Rechtbank Noord-Holland, eerste aanleg - meervoudig strafprocesrecht

ECLI:NL:RBNHO:2026:7370

Op 19 March 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafprocesrecht, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 15/396121-24, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNHO:2026:7370. De plaats van zitting was Haarlem.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
15/396121-24
Datum uitspraak:
19 March 2026
Datum publicatie:
19 June 2026

Indicatie

Meervoudige kamerjeugdstrafzaken. gekwalificeerde verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren. geen straf of maatregel.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd

Locatie Haarlem

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer: 15/396121-24

Uitspraakdatum: 19 maart 2026

Tegenspraak

Vonnis (P)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 5 maart 2026 in de zaak tegen:

[de verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

[officier van justitie] en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. N. Harlequin, kantoorhoudende te ’s-Gravenhage, naar voren hebben gebracht.

Ook was aanwezig [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming

(hierna: de Raad).

Verder was aanwezig de vader van de verdachte.

Tot slot was aanwezig de benadeelde partij [de benadeelde partij] , bijgestaan door haar advocaat, mr. A.M. Buitenhuis, advocaat te Nieuw-Vennep, en haar ouders en begeleider van Pluryn.

1
Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te Haarlem, in elk geval in Nederlandmet een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [de benadeelde partij]een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten- het brengen en of houden van zijn, verdachtes penis in de mond van die [de benadeelde partij] en het zich door die [de benadeelde partij] laten pijpenen welke verkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door het hoofd van die [de benadeelde partij] naar zijn, verdachtes, penis te duwen/brengen en het hoofd van die [de benadeelde partij] bij zijn, verdachtes penis te houden door tijdens het pijpen op het hoofd van die [de benadeelde partij] te blijven duwen.

2
Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Overwegingen

3
Beoordeling van het bewijs
3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De feiten en omstandigheden kunnen op basis van de bewijsmiddelen in het dossier onvoldoende worden vastgesteld. De verdachte en het slachtoffer hebben tegenstrijdige verklaringen en de verklaring van het slachtoffer dat de seksuele handelingen zonder wederzijdse instemming en met dwang hebben plaatsgevonden vindt onvoldoende steun in het dossier. De getuigenverklaring van [de getuige] is niet gedetailleerd en zij kan niet verklaren welke feitelijke handelingen er tussen de verdachte en het slachtoffer hebben plaatsgevonden. Daarnaast kan het spraakbericht dat de verdachte naderhand naar het slachtoffer heeft gestuurd op meerdere manieren geïnterpreteerd worden. Tot slot maken de waargenomen emoties van het slachtoffer haar verklaring niet betrouwbaarder, nu deze emoties veroorzaakt kunnen zijn door verschillende factoren.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.3.3

Bewijsmotivering

Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het gegeven dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen; het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Dat is ook in deze zaak het geval.

Betrouwbaarheid verklaring slachtoffer De eerste vraag die de rechtbank, gelet op het verweer van de verdediging, dient te

beantwoorden is of de verklaring van het slachtoffer als betrouwbaar, geloofwaardig en consistent aangemerkt kan worden. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Het slachtoffer heeft namelijk kort na het ten laste gelegde feit tijdens

het verhoor bij de politie als ook ruim een jaar later tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris een uitgebreide verklaring afgelegd. Daarbij heeft zij eenduidig, gedetailleerd en consistent verklaard over het algehele verloop van die avond alsmede de feiten en omstandigheden waaronder de seksuele handelingen — zoals die ook zijn ten laste gelegd — hebben plaatsgevonden.

