Rechtbank Noord-Holland, eerste aanleg - meervoudig strafprocesrecht

ECLI:NL:RBNHO:2026:7374

Op 22 April 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafprocesrecht, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 15/051384-25, 15/220995-23 en 15/038293-24, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNHO:2026:7374. De plaats van zitting was Haarlem.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
15/051384-25, 15/220995-23 en 15/038293-24
Datum uitspraak:
22 April 2026
Datum publicatie:
19 June 2026

Indicatie

Meervoudige kamerjeugdstrafzaken. Medeplegen van zware mishandeling, medeplegen bedreiging met zware mishandeling, openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en diefstal. Geen geslaagd beroep op noodweer(exces). Straf: deels voorwaardelijke jeugddetentie en een werkstraf.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd

Locatie Haarlem

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummers: 15/051384-25, 15/220995-23 en 15/038293-24

Uitspraakdatum: 22 april 2026

Tegenspraak

Vonnis (P)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 8 april 2026 in de zaak tegen:

[de verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] .

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

[officier van justitie] en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. C.T. Pittau, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

Ook waren aanwezig [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] namens de Jeugd- en Gezinsbeschermers te Amsterdam (hierna: de jeugdreclassering).

Verder waren aanwezig de pleegmoeder en de pleegbroer van de verdachte.

Tot slot waren namens de benadeelde partij aanwezig zijn vader, [de vader van de benadeelde partij 1] , mr. B. Roodveldt, als raadsvrouw, en [juridisch medewerker] , als juridisch medewerker.

1
Tenlastelegging

Aan de verdachte is onder 15/051384-25 ten laste gelegd dat:

1. hierna: feit 1)

hij, op of omstreeks 14 februari 2025 te Castricum, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [de benadeelde partij 1] van het leven te beroven,

- een (groot) mes/machete heeft verworven en/of aangeschaft,

- zich bewapend met voornoemd (groot) mes/machete naar Castricum heeft

begeven en daar die [de benadeelde partij 1] op heeft gezocht,

- toen het vervolgens tot een confrontatie kwam voornoemd (groot) mes/machete heeft getrokken en/of

- met voornoemd (groot) mes/machete een of meerdere stekende bewegingen in/naar het bovenlichaam, althans het lichaam, van die [de benadeelde partij 1] heeft gemaakt

(waarbij die [de benadeelde partij 1] in zijn arm is geraakt),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 14 februari 2025 te Castricum, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een ander, te weten [de benadeelde partij 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door

- een (groot) mes/machete te verwerven en/of aan te schaffen,

- zich bewapend met voornoemd (groot) mes/machete naar Castricum te begeven en daar die [de benadeelde partij 1] op te zoeken,

- toen het vervolgens tot een confrontatie kwam voornoemd (groot) mes/machete te trekken en/of

- met voornoemd (groot) mes/machete een of meerdere stekende bewegingen in/naar het bovenlichaam, althans het lichaam, van die [de benadeelde partij 1] te maken

(waarbij die [de benadeelde partij 1] in zijn arm is geraakt);

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 14 februari 2025 te Castricum, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [de benadeelde partij 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

- een (groot) mes/machete heeft verworven en/of aangeschaft,

- zich bewapend met voornoemd (groot) mes/machete naar Castricum heeft begeven en daar die [de benadeelde partij 1] op heeft gezocht,

- toen het vervolgens tot een confrontatie kwam voornoemd (groot) mes/machete heeft getrokken en/of

- met voornoemd (groot) mes/machete een of meerdere stekende bewegingen in/naar het bovenlichaam, althans het lichaam, van die [de benadeelde partij 1] heeft gemaakt

(waarbij die [de benadeelde partij 1] in zijn arm is geraakt), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. ( hierna: feit 2)

hij, op of omstreeks 14 februari 2025 te Castricum, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [de benadeelde partij 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door:

- een (groot) mes/machete te verwerven en/of aan te schaffen,

- zich bewapend met voornoemd (groot) mes/machete naar Castricum te begeven en daar die [de benadeelde partij 1] op te zoeken,

- toen het tot een confrontatie kwam voornoemd (groot) mes/machete te trekken en aan die [de benadeelde partij 1] te tonen en/of voor te houden en/of

- ( toen [de benadeelde partij 1] vervolgens op de vlucht sloeg) met getrokken mes / machete achter die vluchtende [de benadeelde partij 1] aan te rennen;

