Rechtbank Noord-Holland, eerste aanleg - meervoudig strafprocesrecht

ECLI:NL:RBNHO:2025:15901

Op 18 December 2025 heeft de Rechtbank Noord-Holland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafprocesrecht, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 15/112684-25, 15/006042-25 en 15/324351-24 (tul), bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNHO:2025:15901. De plaats van zitting was Haarlem.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
15/112684-25, 15/006042-25 en 15/324351-24 (tul)
Datum uitspraak:
18 December 2025
Datum publicatie:
9 February 2026

Indicatie

Jeugdstrafrecht. Veroordeling voor poging doodslag door steken met mes en mishandeling. Voorwaardelijke PIJ-maatregel.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd

Locatie Haarlem

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummers: 15/112684-25, 15/006042-25 en 15/324351-24 (tul)

Uitspraakdatum: 18 december 2025

Tegenspraak

Vonnis (P)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 4 december 2025 in de zaak tegen:

[de verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [plaats] ( [land] ),

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,

thans gedetineerd te Forensisch Centrum [Forensisch Centrum] te [plaats] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

[officier van justitie] en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. J.T.H.M. Mühren, kantoorhoudende te Purmerend, naar voren hebben gebracht.

Ook waren aanwezig [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [vertegenwoordiger van de GI] , namens de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, en [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] (hierna: de jeugdreclassering) en [de gezinsvoogd] (hierna: de gezinsvoogd), namens de gecertificeerde instelling het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering.

Tevens waren als deskundigen aanwezig [(kinder- en jeugd) psychiater] , als (kinder- en jeugd) psychiater en [GZ-psycholoog] , als GZ-psycholoog.

Verder waren aanwezig de vader en de zus van de verdachte.

Tot slot was aanwezig [vertegenwoordiger benadeelde partij 1] , namens benadeelde partij [benadeelde partij 1] , en [benadeelde partij 2] , als benadeelde partij, bijgestaan door zijn partner en mr. A.M. Wolf.

1
Tenlastelegging

Aan de verdachte is onder 15-112684-25 ten laste gelegd dat:

(hierna: feit 1)

hij op of omstreeks 12 april 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij 2] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes, althans een scherp voorwerp, in zijn buik, althans het (boven)lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 12 april 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad, aan [benadeelde partij 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een steekwond in zijn buik (ter hoogte van zijn maag) en/of een wond in de maagwand, heeft toegebracht door met een mes, althans een scherp voorwerp, in zijn buik, althans het (boven)lichaam te steken;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 12 april 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes, althans een scherp voorwerp, in zijn buik, althans het (boven)lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Aan de verdachte is onder 15-006042-25 ten laste gelegd dat:

(hierna: feit 2)

hij, op of omstreeks 7 januari 2025 te Assendelft, gemeente Zaanstad [benadeelde partij 1] heeft mishandeld door die [benadeelde partij 1] een of meerdere malen in het gezicht, althans tegen het hoofd te slaan.

2
Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Overwegingen

3
Beoordeling van het bewijs
3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde feit, te weten poging tot doodslag, op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken wegens het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet. De verdachte heeft namelijk niet bewust, maar per ongeluk het slachtoffer met het mes gestoken.

Indien de rechtbank van oordeel is dat wel sprake is van (voorwaardelijk) opzet, dan bepleit

de verdediging vrijspraak wegens het ontbreken van de aanmerkelijke kans op de

dood. Niet iedere steekverwonding in de buik veroorzaakt immers een aanmerkelijke kans op

overlijden. Hiervoor is onder meer van belang met welk voorwerp is gestoken, met hoeveel

kracht er is gestoken, welke beweging het slachtoffer heeft gemaakt en wat de locatie van het

letsel is. In dit geval is onduidelijk met welk mes is gestoken en uit het dossier blijkt onvoldoende of het letsel tot de dood zou kunnen leiden.

Tevens heeft de verdediging zich ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde, te weten zware mishandeling, vrijspraak bepleit, omdat het letsel niet gekwalificeerd kan worden als zwaar lichamelijk letsel.

De verdediging heeft zich ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde, te weten poging tot zwaar lichamelijk letsel, en het onder 2 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.3.2.

Bewijsmotivering feit 1 primair

De rechtbank ziet zich – gezien het verweer van de verdediging – voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte aangever opzettelijk met het mes heeft gestoken.