Steunbewijs De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of voldaan is aan het

bewijsminimum, zoals bepaald in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van

Strafvordering (hierna: Sv). Anders gezegd: is er voldoende steunbewijs ter ondersteuning

van de beschuldiging van het slachtoffer. In een zedenzaak als de onderhavige, is niet vereist dat de ontuchtige handelingen waarover het slachtoffer verklaart als zodanig bevestiging

vinden in andere bewijsmiddelen, maar is het afdoende dat die verklaring op bepaalde punten

bevestigd wordt door andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron. Deze

bewijsmiddelen dienen voldoende steun te geven aan de verklaring van het slachtoffer. Dat

wil zeggen dat het steunbewijs op relevante wijze in verband dient te staan met de inhoud

van de verklaring van het slachtoffer, zodat die verklaring niet op zichzelf staat, maar als het

ware is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron. Bovendien

mag er niet een te ver verwijderd verband bestaan tussen de verklaringen van het slachtoffer

en het overige gebruikte bewijsmateriaal.

Zoals eerder overwogen heeft het slachtoffer kort nadat het feit heeft plaatsgevonden een uitgebreide verklaring afgelegd. Uit haar verklaring blijkt het volgende. Het slachtoffer is door de verdachte opgehaald en zij zijn vervolgens naar het huis van de verdachte gegaan, die alleen thuis was. De verdachte en het slachtoffer hebben samen een film gekeken op de bank en gezoend. Op enig moment heeft de verdachte zijn shirt uitgetrokken. De verdachte heeft de film gepauzeerd en is voor het slachtoffer gaan staan, die nog op de bank zat, waarna hij zijn broek uittrok. Het slachtoffer gaf aan dat zij er niet klaar voor was om seksuele handelingen met hem te verrichten en dit niet wilde. Vervolgens begon de verdachte haar opnieuw te zoenen en deed een condoom om. De verdachte pakte hierna het hoofd van het slachtoffer, duwde die naar zijn penis en heeft haar gedwongen hem te pijpen. Het slachtoffer heeft meermaals aangegeven dit niet te willen en duwde steeds de hand van de verdachte weg. De verdachte hield echter haar hoofd vast en bleef erop duwen, waardoor zij gedwongen werd om door te gaan. Op enig moment is het slachtoffer gestopt en weggelopen naar de tuin. Kort daarna is zij weggegaan.

Deze verklaring vindt allereerst steun in de verklaring van getuige [de getuige] , die het slachtoffer dezelfde nacht kort na het feit nog heeft gezien en gesproken. Het slachtoffer vertelde haar dat de verdachte iets tegen haar zin had gedaan en dat ze had gezegd dat ze dit niet wilde. De getuige heeft omschreven dat het slachtoffer helemaal van slag was. Het slachtoffer beefde, viel de getuige gelijk in de armen en begon te huilen.

Verder vindt de verklaring van het slachtoffer steun in het proces-verbaal van bevindingen waarin het geluidsfragment is uitgewerkt dat de verdachte dezelfde nacht kort na het feit via Snapchat naar het slachtoffer heeft gestuurd. Hierin zegt de verdachte dat hij hoopt dat het niet te kut was voor haar en biedt zijn excuses aan voor als het te veel was.

Daarnaast vindt de verklaring van het slachtoffer steun in de verklaring van de verdachte ter zitting dat hij door haar is gepijpt.

Conclusie Gelet op voorgaande bevat het procesdossier naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldoende steunbewijs voor de verklaring van het slachtoffer.

Het door de verdediging gestelde verweer dat geen sprake is geweest van dwang is een

bewijsverweer dat door de inhoud van de verklaring van het slachtoffer, die de rechtbank in

volle omvang tot uitgangspunt neemt, wordt weerlegd. De rechtbank ziet geen

aanleiding voor twijfel op deze specifieke punten van haar verklaring.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat wat de verdachte ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen verklaard kan worden.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 31 augustus 2024 te Haarlem, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [de benadeelde partij]seksuele handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten- het brengen en houden van zijn, verdachtes penis in de mond van die [de benadeelde partij] en het zich door die [de benadeelde partij] laten pijpenen welke verkrachting werd voorafgaan door en vergezeld van dwang, door het hoofd van die [de benadeelde partij] naar zijn, verdachtes, penis te duwen en het hoofd van die [de benadeelde partij] bij zijn, verdachtes penis te houden door tijdens het pijpen op het hoofd van die [de benadeelde partij] te blijven duwen.