Aan de verdachte is onder 15/220995-23 ten laste gelegd dat:

1. hierna: feit 3)

hij op of omstreeks 6 mei 2023 te Hoofddorp, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een ketting, althans een of meer goederen van zijn/hun gading en/of geld, dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 2] te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededaders, althans een of meer van hen

- die [de benadeelde partij 2] tegen het lichaam geduwd en/of geschopt [waardoor hij ten val kwam] en/of getracht de ketting van [de nek /hals van] die [de benadeelde partij 2] los te trekken, althans de ketting van die [de benadeelde partij 2] vastgepakt en/of een [de] broekzak[ken] van die [de benadeelde partij 2] doorzocht en/of [daarbij] gezegd: “zakken leegmaken” of “ketting afdoen!”! terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 06 mei 2023 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer met een ander of anderen, op de voor publiek toegankelijke plaats het winkelcentrum ' [winkelcentrum] en/of op/aan de openbare weg [openbare weg] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [de benadeelde partij 2] , welk geweld bestond uit het een of meermalen duwen en/of schoppen/trappen tegen het lichaam van die [de benadeelde partij 2] ;

2. ( hierna feit 4)

hij op of omstreeks 06 mei 2023 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer met een ander of anderen, op/aan de openbare weg [openbare weg] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [de benadeelde partij 3] , welk geweld bestond uit het insluiten van die [de benadeelde partij 3] en/of [vervolgens] een of meermalen slaan/stompen in het gezicht/tegen het hoofd van die [de benadeelde partij 3] en/of duwen en/of schoppen/trappen tegen het lichaam van die [de benadeelde partij 3] ;

Aan de verdachte is onder 15/038293-24 ten laste gelegd dat:

(hierna: feit 5)

hij op of omstreeks 2 februari 2024 te Alkmaar koek(en), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [supermarkt] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

2
Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Overwegingen

3
Beoordeling van het bewijs
3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 primair, feit 2, feit 3 subsidiair, feit 4 en feit 5 ten laste gelegde en tot vrijspraak van het onder feit 3 primair ten laste gelegde.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van het onder feit 1 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Uit de bewijsmiddelen kan niet worden opgemaakt dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van aangever [de benadeelde partij 1] . Niet kan worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans op de dood is geweest en dat de verdachte die kans bewust heeft aanvaard. De verdachte heeft immers gericht gestoken op de arm, wat geen vitaal lichaamsdeel is. Een snijwond in de arm levert, behoudens uitzonderlijke gevallen, geen aanmerkelijke kans op de dood op. Daar komt bij dat uit de bewijsmiddelen niet is gebleken dat de verdachte deze kans zou hebben aanvaard.

Ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van het opzoeken van de aangever en het maken van stekende bewegingen in of naar het bovenlichaam van de aangever. De verdachte heeft de aangever namelijk niet bewust opgezocht en hij heeft slechts één stekende beweging gemaakt, richting de arm.

De verdediging heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van het onder feit 3 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, wegens het ontbreken van opzet op de diefstal. Ten aanzien van het onder feit 3 subsidiair ten laste gelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank

De verdediging stelt zich daarnaast op het standpunt dat de verdachte ten aanzien van het onder feit 4 ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken. De verdachte ontkent dit feit te hebben gepleegd en op basis van (de kwaliteit van) de camerabeelden kan het tegendeel niet vastgesteld worden.

Tot slot heeft de verdediging zich ten aanzien van het onder feit 5 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Vrijspraak feit 1 primair

Om tot een bewezenverklaring van dit feit, te weten poging tot doodslag, te kunnen komen, is onder meer vereist dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van de aangever. De rechtbank acht dat niet bewezen en overweegt daartoe als volgt.

Uit het dossier – in het bijzonder de verklaringen van de verdachte en de medeverdachte [de medeverdachte] – is gebleken dat de verdachte naar Castricum is gegaan en aan medeverdachte [de medeverdachte] heeft gevraagd om een mes mee te nemen. In Castricum zijn de verdachte en de medeverdachte, aangever [de benadeelde partij 1] tegengekomen en is een fysiek conflict ontstaan, waarbij het mes op enig moment van de medeverdachte naar de verdachte is gegaan. De verdachte heeft zowel bij de politie als ter zitting verklaard dat hij vervolgens gericht in de arm van de aangever heeft gestoken. Getuige [getuige] heeft verklaard dat de verdachte twee steekbewegingen heeft gemaakt, waarvan één keer richting het lichaam en één keer gericht op de arm van de aangever.

