RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie & Jeugd
Locatie Haarlem
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 15/112684-25, 15/006042-25 en 15/324351-24 (tul)
Uitspraakdatum: 18 december 2025
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 4 december 2025 in de zaak tegen:
[de verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ( [land] ),
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,
thans gedetineerd te Forensisch Centrum [Forensisch Centrum] te [plaats] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
[officier van justitie] en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. J.T.H.M. Mühren, kantoorhoudende te Purmerend, naar voren hebben gebracht.
Ook waren aanwezig [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [vertegenwoordiger van de GI] , namens de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, en [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] (hierna: de jeugdreclassering) en [de gezinsvoogd] (hierna: de gezinsvoogd), namens de gecertificeerde instelling het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering.
Tevens waren als deskundigen aanwezig [(kinder- en jeugd) psychiater] , als (kinder- en jeugd) psychiater en [GZ-psycholoog] , als GZ-psycholoog.
Verder waren aanwezig de vader en de zus van de verdachte.
Tot slot was aanwezig [vertegenwoordiger benadeelde partij 1] , namens benadeelde partij [benadeelde partij 1] , en [benadeelde partij 2] , als benadeelde partij, bijgestaan door zijn partner en mr. A.M. Wolf.
Aan de verdachte is onder 15-112684-25 ten laste gelegd dat:
(hierna: feit 1)
hij op of omstreeks 12 april 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij 2] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes, althans een scherp voorwerp, in zijn buik, althans het (boven)lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 12 april 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad, aan [benadeelde partij 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een steekwond in zijn buik (ter hoogte van zijn maag) en/of een wond in de maagwand, heeft toegebracht door met een mes, althans een scherp voorwerp, in zijn buik, althans het (boven)lichaam te steken;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 12 april 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes, althans een scherp voorwerp, in zijn buik, althans het (boven)lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Aan de verdachte is onder 15-006042-25 ten laste gelegd dat:
(hierna: feit 2)
hij, op of omstreeks 7 januari 2025 te Assendelft, gemeente Zaanstad [benadeelde partij 1] heeft mishandeld door die [benadeelde partij 1] een of meerdere malen in het gezicht, althans tegen het hoofd te slaan.
5
Strafbaarheid van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van het
Pro Justitia psychiatrisch onderzoeksrapport van 3 november 2025, opgesteld door
[(kinder- en jeugd) psychiater] , (kind- en jeugd)psychiater alsmede het psychologisch onderzoeksrapport van 3 november 2025, opgesteld door [GZ-psycholoog] ,
GZ-psycholoog.
Het psychiatrisch onderzoeksrapport houdt, onder meer, het volgende in.
Bij de verdachte is sprake van sociaal-emotionele onrijpheid en een functioneren op licht verstandelijk beperkt niveau. Hij heeft emotieregulatie-problematiek met als gevolg een oppositioneel-opstandige stoornis, een norm-overschrijdende gedragsstoornis en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Ook is er een ouder-kind relatieprobleem. Deze problematiek was ook aanwezig ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten en hebben passend handelen van de verdachte gehinderd. Als gevolg van de problematiek is namelijk sprake van krenking, zelfbepalend gedrag, gering empathisch vermogen, emotieregulatieproblemen en ondoordacht en impulsief handelen.
Er wordt dan ook geadviseerd om de ten laste gelegde feiten, indien bewezen, de verdachte in verminderde mate toe te rekenen.
Het psychologisch onderzoeksrapport houdt, onder meer, het volgende in.
Bij de verdachte is sprake van een verstandelijke ontwikkelingsstoornis (licht), een oppositioneel-opstandige stoornis (ernstig) en een normoverschrijdende gedragsstoornis (licht). Deze problematiek was ook aanwezig ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten. Dit heeft hem beperkt in zijn oordeels- en kritiekvermogen, het kunnen inleven in de ander en het overzien van de gevolgen. Er wordt tevens gezien dat hij moeite heeft met autoriteit en beschikt over een beperkte frustratietolerantie met onvoldoende copingsvaardigheden en gewetensfuncties. Daarbij, samenhangend met zijn cognitieve niveau, beschikte hij niet over andere handelingsalternatieven. Er wordt dan ook geadviseerd om de ten laste gelegde feiten, indien bewezen, de verdachte in verminderde mate toe te rekenen.
