Zoeken naar rechterlijke uitspraken en jurisprudentie

Via Uitspraken.nl kunt u eenvoudig zoeken in onze online uitspraken databank door het invoeren van één of meerdere trefwoorden. Het is uiteraard ook mogelijk om te zoeken op wetsartikelen, zaaknummer, ECLI nummer of het oude LJN nummer.

Eerste aanleg - meervoudig Strafrecht overig

21 november 2023
ECLI:NL:RBNHO:2023:11708

Op 21 november 2023 heeft de Rechtbank Noord-Holland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht. Het zaaknummer is 15/208989-19, bekend onder ECLI code ECLI:NL:RBNHO:2023:11708. De plaats van zitting was Haarlemmermeer.

Soort procedure
Rechtsgebied
Zaaknummer(s)
15/208989-19
Datum uitspraak
21 november 2023
Datum gepubliceerd
20 november 2023
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/208989-19

Uitspraakdatum: 21 november 2023

Tegenspraak

verkort strafvonnis (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

7 november 2023 in de zaak tegen:

[verdachte]
,

geboren op

[geboortedatum]
te
[geboorteplaats]
,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres]

.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt van de officier van justitie, mr. R. Klein en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. J. Gravesteijn, advocaat te Den Haag, naar voren hebben gebracht.

1
Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:

1hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2019 tot en met 1 september 2019 te Kampen en/of Gouda en/of Rotterdam en/of Utrecht, en/of Alphen aan den Rijn en/of Nieuwegein en/of Overveen, gemeente Bloemendaal, althans (telkens) (in ieder geval) in Nederland,

(telkens)tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een ander) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

vele, althans een of meerdere (al dan niet onbekend gebleven) personen, waaronder in ieder geval

[naam persoon 1]
(op of rond 3 mei 2019 te Overveen, gemeente Bloemendaal), en/of;
[naam persoon 2]
(op of rond 3 april 2019 te Amsterdam), en/of;
[naam persoon 3]
(op of rond 6 april 2019 te Breda), en/of
[naam persoon 4]
(op of rond 7 april 2019 te ’t Zand,
[naam persoon 5]
(op of rond 15 juni 2019 te Heemskerk), en/of;
[naam persoon 6]
(op of rond 16 juni 2029 te Wateringen, gemeente Westland), en/of;
[naam persoon 7]
(op of rond 23 juni 2019 te Tilburg), en/of;

(heimelijk) heeft bewogen tot afgifte van enig goed en/of tot het verlenen van een dienst en/of tot het beschikking stellen van gegevens, namelijk tot het verlenen van (online) toegang tot hun (online) (bancaire) betaalomgeving(en) en/of tot het verstrekken en/of tot afgifte van inloggegevens van de/hun (online) (bancaire) betaalomgeving(en), hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid meermalen (telkens),- zich voorgedaan als bonafide (potentiële) koper (Bas en/of Bas Janssens) van (een) door de voornoemde personen (op Marktplaats.nl) aangeboden product(en);- gevraagd om rekeninggegevens van voornoemde personen;- een of meerdere (valse) “Tikkie” link(s) verzonden naar die personen/aangever(s) en/of die personen gevraagd/uitgenodigd 1 cent over te maken en/of op die link te klikken (, waarna deze personen hun inlog- en/of accountgegevens en/of gebruikersgegevens (moesten) invoer(d)en (op een valse bankwebsite));

waardoor voornoemde personen werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte

(Artikel art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

2hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2019 tot en met 1 september 2019 te Kampen en/of Rotterdam en/of Gouda en/of Amsterdam en/of Heemskerk en/of Wateringen, gemeente Westland en/of Tilburg, en/of Utrecht, en/of Alphen aan den Rijn en/of Nieuwegein en/of Overveen, Gemeente Bloemendaal, althans (telkens) (in ieder geval) in Nederland,(telkens)

tezamen en in vereniging met (een) ander (en), althans alleen,

opzettelijk en wederrechtelijk in (een) geautomatiseerd(e) werk(en) voor opslag of verwerking van gegevens, te weten (een) server(s) en/of (een) netwerk(en), althans de online betaalomgeving(en), althans een of meer de(e)l(en) daarvan, van de ABN Amro bank, ING, Rabobank en/of een andere bank, en/of van vele, althans in ieder geval 20, althans een of meer (al dan niet onbekend gebleven) perso(o)n(en), waaronder in ieder geval

[naam persoon 5]
en/of
[naam persoon 6]
en/of
[naam persoon 7]
en/of
[naam persoon 8]
en/of
[naam persoon 9]
en/of
[naam persoon 10]
en/of
[naam persoon 11]
en/of
[naam persoon 1]
en/of
[naam persoon 4]
en/of
[naam persoon 2]
en/of
[naam persoon 3]
, althans van (een) ander(en) dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