Op basis van het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet vastgesteld worden dat de aangever is gestoken met het doel om hem te doden. Dat betekent dat de rechtbank geen ‘vol’ opzet van de verdachte op de dood van aangever [de benadeelde partij 1] bewezen acht.

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van de aangever. Hiervan is kort gezegd sprake als er een aanmerkelijke kans aanwezig was dat dit gevolg – de dood – zou intreden en de verdachte op dat moment welbewust die kans heeft aanvaard. Of dit zo is, is naar vaste rechtspraak afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

De rechtbank is van oordeel dat ook hiervan geen sprake is. Weliswaar kan worden vastgesteld dat de verdachte de aangever gericht in zijn arm heeft gestoken met een mes, maar het dossier bevat onvoldoende bewijs om vast te kunnen stellen dat door bovengenoemd handelen naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans bestond op de dood van de aangever. Een steekverwonding in de arm brengt niet zonder meer een aanmerkelijke kans op de dood met zich. Uit de medische verklaring blijkt dat de aangever een steekverwonding van 12 centimeter had in zijn linkerarm, enkele bloedinkjes en uitgebreid spierletsel. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezien als potentieel dodelijk letsel en uit de medische verklaring blijkt ook niet dat risico bestond op een dodelijke afloop door het steken in de arm. Bovendien is niet komen vaststaan dat een eerdere steekbeweging van de verdachte in de richting van het lichaam van aangever [de benadeelde partij 1] zo risicovol is geweest, dat de verdachte met die steekbeweging de aanmerkelijke kans heeft genomen dat hij de aangever dodelijk zou kunnen verwonden.

Gelet op het voorgaande is naar oordeel van de rechtbank dan ook niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte onder feit 1 primair ten laste is gelegd wegens het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet op de dood van de aangever. De verdachte zal hiervan dan ook worden vrijgesproken.

3.3.2

Vrijspraak feit 3 primair

Om tot een bewezenverklaring van het onder feit 3 primair ten laste gelegd feit te komen, dient onder andere beoordeeld te worden of de opzet van de verdachte gericht was op het wegnemen van goederen van aangever [de benadeelde partij 2] door middel van het gebruik van geweld. Hoewel op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de verdachte samen met anderen geweld heeft gebruikt jegens de aangever, kan op grond van de bewijsmiddelen niet vastgesteld worden dat er (ook) sprake was van een gezamenlijk plan om goederen weg te nemen. Ter zitting heeft de verdachte hierover verklaard dat vooraf en tijdens het incident geen overleg is geweest over wat zij zouden doen en dat hij niet heeft gezien dat door de medeverdachten goederen zijn weggenomen. De stukken in het dossier sluiten de verklaring van de verdachte niet uit.

Gelet op het voorgaande is naar oordeel van de rechtbank dan ook niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte onder feit 3 primair ten laste is gelegd, wegens het ontbreken van opzet op de diefstal. De verdacht zal hiervan dan ook worden vrijgesproken.

3.3.3

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder feit 1 subsidiair, feit 2, feit 3 subsidiair, feit 4 en feit 5 ten laste gelegde op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot het onder 1 en 2 ten laste gelegde sprake

is van een eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van

Strafrecht ( Sr). De bewezenverklaarde gedragingen leveren een min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op zodat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen slechts enigszins

uiteenloopt.

3.3.4

Bewijsmotivering feit 4 Anders dan door de verdachte is betoogd, zal de rechtbank ook de onder feit 4 ten laste gelegde openlijke geweldpleging tegen aangever [de benadeelde partij 3] wettig en overtuigend bewezen verklaren. Na het geweldsincident in het winkelcentrum (feit 3) is de verdachte met dezelfde groep vrienden naar buiten gegaan, waar zij aangever [de benadeelde partij 3] , vriend van aangever [de benadeelde partij 2] , tegenkwamen. Deze ontmoeting is vastgelegd op camerabeelden vanuit [winkel] . Uit de beschrijving van die beelden blijkt dat alle personen van de groep waartoe de verdachte behoorde, met uitzondering van NN1, minimaal één schop hebben geven tegen de persoon die op de grond ligt. Uit de aangifte blijkt dat de liggende persoon aangever [de benadeelde partij 3] is. De verdachte heeft ter zitting bevestigd dat hij zichzelf heeft herkend op de beelden als NN5. Anders dan door de verdachte is verklaard, was hij dus niet degene die op een afstand stond en niets heeft gedaan, dat was volgens de camerabeelden namelijk NN1. Uit de aangifte, de camerabeelden en de eigen verklaring van de verdachte, in onderlinge samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat ook de verdachte aangever [de benadeelde partij 3] heeft geschopt en dus heeft deelgenomen aan het openlijk geweld tegen die [de benadeelde partij 3] .