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4
Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

gekwalificeerde verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5
Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6
Motivering van de sanctie
6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie van vier maanden met een proeftijd van één jaar onder de algemene voorwaarde dat hij geen strafbaar feit mag plegen en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad.

6.2.

Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, als de rechtbank tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit komt, de verdachte schuldig verklaard dient te worden zonder oplegging van straf of maatregel gelet op zijn persoonlijke omstandigheden.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Inleiding

Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de

rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de

omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van

een en ander uit de raadsrapportage en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

In het bijzonder overweegt de rechtbank dat de verdachte een kwetsbaar 14-jarig meisje heeft gedwongen tot seksuele handelingen die zij niet wilde. De verdachte heeft zijn broek uitgetrokken, is voor haar gaan staan en heeft haar gedwongen hem te pijpen door haar hoofd naar zijn geslachtsdeel te brengen en daar te houden. Het slachtoffer heeft meermaals aangegeven dit niet te willen en zijn hand geprobeerd weg te duwen. Het is uiteindelijk door het slachtoffer zelf op enig moment gestopt. De verdachte heeft hiermee een inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. Dit soort feiten brengen, zeker aan minderjarigen die nog aan het begin van hun seksuele ontwikkeling staan, grote schade toe waar zij nog lang last van hebben. Dat dit grote impact op het slachtoffer heeft, blijkt uit de schriftelijke en mondelinge onderbouwing van haar verzoek om schadevergoeding. Hieruit blijkt dat haar leven sinds dit feit niet meer hetzelfde is als voorheen en dat zij psychische en lichamelijke problemen heeft. Zij krijgt de hulpverlening die zij nodig heeft.

Persoonlijke omstandigheden

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, van 20 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte een first offender is.

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 3 maart 2026 van [raadsonderzoeker] en [raadsonderzoeker] , raadsonderzoekers bij de Raad.

De Raad heeft in het raadsrapport geadviseerd tot oplegging van een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf, onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit en onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte dagbesteding en/of onderwijs volgt volgens rooster alsmede meewerkt aan hulpverlening gericht op schoolgang, sociale interacties/relaties en het verwerken van negatieve gebeurtenissen vanuit Levvel (IPA) of een soortgelijke instelling. De Raad heeft voor dit advies redengevend geacht dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit en dat sprake is van een laag recidiverisico. Er zijn in die zin dan ook geen grote zorgen over de verdachte. Wel zijn er zorgen over wat de verdachte sinds het ten laste gelegde heeft meegemaakt. Zo is hij in [plaats] meermaals bedreigd, opgewacht en uitgescholden door groepen jongeren. Daarnaast zijn er vernederende video’s van de verdachte gemaakt en rondgestuurd. Ook is hij op school omsingeld door een grote groep jongeren die zijn pet in brand hebben gestoken. Dit alles heeft grote impact op zijn leven. De verdachte komt nauwelijks meer in het centrum van [plaats] en hij heeft zijn gymnasiumopleiding niet kunnen voltooien en is een opleiding op mbo-niveau gaan volgen. Inmiddels doet hij een mbo-opleiding, maar hier verschijnt hij nauwelijks. Daarnaast zijn er zorgen over het (ontbrekende) contact tussen de verdachte en zijn moeder. Tenslotte maakt de Raad zich zorgen dat deze gebeurtenissen ervoor hebben gezorgd dat de verdachte een andere kijk heeft op relaties met vrouwen.

De Raad heeft dit advies ter zitting gehandhaafd.