De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Uit het dossier – in het bijzonder de aangifte – volgt dat de verdachte bij de confrontatie met aangever eerst met het mes een stekende beweging naar voren maakte en vervolgens bij het passeren van aangever hem vrijwel direct éénmaal in de buik heeft gestoken. De verdachte heeft hierover ter terechtzitting verklaard dat hij aangever wilde wegjagen door eerst met het mes te wijzen. Toen aangever volgens de verdachte dichterbij kwam, heeft de verdachte aangever snel éénmaal gestoken. De rechtbank concludeert daaruit dat de verdachte bewust en gericht aangever heeft gestoken en in zijn onderbuik heeft geraakt.

Aan de rechtbank ligt vervolgens de vraag voor of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging doodslag. Voor een bewezenverklaring van poging tot doodslag is vereist dat de verdachte opzet heeft gehad op de dood van aangever. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte aangever willens en wetens heeft gestoken met de bedoeling hem te doden, waardoor naar het oordeel van de rechtbank geen sprake was van vol opzet op de dood van aangever. Om te beoordelen of de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van aangever, moet eerst worden nagegaan of het steken in de buik een aanmerkelijke kans op de dood oplevert. De vraag wanneer sprake is van die aanmerkelijke kans is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het moet gaan om een kans die volgens algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte met een mes zo groot als een hand en een derde van een onderarm in de onderbuik van aangever heeft gestoken. Zoals hierboven is overwogen, heeft dit steken bewust en gericht plaatsgevonden.

De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking dat de verdachte met enige kracht moet hebben gestoken, omdat het mes door de kleding van de aangever heen is gegaan en in zijn buik (boven de navel) een steekverwonding is geconstateerd van maximaal drie centimeter groot en 6 centimeter diep. Als gevolg van deze steekwond was sprake van een maagperforatie waardoor direct medisch ingrijpen, in de vorm van een (kijk)operatie, noodzakelijk was.

Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in de buik meerdere vitale organen bevinden, waarbij stekend geweld zoals door de verdachte heeft plaatsgevonden, tot dodelijk letsel kan leiden. Door met een mes zoals de verdachte voorhanden heeft gehad en met – gelet op de diepte van de steekwond en de perforatie van de maag – aanzienlijke kracht te steken in de buik van aangever, is de kans dat aangever daardoor fataal letsel oploopt aanmerkelijk. Dit wordt bevestigd door de letselrapportage waarin staat dat het door de verdachte met de messteek toegebrachte letsel van aangever potentieel dodelijk was en dat aldus een aanmerkelijke kans bestond dat aangever als gevolg daarvan kwam te overlijden.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de hiervoor genoemde gedraging naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht is op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte deze aanmerkelijke kans op het overlijden van aangever bewust heeft aanvaard. Van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, is de rechtbank niet gebleken.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat feit 1 primair, poging doodslag, wettig en overtuigend kan worden bewezen. Dit betekent dat de overige verweren van de verdediging verder geen bespreking behoeven.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1:

hij op 12 april 2025 te Zaandam ter uitvoering van het door de verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij 2] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes in zijn buik heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2: hij op 7 januari 2025 te Assendelft [benadeelde partij 1] heeft mishandeld door die [benadeelde partij 1] meerdere malen in het gezicht te slaan.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4
Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

onder 15-112684-25 primair: poging tot doodslag;onder 15-006042-25: mishandeling.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5
Strafbaarheid van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van het

Pro Justitia psychiatrisch onderzoeksrapport van 3 november 2025, opgesteld door

[(kinder- en jeugd) psychiater] , (kind- en jeugd)psychiater alsmede het psychologisch onderzoeksrapport van 3 november 2025, opgesteld door [GZ-psycholoog] ,

GZ-psycholoog.

Het psychiatrisch onderzoeksrapport houdt, onder meer, het volgende in.

Bij de verdachte is sprake van sociaal-emotionele onrijpheid en een functioneren op licht verstandelijk beperkt niveau. Hij heeft emotieregulatie-problematiek met als gevolg een oppositioneel-opstandige stoornis, een norm-overschrijdende gedragsstoornis en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Ook is er een ouder-kind relatieprobleem. Deze problematiek was ook aanwezig ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten en hebben passend handelen van de verdachte gehinderd. Als gevolg van de problematiek is namelijk sprake van krenking, zelfbepalend gedrag, gering empathisch vermogen, emotieregulatieproblemen en ondoordacht en impulsief handelen.

Er wordt dan ook geadviseerd om de ten laste gelegde feiten, indien bewezen, de verdachte in verminderde mate toe te rekenen.

Het psychologisch onderzoeksrapport houdt, onder meer, het volgende in.