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 subsidiair, feit 2, feit 3 subsidiair, feit 4 en feit 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1 subsidiair:

hij, op 14 februari 2025 te Castricum, tezamen en in vereniging met een ander, aan [de benadeelde partij 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door

- een groot mes te verwerven en

- zich bewapend met voornoemd groot mes naar Castricum te begeven en

- toen het vervolgens tot een confrontatie kwam voornoemd groot mes te trekken en

- met voornoemd groot mes meerdere stekende bewegingen naar het bovenlichaam van die [de benadeelde partij 1] te maken, waarbij die [de benadeelde partij 1] in zijn arm is geraakt;

Feit 2:

hij, op 14 februari 2025 te Castricum, tezamen en in vereniging met een ander, [de benadeelde partij 1] heeft bedreigd met zware mishandeling, door:

- een groot mes te verwerven en

- zich bewapend met voornoemd groot mes naar Castricum te begeven en

- toen het tot een confrontatie kwam voornoemd groot mes te trekken en

- toen [de benadeelde partij 1] vervolgens op de vlucht sloeg, met getrokken mes achter die vluchtende [de benadeelde partij 1] aan te rennen;

Feit 3:

hij op 6 mei 2023 te Hoofddorp met anderen, op de voor publiek toegankelijke plaats het winkelcentrum ' [winkelcentrum] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [de benadeelde partij 2] , welk geweld bestond uit het duwen en schoppen tegen het lichaam van die [de benadeelde partij 2] ;

Feit 4:

hij op 6 mei 2023 te Hoofddorp met anderen, op de openbare weg [openbare weg] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [de benadeelde partij 3] , welk geweld bestond uit het insluiten van die [de benadeelde partij 3] en vervolgens meermalen slaan en schoppen tegen het lichaam van die [de benadeelde partij 3] ;

Feit 5:

hij op 2 februari 2024 te Alkmaar koeken, die aan [supermarkt] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om ze zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4
Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
4.1.

Beroep op noodweer

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem een geslaagd beroep op noodweer toekomt.

Daartoe heeft de raadsman naar voren gebracht dat het handelen van de verdachte noodzakelijk was. Aangever [de benadeelde partij 1] kwam op een intimiderende wijze op de verdachte af, waarbij de verdachte werd uitgescholden en vernederd. Ook werd door de aangever geëist dat de verdachte opdrachten voor hem moest uitvoeren. Toen de verdachte aangaf dit niet te willen, werd hij door de aangever vastgepakt en kreeg hij twee vuistslagen tegen zijn hoofd. Er was een derde vuistslag aanstaande en de verdachte kon niet weg omdat hij nog steeds werd vastgehouden. Om deze wederrechtelijke aanranding af te weren, heeft de verdachte het mes gepakt en de aangever hiermee op zijn arm geslagen. Hierop rende de aangever weg. De verdachte kon op deze manier aan de aanval van de aangever ontkomen. Hij heeft zich dan ook gerechtvaardigd verdedigd.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd dat het beroep op noodweer niet kan slagen, omdat geen sprake was van een noodweersituatie noch van proportioneel handelen.

Oordeel rechtbank

De rechtbank verwerpt het gevoerde verweer van de raadsman en overweegt daaromtrent

als volgt.

Voor een geslaagd beroep op noodweer in de zin van artikel 41 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is vereist dat de handeling wordt geboden door de noodzakelijk verdediging van een eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of de onmiddellijke dreiging daarvan. Hierin ligt besloten dat bij het handelen moet zijn voldaan aan de eis van subsidiariteit: was de reactie geboden door de noodzakelijke verdediging van de aanranding, en de eis van proportionaliteit: stond de reactie in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding.

Op grond van het dossier is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat sprake was van een noodweersituatie waarin de verdachte niet anders kon handelen dan hij heeft gedaan. Daarbij is het volgende van belang.