Conclusie Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat in verband met de persoonlijkheid en de omstandigheden van de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Uit het raadsrapport en het verhandelde ter zitting is namelijk gebleken dat de verdachte eveneens een zeer kwetsbare minderjarige is die onder toezicht staat van de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers vanwege zijn zorgelijke thuissituatie. De verdachte heeft geen contact meer met zijn moeder omdat er in de thuissituatie bij de moeder sprake was van verbale en fysieke agressie.Daar komt bij dat is gebleken dat de verdenking van dit feit al flinke impact heeft gehad op (het leven van) de verdachte. Op straat wordt hij herkend en uitgescholden en hij is meermaals opgewacht en bedreigd, onder andere door het tonen van een mes. Ook is zijn pet op school verbrand door een grote groep jongeren die hem heeft omsingeld en is hij gedwongen om vernederende video’s op te nemen die vervolgens zijn verspreid. Door voornoemde incidenten durft de verdachte niet meer in [plaats] op straat te komen. Dit heeft ook gevolgen gehad voor zijn schoolgang omdat hij door deze gebeurtenissen van school is gewisseld en van het gymnasium naar een MBO-opleiding is gegaan.

Naast de kwetsbaarheid van de destijds 15-jarige verdachte en de enorme impact die de verdachte reeds heeft ervaren van de verdenking, heeft de rechtbank meegewogen dat de verdachte een first offender is en dat sprake is van een laag recidiverisico. Ook zijn er geen zorgen over zijn seksuele ontwikkeling en de verdachte is sinds dit feit niet opnieuw in aanraking gekomen met politie en justitie. De rechtbank ziet alles overwegende dan ook geen noodzaak noch toegevoegde waarde in de oplegging van een straf of maatregel, die de toekomst en de ontwikkeling van de verdachte nog meer zouden kunnen schaden, ook niet als signaal naar de samenleving of als genoegdoening voor het slachtoffer, buiten de schuldigverklaring.

7
Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [de benadeelde partij] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 9.952,95 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde materiële schade bestaat uit € 4.952,95 en de gestelde immateriële schade bestaat uit € 5.000,-.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gevorderde materiële schade tot € 983,03 en volledige toewijzing van de gevorderde immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft primair verzocht om niet-ontvankelijk verklaring wegens de bepleite

vrijspraak. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat geen sprake is van een causaal verband tussen het feit en de geleden schade waardoor de vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde materiële schade niet voor vergoeding in aanmerking komt, aangezien het rechtstreekse verband tussen het feit en de geleden schade onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank verklaart daarom de vordering op dit punt niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van de immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat het causale verband met het bewezenverklaarde feit voldoende vast is komen te staan gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter zitting. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte de benadeelde partij heeft gedwongen om hem te pijpen. Blijkens de toelichting in de vordering heeft de benadeelde partij ten gevolge van dit handelen last van angst en trauma. De rechtbank is van oordeel dat het gestelde geestelijk letsel dat door het bewezenverklaarde is opgetreden, valt onder het bereik van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De rechtbank begroot de immateriële schade naar billijkheid op het bedrag van € 2.500,- en zal de gevorderde immateriële schade tot dat bedrag toewijzen. Daarbij heeft de rechtbank gekeken naar de Rotterdamse Schaal bij tamelijk ernstige verkrachting (15.1c).

De rechtbank zal de vordering dan ook toewijzen tot een bedrag van € 2.500,-, vermeerderd

met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 augustus 2024 tot aan de dag der algehele

voldoening. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van de overige immateriële schade

niet-ontvankelijk verklaren.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij

heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden

door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen [kort gezegd: verkrachting] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8
8. Toepasselijke wettelijke voorschriftenDe volgende wetsartikelen zijn van toepassing:artikel 36f, 77a, 77g en 248 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

9
Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Bepaalt dat aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [de benadeelde partij] geleden immateriële schade tot een bedrag van € 2.500,-, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor de materiële schade en overige immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

Mr. J. Lintjer, voorzitter,

Mr. G.D. de Jong en mr. M.H. Simons, allen (kinder)rechter,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. R. Moes,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 maart 2026.

Mr. M.H. Simons is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.