Bij de verdachte is sprake van een verstandelijke ontwikkelingsstoornis (licht), een oppositioneel-opstandige stoornis (ernstig) en een normoverschrijdende gedragsstoornis (licht). Deze problematiek was ook aanwezig ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten. Dit heeft hem beperkt in zijn oordeels- en kritiekvermogen, het kunnen inleven in de ander en het overzien van de gevolgen. Er wordt tevens gezien dat hij moeite heeft met autoriteit en beschikt over een beperkte frustratietolerantie met onvoldoende copingsvaardigheden en gewetensfuncties. Daarbij, samenhangend met zijn cognitieve niveau, beschikte hij niet over andere handelingsalternatieven. Er wordt dan ook geadviseerd om de ten laste gelegde feiten, indien bewezen, de verdachte in verminderde mate toe te rekenen.

De rechtbank neemt deze bevindingen en conclusies van de deskundigen over en

maakt deze tot de hare. De rechtbank is op grond daarvan van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten aan de verdachte kunnen worden toegerekend, zij het in verminderde mate.

Nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte

(geheel) uitsluit, is de verdachte wel strafbaar.

6
Motivering van de sancties
6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie met aftrek van de periode die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna te noemen: PIJ-maatregel), met een proeftijd van twee jaar en onder de algemene en de bijzondere voorwaarden zoals mondeling geadviseerd door de Raad met dadelijke uitvoerbaarheid, waaronder een locatieverbod van een straal van één kilometer rondom het adres van het slachtoffer met een uitzondering van de straat [straat] – de straat waar de verdachte met zijn moeder en zussen woont – voor de duur van de proeftijd, namelijk twee jaar.

6.2.

. Standpunt van de verdediging

De verdediging stelt dat de verdachte te lang heeft vastgezeten in het kader van voorlopige hechtenis en stelt dat, gelet op de bepleite vrijspraak, een jeugddetentie van drie maanden passend is. De verdediging verzoekt de rechtbank bij het bepalen van de straf ook rekening te houden met de zwaarte van de geadviseerde voorwaarden en de leeftijd van de verdachte.

Indien de rechtbank wel tot een bewezenverklaring van poging tot doodslag komt, stelt de verdediging zich primair op het standpunt dat een voorwaardelijke jeugddetentie passend is met de door de Raad geadviseerde algemene en dadelijk uitvoerbare bijzondere voorwaarden, met aanpassing van de voorwaarden gericht op het locatieverbod en verblijf van de verdachte in een instelling. Het is namelijk van belang dat de verdachte de mogelijkheid behoudt om de woning van de moeder te bereiken, waarbij ter zitting overeenstemming is bereikt over het maken van een uitzondering voor de straat [straat] op het locatieverbod. Daarnaast is het tot op heden nog onduidelijk waar de verdachte kan verblijven na detentie, maar verblijf op een crisisplek ter overbrugging wordt niet passend geacht. Het is in het belang van de verdachte dat hij ter overbrugging van een definitieve verblijfsplek bij de vader kan verblijven.

Subsidiair stelt de verdediging dat een jeugddetentie van maximaal zes maanden en een gedragsbeïnvloedende maatregel (hierna: GBM) van maximaal één jaar passend is met de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden. Een PIJ-maatregel is namelijk een ultimum remedium en in dit geval te verstrekkend gelet op de zeer jonge leeftijd en persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Bij een GBM zal de verdachte in het geval van een terugmelding gedetineerd worden. Net als de deskundigen acht de verdediging dat onwenselijk, maar ook in detentie zal de verdachte hulpverlening en structuur geboden krijgen. De minder zware GBM is daarom te prefereren boven een voorwaardelijke PIJ-maatregel.

Meer subsidiair stelt de verdediging dat een jeugddetentie van maximaal zes maanden en een PIJ-maatregel passend is met de voornoemde voorwaarden.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de

rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de

omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van

een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

6.3.1.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft aangever [benadeelde partij 2] met een groot en scherp mes in zijn buik gestoken. Als gevolg hiervan had aangever [benadeelde partij 2] een geperforeerde maag, waarvoor een (kijk)operatie noodzakelijk was. Van geluk mag worden gesproken dat het letsel van aangever [benadeelde partij 2] – buiten toedoen van de verdachte – enigszins beperkt is gebleven. Ook geestelijk heeft het steekincident op aangever [benadeelde partij 2] grote impact gehad. Het steekincident vond vlak bij zijn woonhuis plaats, waardoor aangever [benadeelde partij 2] thuis geen rust meer kon vinden en een voortdurend gevoel van onveiligheid heeft ervaren.