De verdachte heeft verklaard dat hij naar Castricum is gegaan met [naam] om haar te beschermen tegen de aangever. In de trein onderweg naar Castricum heeft de verdachte medeverdachte [de medeverdachte] gebeld en hem gevraagd om een mes mee te nemen naar Castricum voor het geval de situatie uit de hand zou lopen. De verdachte was zich er op dat moment van bewust dat een risico bestond dat hij de aangever tegen zou komen. Toen de verdachte daadwerkelijk met de aangever werd geconfronteerd, is een conflict ontstaan. Naar de verdachte en de medeverdachte verklaren heeft de aangever de verdachte daarbij uitgescholden, vastgepakt en geslagen. De verdachte heeft de medeverdachte toen om het mes gevraagd. Het mes is op enig moment van de medeverdachte bij de verdachte terechtgekomen Vastgesteld kan worden dat de verdachte vervolgens twee stekende bewegingen heeft gemaakt, waarbij hij de aangever één keer heeft geraakt in zijn arm. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld of de aangever is gestoken voor of nadat hij is weggerend. De verklaringen van de aangever, de verdachte en de verschillende getuigen lopen hierover namelijk te ver uiteen en ander bewijs over die specifieke situatie ontbreekt. Wel kan op basis van de verklaringen van (onder meer) de aangever, de medeverdachte en getuige [getuige] worden vastgesteld dat de verdachte de twee voorwaartse steekbewegingen heeft gemaakt naar de aangever toe, op een moment dat hij niet (meer) werd vastgehouden door de aangever.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat weliswaar gesproken kan worden van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding op het moment dat de verdachte door de aangever werd vastgepakt en geslagen, maar dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat op het moment van steken nog altijd sprake was van een ‘ogenblikkelijke’ aanranding dan wel een ‘onmiddellijke’ dreiging van zo een aanranding, en evenmin dat de verdachte op dat moment geen andere mogelijkheid had dan de aangever te steken met het mes.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de hem verweten

gedraging niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de

noodzaak bestond tot verdediging van zijn eigen lijf of eerbaarheid tegen een

ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar

daarvoor. Het verweer wordt om die reden dan ook verworpen.

Er is verder geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken.

4.2.

Kwalificatie

Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar en levert op:

Onder 15-051384-25:

Eendaadse samenloop van:

Feit 1 subsidiair: medeplegen van zware mishandeling.

Feit 2: medeplegen bedreiging met zware mishandeling.

Onder 15-220995-23:

Feit 3 subsidiair: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Feit 4: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Onder 15-038293-24:

Feit 5: diefstal.

5
Strafbaarheid van de verdachte

Noodweerexces

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt gesteld dat de verdachte

moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem een geslaagd beroep op

noodweerexces toekomt. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte als gevolg van de vuistslagen van de aangever in paniek was. Dit heeft dan ook een hevige gemoedstoestand teweeggebracht bij de verdachte als gevolg waarvan hij de aangever heeft gestoken, om verdere vuistslagen af te weren. Deze excessieve reactie van de verdachte is door de hevige gemoedstoestand geheel te verklaren.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd dat het beroep op noodweerexces niet kan slagen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt ook dit verweer en overweegt hieromtrent als volgt.

Noodweerexces kan alleen in beeld komen bij een overschrijding van de grenzen van de

noodzakelijke verdediging. Er moet ook in dat geval allereerst sprake zijn van een noodweersituatie. De rechtbank heeft, zoals overwogen onder 4.1, vastgesteld dat geen sprake was van een ogenblikkelijke aanranding dan wel een onmiddellijke dreiging van zulk een aanranding waartegen verdediging noodzakelijk was op het moment dat de verdachte besloot een mes te gebruiken tegen de aangever. Er was daarom geen sprake van een noodweersituatie waardoor het verweer niet kan slagen.

Er is verder geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

6
Motivering van de sancties
6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot 180 dagen jeugddetentie waarvan 119 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die hij in

voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en een proeftijd van twee jaar onder de algemene

voorwaarde, en bijzondere – dadelijk uitvoerbare – voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de duur van één jaar.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uur, subsidiair 30 dagen jeugddetentie.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat, met het oog op het beroep op noodweer(exces), twee oude feiten overblijven. Gelet daarop en het feit dat de verdachte al een periode gedetineerd is geweest, acht de verdediging een jeugddetentie van 180 dagen waarvan 119 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht dan ook te hoog.

