de kantonrechter onder die omstandigheden geen aanleiding voor [eiser] om nog verder onderzoek te moeten doen naar een eventuele defecte koppakking van de auto, bijvoorbeeld met een eigen aankoopinspectie. Dit had wellicht anders kunnen zijn als [gedaagde] voorafgaand aan de koop met zoveel woorden zou hebben gezegd dat zich binnen korte tijd problemen met de koppakking zouden kunnen voordoen, zodat [eiser] – door het nalaten van een eigen aankoopinspectie – het risico van dit specifieke gebrek heeft aanvaard, maar dat is niet gesteld.
[gedaagde] moet de herstelkosten vergoeden
5.28.
De kantonrechter wijst de gevorderde herstelkosten van € 1.598,35 toe. [eiser] was bevoegd het herstel van de auto door een derde te doen plaatsvinden en de kosten daarvan op [gedaagde] te verhalen. (Voetnoot 15)
5.29.
[eiser] heeft [gedaagde] in gebreke gesteld en verzocht tot kosteloos herstel van de auto binnen een redelijke termijn. [gedaagde] heeft daarop laten weten dat hij de auto alleen wilde herstellen als partijen de kosten daarvoor zouden delen. [gedaagde] heeft met het delen van het expertiserapport van [betrokkene 1] nog een tweede verzoek tot kosteloos herstel van de auto gedaan, maar ook daar is [gedaagde] niet op ingegaan. [betrokkene 1] heeft de auto daarna laten herstellen door [bedrijf 3] [plaats 1], die daarvoor een bedrag van € 1.598,35 heeft gefactureerd. Dit is door [gedaagde] ook niet betwist.
5.30.
Het verweer van [gedaagde] dat sprake is van een mismatch tussen de factuur en de betaling (een betaling van € 1.596,23 aan [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3]), slaagt niet. Voor toewijzing van de herstelkosten kan namelijk in het midden blijven of deze factuur – al dan niet volledig of op juiste wijze – door [eiser] is voldaan. Dat is geen vereiste voor het vaststellen van schade in de zin van herstelkosten.
Geen aanvullende schadevergoeding
5.31.
[eiser] vordert een bedrag van € 598,25 aan betaalde wegenbelasting en betaalde verzekeringspremies, omdat hij in de periode tussen 3 april 2024 en 19 september 2024 geen ongestoord gebruik heeft kunnen maken van de auto als gevolg van de non-conformiteit.
5.32.
Omdat gebleken is dat [eiser] nog wel gebruik heeft kunnen maken van de auto in de betreffende periode – hij heeft er immers nog ongeveer tweeduizend kilometer mee gereden – is de kantonrechter van oordeel dat de kosten voor de wegenbelasting en de verzekering voor rekening van [eiser] moeten blijven. Deze kosten zou hij ook gemaakt hebben als de koppakking niet defect was geweest. De aanvullende schadevergoeding wordt daarom afgewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.33.
[eiser] vordert een bedrag van in totaal € 398,58 aan buitengerechtelijke incassokosten, namelijk € 290,04 over de herstelkosten en € 108,54 over de aanvullende schadevergoeding.
5.34.
De kantonrechter wijst een bedrag van € 239,75 aan buitengerechtelijke incassokosten toe over de herstelkosten. Omdat het niet gaat om een vordering uit overeenkomst maar uit de wet (namelijk artikel 7:21 lid 6 BW), valt de hoofdvordering niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter toetst daarom de gevorderde incassokosten aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal (Voetnoot 16), met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. Dat komt uit op een lager bedrag aan incassokosten dan door [eiser] gevorderd. De gevorderde incassokosten over de aanvullende schadevergoeding worden afgewezen, omdat de aanvullende schadevergoeding ook wordt afgewezen.
5.35.
[eiser] heeft – na vermindering van eis – wettelijke rente over de herstelkosten gevorderd vanaf 16 oktober 2024. Nu de hoofdvordering is toegewezen en [gedaagde] overigens geen verweer heeft gevoerd, wordt de wettelijke rente toegewezen zoals gevorderd.
5.36.
De overige wettelijke rente wordt afgewezen, omdat de aanvullende schadevergoeding wordt afgewezen.
5.37.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
€
90,00
- salaris gemachtigde
€
408,00
(2 punten × € 204,00)
- nakosten
€
102,00
Totaal
€
600,00