Het is tot deze confrontatie gekomen, omdat [benadeelde partij 2] de verdachte aansprak op zijn gedrag en, volgens de verdachte, hem niet met rust wilde laten.

Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van aangever [benadeelde partij 1] door hem meermaals met de vuist in het gezicht te slaan. Ook deze confrontatie vond plaats vanwege iets kleins. Inmiddels gaat het blijkens de vordering benadeelde partij goed met aangever [benadeelde partij 1] , maar aangever [benadeelde partij 1] heeft onder andere een bloedneus en verkleuringen in het gezicht opgelopen.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat beide incidenten in het openbaar hebben plaatsgevonden, te weten in de straat van de aangever en in een klaslokaal. Dit zijn bij uitstek plekken waar mensen zich veilig dienen te voelen. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijk geweld nog lang negatieve gevolgen ervaren. Vanzelfsprekend heeft dit feit ook daadwerkelijk gevolgen gehad voor [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] . Uit de verklaringen blijkt namelijk dat zij nog steeds veel last hebben van de psychische gevolgen. [benadeelde partij 2] functioneert door de gebeurtenis op veel vlakken nog niet zoals voorheen wegens angst en hij was ter zitting nog zichtbaar emotioneel. [benadeelde partij 1] durfde een week lang niet naar school uit angst om de verdachte tegen te komen. Het is juist dit soort zinloos geweld, dat niet alleen bij deze aangevers, maar in de samenleving als geheel gevoelens van angst en onveiligheid oproept.

6.3.2.

De persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het strafblad van de verdachte van 10 november 2025 waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder voor een geweldsdelict is veroordeeld.

- het ook onder 5 genoemde Pro Justitia psychiatrisch onderzoeksrapport van 3 november 2025, opgesteld door [(kinder- en jeugd) psychiater] (kind- en jeugd) psychiater.

- het ook onder 5 genoemde Pro Justitia psychologisch onderzoeksrapport van 3 november 2025, opgesteld door [GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog;

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 24 november 2025 van [raadsonderzoeker] , raadsonderzoeker bij de Raad.

Uit het psychiatrisch onderzoek blijkt dat, zoals hierboven beschreven onder 5., de

verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. Uit dit onderzoek blijkt verder dat een voorwaardelijke PIJ-maatregel passend is met bijzondere voorwaarden gericht op behandeling. De kans op herhaling van gewelddadig delictgedrag wordt namelijk als hoog ingeschat wanneer de verdachte geen behandeling krijgt. De behandeling kan bestaan uit het vergroten van passende regulatie- en copingsvaardigheden, traumaonderzoek en zo nodig traumabehandeling, psycho-educatie aan de verdachte en zijn ouders, een delictanalyse en diagnostiek naar autisme. Daarnaast is passende dagbesteding, waaronder onderwijs van School2Care, en begeleiding van een IFA-coach van belang. Er wordt aanvankelijk gedacht aan ambulante behandeling in de thuissituatie. Indien dit ontoereikend blijkt, kan gekeken worden naar mogelijkheden voor behandeling in het civielrechtelijk kader, zoals een driemilieu-voorziening. Een GBM is overwogen, maar dit wordt niet passend geacht, omdat de verdachte bij het schenden van de voorwaarden gedetineerd wordt en dan de behandeling niet kan voortzetten.

De psychiater heeft hier ter zitting aan toegevoegd dat wordt geadviseerd om eerst te starten met zeer intensieve ambulante behandeling middels verblijf bij de vader, ondanks dat dit moeilijk zal worden. Indien dit niet mogelijk is om welke reden dan ook, dient gekeken te worden naar een andere optie. Een samenwerking tussen de ouders en hulpverlening zal echter wegens de taalbarrière en het wantrouwen nog moeizamer worden, indien de verdachte in een instelling verblijft. Ten aanzien van de behandeling van de verdachte vanuit de thuissituatie wordt met name School2Care passend geacht, omdat dit bestaat uit zorg en dagbesteding.