In het geval dat het beroep op noodweer(exces) niet slaagt, stelt de verdediging zich op het standpunt dat de vordering van de officier van justitie niet onredelijk is.

6.3.

Oordeel van de rechtbank Inleiding

Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen aangevers [de benadeelde partij 2] en [de benadeelde partij 3] . De verdachte heeft hierbij samen met anderen, de aangevers geschopt en geslagen. Door zijn handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangevers, waarbij zij pijn en letsel hebben opgelopen. Ook is gebleken dat tenminste één van de aangevers angstig is geworden en niet meer alleen over straat durfde door deze gebeurtenis. Dit is met name kwalijk nu de verdachte heeft verklaard dat hij dit enkel uit verveling heeft gedaan. Daar komt bij dat de openlijke geweldpleging heeft plaatsgevonden op klaarlichte dag in en bij een winkelcentrum, waar verschillende personen getuige van konden zijn. Geweld in het openbaar draagt bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een pak koek uit de supermarkt. Hij heeft hierbij zijn eigen gewin vooropgesteld en niet stilgestaan bij de overlast en ergernis die dit veroorzaakt voor de medewerkers van de supermarkt en de schade voor de supermarkt. De supermarkt en de medewerkers moeten erop kunnen vertrouwen dat hun goederen in de winkel veilig zijn, en het handelen van de verdachte heeft inbreuk gemaakt op dit vertrouwen.

Tenslotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling door aangever [de benadeelde partij 1] in zijn arm te steken met een groot mes. Dit is een zeer ernstig feit met veel impact op de aangever. Daarbij rekent de rechtbank het de verdachte zwaar aan dat hij de medeverdachte heeft gevraagd om een mes mee te nemen terwijl hij wist dat er een risico bestond dat het tot een confrontatie zou komen met de aangever en het uit de hand zou kunnen lopen, wat ook is gebeurd. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijk geweld nog lang de negatieve gevolgen ervaren. Het incident heeft veel impact gehad op aangever [de benadeelde partij 1] . Gebleken is dat de aangever aan het handelen van de verdachte een groot ontsierend litteken heeft overgehouden op zijn arm, wat een zichtbare plek is. Ook heeft hij nog altijd nagenoeg geen gevoel heeft in zijn onderarm en kan hij zijn pink moeilijk gebruiken, waarbij het niet de verwachting is dat dit nog beter wordt. Daarnaast heeft het incident mentale schade veroorzaakt bij de aangever. Hij is angstig geworden en heeft EMDR-therapie moeten volgen. De impact op de aangever is dus groot geweest. Tot slot zorgen zulke feiten ook voor maatschappelijke onrust en versterken de gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Persoonlijke omstandigheden

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, van

18 februari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder terzake van een vuurwerk gerelateerd delict tot vrijheidsbenemende straf is veroordeeld en

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 2 april 2026 van [raadsonderzoeker] en [raadsonderzoeker] , raadsonderzoekers bij de Raad.

De Raad heeft geadviseerd tot oplegging van voorwaardelijke jeugddetentie, onder de algemene en bijzondere – dadelijk uitvoerbare – voorwaarden dat de verdachte zich zal houden aan aanwijzingen van de jeugdreclassering, meewerkt aan hulpverlening van de Zware Jongens of een soortgelijke instelling, zich inzet voor het verkrijgen en behouden van dagbesteding zoals school en zich houdt aan contactverboden met slachtoffers en medeverdachte [de medeverdachte] . Ook adviseert de Raad om aan de verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen in de vorm van een werkstraf. Het algemeen recidiverisico is heel hoog en het dynamisch risicoprofiel komt uit op midden.

Uit eerder psychologisch onderzoek in 2024 is gebleken dat sprake is van een reactieve hechtingsstoornis, wat invloed heeft op zijn functioneren. Zo heeft hij moeite om zijn emoties te reguleren, waardoor impulsief gedrag ontstaat. Ook vergroot een verstoorde hechting de kans op een herhaling van delictgedrag omdat hij minder intrinsieke motivatie heeft om zich aan regels te houden. Daarnaast zijn er zorgen over de gewetensontwikkeling van de verdachte omdat hij niet goed lijkt aan te voelen wat zijn handelen met anderen doet, waardoor hij sneller grenzen overschrijdt. Daarbij komt dat sprake is van wantrouwen richting volwassenen, wat de samenwerking en begeleiding bemoeilijkt. De verdachte gaat nu twee dagen naar school en krijgt ambulante begeleiding vanuit Zware Jongens. Dat is op dit moment het maximaal haalbare voor de verdachte en vanwege de hechtingsproblematiek wordt ingezet op het langdurig bieden van hulp door een vaste groep hulpverleners.