De rechtbank neemt deze bevindingen en conclusies van de deskundigen over en
maakt deze tot de hare. De rechtbank is op grond daarvan van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten aan de verdachte kunnen worden toegerekend, zij het in verminderde mate.
Nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte
(geheel) uitsluit, is de verdachte wel strafbaar.
8
Vordering tot tenuitvoerlegging
Bij vonnis van 13 januari 2025 in de zaak met parketnummer 15/324351-24 heeft de kinderrechter van rechtbank Noord-Holland te Haarlem de verdachte ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, mishandeling, eenvoudige belediging van een ambtenaar en opzettelijk niet voldoen aan een bevel gegeven door een ambtenaar, veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 40 uren. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit alsmede bijzondere voorwaarden.
De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op
3 februari 2025 aan de verdachte toegezonden.
De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 28 januari 2025 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie, te weten 16 mei 2025, niet geëindigd.
De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.
De verdediging heeft primair verzocht om afwijzing van de vordering van de officier van justitie wegens de zwaarte van de straf. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om de proeftijd te verlengen en meer subsidiair heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte een consequentie dient te ervaren wegens het niet naleven van de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De rechtbank acht het echter niet in het belang van de verdachte dat de voorwaardelijke straf ten uitvoer wordt gelegd gelet op de inhoud van de opgelegde bijzondere voorwaarden in het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel. De rechtbank zal daarom de vordering van de officier van justitie afwijzen en de proeftijd van de bij voornoemd vonnis opgelegde voorwaardelijke werkstraf verlengen met de duur van één jaar.
Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder zaaknummer 15/112684-25 (feit 1) primair en onder zaaknummer 15/006042-25 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de onder zaaknummer 15/112684-25 (feit 1) primair en onder zaaknummer 15/006042-25 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van tweehonderdvijftig (250) dagen.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten tweehonderdvijftig (250) dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, met bevel dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren;
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
zich zal melden bij de jeugdreclassering van de gecertificeerde instelling de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering gevestigd [adres] , op de door de jeugdreclassering te bepalen tijden en plaatsen, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;
zal verblijven bij Multi Plus Zorg of Gripzorg;
zal meewerken aan passende dagbesteding en/of scholing zoals School2Care of een andere door de jeugdreclassering passend geachte dagbesteding;
zal meewerken met een IFA-coach van Levvel, zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
zich verplicht onder behandeling zal stellen van De Waag of een soortgelijke instelling, gericht op passende regulatie- en copingsvaardigheden, psycho-educatie voor zijn problematiek, trauma-onderzoek en indien nodig traumabehandeling, zolang de jeugdreclassering dit in samenspraak met De Waag nodig acht;
enkel naar buiten zal gaan onder begeleiding van groepsleiding of een door de jeugdreclassering goedgekeurde volwassene, voor maximaal zes maanden en zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
op geen enkele wijze direct of indirect contact zal opnemen, zoeken of hebben
met slachtoffers [benadeelde partij 2] , geboren op [geboortedatum] en [benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedatum] , zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
- dat de verdachte zich niet bevindt in een deel van de wijk [wijk] te [plaats] , waarin de woning van het slachtoffer [benadeelde partij 2] is gelegen en dat wordt begrensd door de straten: [straat] , [straat] , [straat] , met uitzondering van die straten en de straten: [straat] , [straat] en [straat] , voor maximaal één jaar, zolang de jeugdreclassering dit nodig acht.
Geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering gevestigd [adres] , een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het
vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer
vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het
reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het
Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich
melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit
noodzakelijk acht.
Beveelt dat de op grond van artikel 77z Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel
77aa van die wet uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] geleden schade tot een bedrag van € 8.520,75, bestaande uit € 3.520,75 voor de materiële en € 5.000,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden
begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 8.520,75, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot
betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting
tot betaling aan de benadeelde partij.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] geleden immateriële schade tot een bedrag van € 430,00, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden
begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 430,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot
betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting
tot betaling aan de benadeelde partij.
Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/324351-24 en verlengt de proeftijd van de voorwaardelijke werkstraf voor de duur van veertig (40) uren, opgelegd bij vonnis van de kinderrechter van rechtbank Noord-Holland te Haarlem van 13 januari 2025 met de duur van één jaar.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.K. Mireku, voorzitter,
mr. F.W. van Dongen en mr. I.A. Groenendijk, allen (kinder)rechter,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. K.D. Warmerdam,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 december 2025.
Mr. I.A. Groenendijk is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.