Uit het psychologisch onderzoek blijkt dat, zoals hierboven beschreven onder 5., de

verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. Uit dit onderzoek blijkt verder dat een voorwaardelijke PIJ-maatregel passend is met bijzonder voorwaarden gericht op behandeling. De kans op herhaling van gewelddadig delictgedrag wordt namelijk als hoog ingeschat wanneer de verdachte geen behandeling en begeleiding krijgt. Om tot gedragsverandering te komen is specialistische forensische behandeling noodzakelijk alsmede een onderwijszorglocatie zoals School2Care met begeleiding door een IFA-coach. Het voorgestelde behandeladvies biedt de gelegenheid tot ambulante behandeling binnen een gestructureerde setting, waarbij ouders deels ontlast worden. Specialistische behandeling is nodig voor procesdiagnostiek om zo meer inzicht te krijgen in de onderliggende problematiek en welke behandeling eventueel noodzakelijk is. De individuele behandeling kan zich verder richten op het versterken van de coping en emotieregulatie, het uitbreiden van de oplossingsvaardigheden en een delictanalyse ten behoeve van terugvalpreventie. Voorstelbaar is dat dit (behandel)proces in kleine stappen verloopt gelet op het risico op overvraging. Een GBM is overwogen, maar wordt niet passend geacht, omdat bij het schenden van de voorwaarden de verdachte gedetineerd wordt en dan geen behandeling kan volgen.

De psycholoog heeft hier ter zitting aan toegevoegd dat het geadviseerde behandelplan het meest intensieve plan is wat mogelijk is vanuit de thuissituatie. Bij School2Care is namelijk sprake van een intensief avond- en dagprogramma. Daarnaast is het van belang dat de ouders meegenomen worden in de behandeling, zodat de verdachte er het meest van kan profiteren. De ouders erkennen ook de zorgen en achten behandeling voor de verdachte noodzakelijk. Indien behandeling vanuit de thuissituatie toch niet mogelijk blijkt, kan gekeken worden naar een vervolgstap.

Met de conclusies van deze rapportages kan de rechtbank zich gedeeltelijk verenigen.

De Raad sluit (gedeeltelijk) aan bij de voornoemde rapportages en heeft schriftelijk geadviseerd tot oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis en een voorwaardelijke PIJ-maatregel onder de algemene en – dadelijk uitvoerbare – bijzondere voorwaarden dat de verdachte verblijft op een (behandel)groep, passende dagbesteding en/of scholing heeft, enkel naar buiten gaat onder begeleiding, zich houdt aan een contactverbod met de slachtoffers, zich houdt aan een locatieverbod voor de woning van de moeder, meewerkt aan een IFA-coach en meewerkt aan behandeling van De Waag gericht op psycho-educatie, regulatie- en coping-vaardigheden en een traumaonderzoek.

De nadruk ligt op behandeling, omdat de kans op herhaling van gewelddadig gedrag groot is zonder behandeling. Er is een GBM overwogen, maar dit wordt niet passend geacht omdat het van belang is dat de behandeling wordt voortgezet en niet wordt onderbroken door jeugddetentie. Anders dan de voornoemde deskundige, acht de Raad het echter passend als de verdachte op een groep verblijft in plaats van bij een van de ouders. Hier kunnen hem meer duidelijkheid, regels en grenzen geboden worden, waar hij baat bij heeft. Er wordt gedacht aan een driemilieu-voorziening, Gripzorg of Multi Plus Zorg. Tot slot adviseert de Raad om de gecertificeerde instelling de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering aan te wijzen als instelling om de jeugdreclassering uit te voeren, nu dit beter aansluit bij de behoefte van de verdachte.

De Raad heeft ter zitting aan het raadsrapport toegevoegd dat alle noodzakelijke hulpverlening is geregeld, maar nog niet kan starten wegens de onduidelijkheid over zijn verblijfsplek. Zoals is gebleken uit het rapport, acht de Raad verblijf bij de vader niet passend omdat hij de verdachte geen structuur, regels en grenzen kan bieden. Daarbij komt dat sprake is van een taalbarrière waardoor de vader niet goed in contact komt met de hulpverlening. In de thuissituatie is al veel geprobeerd middels inzet van (intensieve) hulpverlening, maar de zorgen over het gezinssysteem blijven bestaan. De verdachte is ook belast met complexe problematiek, waardoor hij extra aandacht en behandeling nodig heeft. Het is dan ook van belang dat de vader eerst hulpverlening krijgt en dit ook accepteert. Vanuit het verblijf van de verdachte op een groep kan gekeken worden of toegewerkt kan worden naar verblijf bij de vader.

Ten aanzien van de plaatsing van de verdachte wordt gezien dat Gripzorg het meest passend is, maar dit is vooralsnog niet mogelijk wegens financieringsproblemen. Er wordt daarom gekeken naar Multi Plus Zorg, ook al is dit niet geheel passend. Wel is hoogstwaarschijnlijk mogelijk dat de verdachte ter overbrugging bij Gripzorg kan verblijven.