De Raad heeft ter zitting het advies in het raadsrapport gehandhaafd.

Namens de jeugdreclassering is ter zitting naar voren gebracht dat de verdachte inmiddels het maximaal haalbare aan hulpverlening krijgt. Er wordt gezien dat hij door te hoge doelstellingen wordt overvraagd, waardoor de verwachtingen aangepast moeten worden. Te veel regels zorgen voor conflict, maar als de verdachte iets meer los wordt gelaten, dan doet hij het goed. De verdachte zet kleine stappen vooruit en haalt mondjesmaat zijn doelen, waarvoor hij gemotiveerd is. Zo wil hij graag zijn diploma halen en hij komt naar alle afspraken. De verdachte profiteert van de langdurige betrokkenheid van de mensen om hem heen en zijn coach is intensief betrokken. Er wordt een groei gezien ten aanzien van zijn denkfouten en hij kan open zijn over aanleidingen en triggers. Gelet op het voorgaande wordt jeugdreclasseringstoezicht voor de duur van één jaar passend geacht.

Conclusie

In zijn algemeenheid geldt als uitgangspunt dat bij ernstige strafbare feiten zoals

zware mishandeling met gebruik van een mes, openlijke geweldpleging en bedreiging met een mes, een vrijheidsbenemende straf passend en geboden is. Bij oplegging van de straf houdt de rechtbank rekening met het feit dat de verdachte 61 dagen in voorarrest heeft gezeten. Ook houdt de rechtbank rekening met het feit dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat de ten laste gelegde feiten dateren van vóór het door de meervoudige kamer gewezen vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 maart 2025. Tot slot houdt de rechtbank rekening met het advies van de Raad.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de verdachte een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd, deels voorwaardelijk. De intentie van de

rechtbank daarbij is dat de verdachte niet zal hoeven terugkeren naar een justitiële

jeugdinrichting voor de veroordeling van deze feiten. De op te leggen jeugddetentie is lager

dan geëist door de officier van justitie gelet op de vrijspraak voor de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging doodslag. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie van 150 dagen moet worden opgelegd, waarvan 89 dagen voorwaardelijk met aftrek van de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en met een proeftijd van twee jaren, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank zal daarbij bepalen dat de verdachte zich gedurende één jaar dient te houden aan de hierna te noemen bijzondere voorwaarden, waaronder meewerken aan coaching en behandeling, het hebben van zinvolle dagbesteding en een contactverbod met de slachtoffers en de medeverdachte.

De rechtbank zal bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht

dadelijk uitvoerbaar zijn. De verdachte heeft zich namelijk schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, te weten zware mishandeling en openlijke geweldpleging. Gelet op het advies van de Raad waaruit blijkt dat het algemeen recidive risico heel hoog is, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Tot slot zal de rechtbank een werkstraf voor de duur van zestig (60) uren opleggen.

7
Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
7.1.

Benadeelde partij [de benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [de benadeelde partij 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 15.656,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit materiële schade, te weten:

€ 76,- voor twee keer ziekenhuisdaggeld;

€ 6.000,- voor drie maanden gederfde inkomsten;

€ 1.080,- voor schade aan een Moncler jas, een Asics T-shirt en een broek;

en uit immateriële schade van € 8.500,-.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente, oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en een hoofdelijke veroordeling.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, omdat het behandelen van de vordering een onevenredige belasting voor het strafproces vormt. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat de immateriële schade gematigd moet worden gelet op het eigen aandeel van de aangever tijdens het incident. Ook is niet bekend hoe het letsel zich op den duur zal ontwikkelen. De verdediging heeft verder bepleit de materiële schade betreffende de gederfde inkomsten af te wijzen wegens onvoldoende onderbouwing.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 1.156,- rechtstreeks voortvloeit uit het onder feit 1 subsidiair bewezenverklaarde. Deze schade is voldoende onderbouwd en niet betwist en bestaat uit € 76,- voor twee keer ziekenhuisdaggeld en € 1.080,- voor schade aan een Moncler jas, een Asics T-shirt en een broek. De rechtbank is van oordeel dat de schade wegens gederfde inkomsten, die wordt betwist, onvoldoende is onderbouwd en verklaart de vordering daarom op dit punt niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van de immateriële schade oordeelt de rechtbank als volgt. De benadeelde partij is met een mes in zijn arm gestoken. Hij heeft hier een wond van 12 centimeter aan overgehouden die gehecht moest worden. Hierdoor heeft de benadeelde partij nu een groot litteken op zijn arm. Ook heeft hij nagenoeg geen gevoel meer in zijn onderarm en kan hij zijn pink niet goed gebruiken. Blijkens de toelichting op de vordering heeft de benadeelde partij ten gevolge van het handelen van de verdachte ook angstklachten en ondergaat hij EMDR-therapie. De rechtbank is van oordeel dat het gestelde geestelijk letsel dat door het bewezenverklaarde is opgetreden, valt onder het bereik van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

De rechtbank begroot deze immateriële schade naar billijkheid op het bedrag van € 7.000,-

en zal de gevorderde immateriële schade tot dat bedrag toewijzen. Daarbij heeft de rechtbank

ook acht geslagen op de Rotterdamse Schaal bij gering armletsel met een herstel binnen ongeveer één tot twee jaar (5.7d, II) en minder ernstige littekenvorming (10c).

De rechtbank zal de benadeelde partij voor wat betreft de overige immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering

aanbrengen bij de civiele rechter.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke

rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met de

wettelijke rente vanaf 14 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

De betalingsverplichting wordt hoofdelijk opgelegd. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat

indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen [kort gezegd: medeplegen van zware mishandeling] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

7.2.

Benadeelde partij [de benadeelde partij 3]

[wettelijk vertegenwoordiger] heeft als wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partij, haar minderjarige zoon [de benadeelde partij 3] , een vordering tot schadevergoeding van € 615,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder feit 4 ten laste gelegde zou hebben geleden.

De rechtbank is, zoals de officier van justitie ook heeft geconcludeerd, van oordeel dat nu de vordering, ook na een daartoe strekkend verzoek, niet is ondertekend door een (wettelijk) vertegenwoordiger, de benadeelde partij niet in de vordering kan worden ontvangen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij [de benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk is in de vordering.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36f, 47, 55, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 285, 302, 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

9
Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 primair (parketnummer 15/051384-25) en feit 3 primair (parketnummer 15/220995-23) is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder feit 1 subsidiair en feit 2 (parketnummer 15/051384-25), onder feit 3 subsidiair en feit 4 (parketnummer 15/220995-23) en onder feit 5 (parketnummer 15/038293-24) ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder feit 1 subsidiair en feit 2 (parketnummer 15/051384-25), onder feit 3 subsidiair en feit 4 (parketnummer 15/220995-23) en onder feit 5 onder parketnummer (15/038293-24) bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4.2 vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van honderdvijftig (150) dagen. Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot negenentachtig (89) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

meewerkt en zich zal houden aan de aanwijzingen van de gecertificeerde instelling De Jeugd & Gezinsbeschermers te Alkmaar;

zich gedurende de proeftijd zal melden bij de jeugdreclassering van de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers, gevestigd te [adres] , op de door de jeugdreclassering te bepalen tijden en plaatsen, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

meewerkt aan de hulpverlening vanuit de Zware jongens of een soortgelijke instelling, zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;

zich inzet voor het verkrijgen en behouden van een positieve dagbesteding, waaronder op dit moment school;

verboden wordt contact te leggen of te laten leggen met de slachtoffers:

* [de benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedatum] ;* [naam] , geboren op [geboortedatum] ;* [de benadeelde partij 3] , geboren op [geboortedatum] ,

en de medeverdachte:

* [de medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] .

Bepaalt dat de verdachte zich gedurende één jaar aan deze bijzondere voorwaarden moet houden.

Geeft opdracht aan De Jeugd & Gezinsbeschermers te Alkmaar, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.

Beveelt dat de op grond van artikel 77z gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van zestig (60) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 30 dagen jeugddetentie.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [de benadeelde partij 1] geleden schade tot een bedrag van € 8.156,-, bestaande uit € 1.156,- voor de materiële en € 7.000,- voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van benadeelde partij [de benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 8.156,- , vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij [de benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.D. de Jong, voorzitter,

mr. E.C.M. van Mierlo en mr. A.K. Mireku, allen kinderrechter,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. R. Moes,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 april 2026.