Namens de jeugdreclassering is ter zitting naar voren gebracht dat er nog onduidelijkheid is over de verblijfplek van de verdachte. Er zal een kennismaking plaatsvinden met Multi Plus Zorg. Daarna zal pas worden gekeken of Multi Plus Zorg een intake wil inplannen. Daarbij komt dat er daar nog geen plek beschikbaar is. Gripzorg heeft wel per direct plek en kan ter overbrugging een plek bieden. Dit dient echter nog goedgekeurd te worden door de gemeente. Vanuit verblijf in een instelling kan de verdachte stapsgewijs wennen en werken naar een terugkeer naar huis.

6.3.3.

De op te leggen sancties

In zijn algemeenheid geldt als uitgangspunt dat bij ernstige strafbare feiten zoals

een poging tot doodslag, een vrijheidsbenemende straf passend en geboden is.

Bij oplegging van de straf houdt de rechtbank in het bijzonder rekening met het feit dat de

verdachte 250 dagen in voorarrest heeft gezeten. De rechtbank houdt ook rekening met het dubbel persoonlijkheidsonderzoek, waaruit onder andere is gebleken dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. Tevens houdt de rechtbank rekening met het advies van de Raad en de geadviseerde voorwaarden.

Alles afwegende ziet de rechtbank geen reden om in dit geval van het uitgangspunt en de eis van de officier van justitie af te wijken. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie van 250 dagen moet worden opgelegd, met aftrek van de periode die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De intentie van de rechtbank daarbij is dat de verdachte niet zal hoeven terugkeren naar een justitiële jeugdinrichting voor de veroordeling van deze feiten.

Daarnaast stelt de rechtbank vast dat het – onder 1 primair – gepleegde feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, te weten poging tot doodslag. Op grond van wat de psycholoog, de psychiater en de jeugdreclassering in hun rapporten vermelden is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van de misdrijven een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en daarnaast de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een PIJ-maatregel eisen. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

De rechtbank zal echter bepalen dat deze maatregel vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren opdat de verdachte er voor het einde van die proeftijd van wordt weerhouden strafbare feiten te begaan.

De rechtbank zal daarbij bepalen dat de verdachte zich gedurende de proeftijd dient te houden aan de hierna te noemen bijzondere voorwaarden, waaronder verblijf bij Multi Plus Zorg of Gripzorg, het hebben van dagbesteding zoals School2Care, meewerken aan een IFA-coach, volgen van behandeling bij De Waag, een contactverbod met de slachtoffers en locatieverbod rondom de woning van het slachtoffer.

Ten aanzien van de bijzondere voorwaarde gericht op het verblijf van de verdachte merkt de rechtbank op dat uit de adviezen van de deskundigen is gebleken dat zeer intensieve behandeling noodzakelijk is, wat indien mogelijk geboden dient te worden in de thuissituatie. De Raad en de jeugdreclassering hebben echter gemotiveerd dat dit vooralsnog niet mogelijk is wegens de problematiek van de verdachte en de complexe gezinssituatie. Het is van belang dat het behandelproces stapsgewijs verloopt wegens het risico op overvraging van de verdachte. Anders dan de psychiater en de psycholoog is de rechtbank dan ook van oordeel dat het noodzakelijk is dat de verdachte elders dient te verblijven, waar de verdachte en zijn vader ter zitting ook mee hebben ingestemd. Gebleken is dat Gripzorg het meest aansluit bij de behoefte en problematiek van de verdachte, maar dat het enige beletsel hierbij de financieringsproblemen zijn. Er wordt daarom nog gepoogd om te onderzoeken of een plaatsing bij Multi Plus Zorg mogelijk is. Indien dit niet mogelijk blijkt acht de rechtbank het echter niet in het belang van de verdachte dat hij (ter overbrugging) bij een andere soortgelijke instelling verblijft, omdat inmiddels is gebleken dat er een passende instelling is, te weten Gripzorg. De verdachte zal dus geplaatst moeten worden bij Gripzorg en anders bij Multi Plus Zorg.

Ten aanzien van het locatieverbod overweegt de rechtbank als volgt. Gebleken is dat de woning van slachtoffer [benadeelde partij 2] en de woning van de moeder van de verdachte – waar de verdachte tot zijn detentie woonde – in dezelfde wijk liggen. Het is voorstelbaar dat het slachtoffer na de traumatische ervaring met de verdachte bang is om met hem in contact te komen en/of hem te treffen. De rechtbank acht het van belang dat de verdachte op geen enkele wijze contact zoekt of heeft met beide aangevers en dat hij zich niet binnen het gebied begeeft dat wordt begrensd door de in het dictum te noemen straten. Dit gebied betreft namelijk de wijk waar aangever [benadeelde partij 2] woont. De rechtbank ziet vanwege de leeftijd van de verdachte wel aanleiding om een uitzondering te maken op dit verbod, zodat de verdachte de mogelijkheid behoudt om de woning van zijn moeder te bereiken. Ter zitting hebben de verdediging en de raadsvrouw van aangever [benadeelde partij 2] ingestemd met het voorstel dat de verdachte zich via de straat [straat] naar zijn moeder begeeft. Gelet hierop zal de rechtbank vaststellen dat de verdachte zich naar (en van) de woning van zijn moeder mag begeven via de volgende route/straten: [straat] , [straat] , [straat] en [straat] . Gelet op het feit dat het locatieverbod een verstrekkende maatregel is acht de rechtbank een maximale duur van één jaar passend.

6.3.4.

Dadelijk uitvoerbaarheid

De rechtbank zal bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht

dadelijk uitvoerbaar zijn. De verdachte heeft zich namelijk schuldig gemaakt aan een

misdrijf dat is gericht tegen, en gevaar veroorzaakt voor, de onaantastbaarheid van het

lichaam van een persoon, te weten een poging tot doodslag.

De rechtbank is, mede gelet op wat uit het raadsrapport en psychologisch onderzoek blijkt

over de kans op herhaling zonder behandeling, van oordeel dat zonder de voorwaarden er

ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk

misdrijf zal begaan.

6.3.5.

Voorlopige hechtenis

Omdat de duur van de op te leggen jeugddetentie gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal de rechtbank het bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

7
Vordering benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
7.1.

Benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 12.020,75 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit de materiële schade te weten:

verblijf ziekenhuis € 190,00;

huisapotheek € 50,00;

reiskosten € 332,57;

beschadigde kleding € 149,98;

eigen risico € 885,00;

psychomotorische therapie € 70,00;

gederfde inkomsten € 1.843,20;

en uit de immateriële schade van € 8.500,00.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzen van de vordering tot

schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de

schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit om de materiële schade betreffende de gederfde inkomsten af te wijzen wegens onvoldoende onderbouwing. Tevens heeft hij bepleit om de immateriële schade te beperken tot een bedrag van € 5.000,00 gelet op vergelijkbare jurisprudentie.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. Ten aanzien van de betwiste schade bestaande uit de gederfde inkomsten (€ 1.843,20) stelt de rechtbank dat sprake is van een verklaring van de werkgever van de verdachte. De rechtbank ziet geen reden om hieraan te twijfelen.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte met een mes in de buik van de benadeelde partij heeft gestoken. De benadeelde partij heeft daardoor een maagperforatie opgelopen en is hier met spoed aan geopereerd. Blijkens de toelichting in de vordering heeft de benadeelde partij ten gevolge van dit handelen van de verdachte angstklachten en ondergaat hij op dit moment intensieve traumatherapie. De benadeelde partij is nog immer niet in staat om zijn werk als docent volledig op te pakken. De rechtbank is van oordeel dat het gestelde geestelijk letsel dat door het bewezenverklaarde is opgetreden, valt onder het bereik van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

De rechtbank begroot deze immateriële schade naar billijkheid op het bedrag van € 5.000,00 en zal de gevorderde immateriële schade tot dat bedrag toewijzen. Daarbij heeft de rechtbank gekeken naar de Rotterdamse Schaal bij diepe steekwonden in het spijsverteringssysteem (4.7a, III).

De rechtbank zal de benadeelde partij voor wat betreft de overige immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering aanbrengen bij de civiele rechter.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 15/112684-25 bewezen verklaarde

handelen [kort gezegd: poging tot doodslag] aanleiding om bij de vordering van de

benadeelde partij [benadeelde partij 2] de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

7.2.

Benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van

€ 430,00 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot

schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de

schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit de immateriële schade te matigen tot € 200,00.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte meerdere malen in het gezicht van de benadeelde partij heeft geslagen. De benadeelde partij heeft zo’n vier dagen last gehad van een pijnlijke, rode en opgezwollen neus. Daarbij heeft de benadeelde partij gedurende een week hoofdpijn gehad. De rechtbank is van oordeel dat het gestelde geestelijk letsel dat door het bewezenverklaarde is opgetreden, valt onder het bereik van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW. De rechtbank begroot deze immateriële schade naar billijkheid op het verzochte bedrag van € 430,00 en zal de gevorderde immateriële schade tot dat bedrag toewijzen.

Het toe te wijzen bedrag van € 430,00 zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij

heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden

door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 15/006042-25 bewezen verklaarde

handelen [kort gezegd: mishandeling] aanleiding om bij de vordering van de

benadeelde partij [benadeelde partij 1] de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8
Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 13 januari 2025 in de zaak met parketnummer 15/324351-24 heeft de kinderrechter van rechtbank Noord-Holland te Haarlem de verdachte ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, mishandeling, eenvoudige belediging van een ambtenaar en opzettelijk niet voldoen aan een bevel gegeven door een ambtenaar, veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 40 uren. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit alsmede bijzondere voorwaarden.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op

3 februari 2025 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 28 januari 2025 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie, te weten 16 mei 2025, niet geëindigd.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.

De verdediging heeft primair verzocht om afwijzing van de vordering van de officier van justitie wegens de zwaarte van de straf. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om de proeftijd te verlengen en meer subsidiair heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte een consequentie dient te ervaren wegens het niet naleven van de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De rechtbank acht het echter niet in het belang van de verdachte dat de voorwaardelijke straf ten uitvoer wordt gelegd gelet op de inhoud van de opgelegde bijzondere voorwaarden in het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel. De rechtbank zal daarom de vordering van de officier van justitie afwijzen en de proeftijd van de bij voornoemd vonnis opgelegde voorwaardelijke werkstraf verlengen met de duur van één jaar.

9
Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36f, 45, 63, 77a, 77g, 77i, 77s, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 287, 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

10
Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder zaaknummer 15/112684-25 (feit 1) primair en onder zaaknummer 15/006042-25 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder zaaknummer 15/112684-25 (feit 1) primair en onder zaaknummer 15/006042-25 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van tweehonderdvijftig (250) dagen.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten tweehonderdvijftig (250) dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, met bevel dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren;

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

zich zal melden bij de jeugdreclassering van de gecertificeerde instelling de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering gevestigd [adres] , op de door de jeugdreclassering te bepalen tijden en plaatsen, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

zal verblijven bij Multi Plus Zorg of Gripzorg;

zal meewerken aan passende dagbesteding en/of scholing zoals School2Care of een andere door de jeugdreclassering passend geachte dagbesteding;

zal meewerken met een IFA-coach van Levvel, zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;

zich verplicht onder behandeling zal stellen van De Waag of een soortgelijke instelling, gericht op passende regulatie- en copingsvaardigheden, psycho-educatie voor zijn problematiek, trauma-onderzoek en indien nodig traumabehandeling, zolang de jeugdreclassering dit in samenspraak met De Waag nodig acht;

enkel naar buiten zal gaan onder begeleiding van groepsleiding of een door de jeugdreclassering goedgekeurde volwassene, voor maximaal zes maanden en zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;

op geen enkele wijze direct of indirect contact zal opnemen, zoeken of hebben

met slachtoffers [benadeelde partij 2] , geboren op [geboortedatum] en [benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedatum] , zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;

- dat de verdachte zich niet bevindt in een deel van de wijk [wijk] te [plaats] , waarin de woning van het slachtoffer [benadeelde partij 2] is gelegen en dat wordt begrensd door de straten: [straat] , [straat] , [straat] , met uitzondering van die straten en de straten: [straat] , [straat] en [straat] , voor maximaal één jaar, zolang de jeugdreclassering dit nodig acht.

Geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering gevestigd [adres] , een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het

vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer

vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de

identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het

reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het

Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich

melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit

noodzakelijk acht.

Beveelt dat de op grond van artikel 77z Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel

77aa van die wet uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] geleden schade tot een bedrag van € 8.520,75, bestaande uit € 3.520,75 voor de materiële en € 5.000,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden

begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 8.520,75, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot

betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting

tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] geleden immateriële schade tot een bedrag van € 430,00, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden

begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 430,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot

betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting

tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/324351-24 en verlengt de proeftijd van de voorwaardelijke werkstraf voor de duur van veertig (40) uren, opgelegd bij vonnis van de kinderrechter van rechtbank Noord-Holland te Haarlem van 13 januari 2025 met de duur van één jaar.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.K. Mireku, voorzitter,

mr. F.W. van Dongen en mr. I.A. Groenendijk, allen (kinder)rechter,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. K.D. Warmerdam,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 december 2025.

Mr. I.A. Groenendijk is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.