(een of meermalen) is binnengedrongen,waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens), toegang tot dat/die werk(en) heeft/hebben verworven door het doorbreken van een beveiliging en/of door een technische ingreep en/of met hulp van valse signalen en/of valse sleutel en/of door het aannemen van een valse hoedanigheid,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) zich voordoend als bonafide koper(s) (telkens) één een of meerdere (valse) "Tikkie’' link(s) verzonden naar voornoemde personen, waarbij een of meer van deze personen naar (een) (valse) (phishing) website(s) werd(en) geleid, waarna voornoemde personen de/hun inlog- en/of accountgegevens en/of gebruikersgegevens (moesten) invoer(d)en, waardoor/waarna een of meer inlog- en/of accountgegevens en/of gebruikersgegevens van voornoemde personen zijn opgevangen/afgevangen en/of achterhaald,

waarna verdachte en/of zijn mededader(s) vervolgens (telkens) op voornoemd(e) geautomatiseerd(e) werk(en) heeft/hebben ingelogd met die aldus verkregen gegevens (als ware hij/zij de rechthebbende(n) op dat/die werk(en))

(Artikel art 138ab lid 1 Wetboek van Strafrecht)

3hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2019 tot en met 1 september 2019 te Kampen en/of Rotterdam en/of Gouda en/of Amsterdam en/of Heemskerk en/of Wateringen, gemeente Westland en/of Utrecht, en/of Alphen aan den Rijn, en/of Overveen, gemeente Bloemendaal, althans (telkens) (in ieder geval) in Nederland,

(telkens)

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (enig(e)) geldbedrag(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan vele, althans een of meer (al dan niet onbekend gebleven) perso(o)n(en), waaronder in ieder geval

-

[naam persoon 5]
(te weten EUR 2.275,98 en/of EUR 200,00), en/of;-
[naam persoon 6]
(te weten EUR 1.258,00), en/of;-
[naam persoon 1]
(te weten (ongeveer) EUR 446,67), en/of;-
[naam persoon 4]
(te weten (ongeveer) EUR 1186,50), en/of;-
[naam persoon 2]
(te weten EUR 335,00), en/of;in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s),

waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van (een) valse sleutel(s), te weten (heimelijk) door phishing verkregen (bancaire) inloggegegeven(s) van voornoemde personen en/of een of meer telefoon(s) (welke via ApplePAY aan de rekeningen van die personen was/waren gekoppeld) (welke (daardoor) als betaalpas functioneerde(n));

(Artikel art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht)

Verbetering kennelijke misslag

Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt bij het onder 3 ten laste gelegde feit na het gedeelte ‘althans (telkens) (in ieder geval) in Nederland’ de zinsnede ‘tezamen en in verenging met (een) ander(en), althans alleen’. De rechtbank ziet aanleiding deze kennelijke misslag in de tenlastelegging verbeterd te lezen.

De verdachte is gelet op het tweede deel van het onder 3 ten laste gelegde feit met betrekking tot de mededader(s), de verwijzing naar artikel 311 ahf/sub 4 van het Wetboek van Strafrecht en hetgeen ter terechtzitting met betrekking tot het medeplegen is besproken, hierdoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank is daarom van oordeel dat door de verbeterde lezing de grondslag van de tenlastelegging niet wordt verlaten.

2
Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3
Beoordeling van het bewijs
3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

3.2

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Bewijsmiddelen

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen.

3.3.2.

Bewijsoverweging

Partiële vrijspraak

Aangever

[naam persoon 7]
(feiten 1 en 2)

Anders dan de officier van justitie stelt, is op basis van het procesdossier niet vast te stellen dat het bij de oplichting van aangever

[naam persoon 7]
gebruikte telefoonnummer eindigend op 2642 in gebruik is geweest bij de verdachte. Ook is niet gebleken dat vanaf het IP-adres in gebruik bij
[verdachte]
in de online bancaire omgeving van
[naam persoon 7]
is ingelogd. Uit het dossier volgt dat het bij de oplichting gebruikte telefoonnummer en het bij de computervredebreuk gebruikte IP-adres herleidbaar zijn tot de medeverdachte
[naam medeverdachte 2]
. Dat bij deze oplichting en/of computervredebreuk sprake zou zijn geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen
[naam medeverdachte 2]
en de verdachte vindt geen steun in het dossier, zodat de verdachte van dit deel van de tenlastelegging wordt vrijgesproken.

Vele, althans een of meerdere (al dan niet onbekend gebleven) personen (feiten 1, 2 en 3)

De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat voor een bewezenverklaring van oplichting en/of diefstal van andere dan de in tenlastelegging specifiek genoemde personen, behoudens aangever

[naam persoon 12]
. Er zijn geen andere aangiftes in het dossier aanwezig die wijzen in de richting van de verdachte en hoewel volgens de inloglijst (gevoegd bij de aangifte van de ING) blijkt dat er bij nog andere, niet op de tenlastelegging vermelde, personen in hun online bankomgeving is ingelogd vanaf het IP-adres van de verdachte, is zonder aangifte niet vast te stellen of in deze gevallen sprake is van oplichting en/of diefstal.

Ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde computervredebreuk is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bewezenverklaring ten aanzien van die personen die aangifte hebben gedaan en waarbij blijkens de inloglijst is ingelogd in hun online bancaire omgeving vanaf het IP-adres van de verdachte en/of zijn mededader.

Voorts acht de rechtbank de computervredebreuk ten aanzien van de personen

[naam persoon 11]
,
[naam persoon 8]
,
[naam persoon 9]
en
[naam persoon 10]
bewezen. Hiertoe overweegt de rechtbank dat uit het dossier op pagina 621 voldoende blijkt dat vanaf het IP-adres van de verdachte in de ten laste gelegde periode bij voornoemde personen wederrechtelijk is ingelogd.

De rechtbank is van oordeel dat geen bewezenverklaring van computervredebreuk kan volgen voor de overige op de inloglijst vermelde personen. Blijkens de aangifte van de ING bank ziet de inloglijst op een ruimere periode dan de ten laste gelegde periode en de inloglijst maakt geen afzonderlijke melding van de data waarop is ingelogd in de online bancaire omgeving van de op de lijst vermelde personen. Dit betekent dat de rechtbank niet kan vaststellen of de inlogs van het IP-adres van de verdachte op de online bancaire omgevingen van personen die hiervan geen aangifte hebben gedaan in de ten laste gelegde periode heeft plaatsgevonden.

De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat geen sprake is van medeplegen ten aanzien van de computervredebreuk bij

[naam persoon 8]
,
[naam persoon 9]
,
[naam persoon 10]
en
[naam persoon 11]
. De enkele omstandigheid dat bij deze personen binnen een kort tijdsbestek is ingelogd in hun online bancaire omgeving vanaf het IP-adres van de verdachte en het IPadres in gebruik bij medeverdachte
[naam medeverdachte 1]
, is onvoldoende om een nauwe en bewuste samenwerking bij deze inlogs bewezen te verklaren. De rechtbank betrekt hierbij dat uit het dossier volgt dat de verdachten in het merendeel van de zaken onafhankelijk van elkaar hebben gewerkt.

3.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

1hij, in de periode van 3 april 2019 tot en met 27 juni 2019 in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen,

[naam persoon 1]
(op of rond 3 mei 2019 te Overveen, gemeente Bloemendaal), en/of;
[naam persoon 2]
(op of rond 3 april 2019 te Amsterdam), en/of;
[naam persoon 3]
(op of rond 6 april 2019 te Breda), en/of
[naam persoon 4]
(op of rond 7 april 2019 te ’t Zand, en/of
[naam persoon 5]
(op of rond 15 juni 2019 te Heemskerk), en/of;
[naam persoon 6]
(op of rond 16 juni 2029 te Wateringen, gemeente Westland), en/of;
[naam persoon 12]
(op of rond 27 juni 2019 te Alkmaar); heeft bewogen tot het ter beschikking stellen van gegevens en/of tot het verstrekken en/of tot afgifte van inloggegevens van de/hun (online) (bancaire) betaalomgeving(en), hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar met vorenomschreven oogmerk valselijk en listiglijk meermalen,- zich voorgedaan als bonafide (potentiële) koper (Bas en/of Bas Janssens) van (een) door de voornoemde personen (op Marktplaats.nl) aangeboden product(en);- gevraagd om rekeninggegevens van voornoemde personen;- een of meerdere valse “Tikkie” link(s) verzonden naar die personen/aangevers en/of die personen gevraagd/uitgenodigd 1 cent over te maken en/of op die link te klikken;

waardoor voornoemde personen werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte.2hij, in de periode van 3 april 2019 tot en met 23 augustus 2019 in Nederland,tezamen en in vereniging met (een) ander (en),

opzettelijk en wederrechtelijk in (een) geautomatiseerd(e) werk(en) van de online betaalomgeving van ING van

[naam persoon 5]
en
[naam persoon 6]
en
[naam persoon 1]
en
[naam persoon 4]
en
[naam persoon 2]
en
[naam persoon 3]
en
[naam persoon 12]
,

is binnengedrongen,waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens), toegang tot dat/die werk(en) heeft/hebben verworven door het doorbreken van een beveiliging en met behulp van een valse sleutel en door het aannemen van een valse hoedanigheid,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) zich voordoend als bonafide koper(s) (telkens) één een of meerdere (valse) "Tikkie’' link(s) verzonden naar voornoemde personen, waarbij een of meer van deze personen naar (een) (valse) (phishing) website(s) werd(en) geleid, waarna voornoemde personen de/hun inlog- en/of accountgegevens en/of gebruikersgegevens invoer(d)en, waardoor/waarna een of meer inlog- en/of accountgegevens en/of gebruikersgegevens van voornoemde personen zijn opgevangen/afgevangen en/of achterhaald,

waarna verdachte en/of zijn mededader(s) vervolgens op voornoemd(e) geautomatiseerd(e) werk(en) heeft/hebben ingelogd met die aldus verkregen gegevens (als ware hij/zij de rechthebbende(n) op dat/die werk(en))

en

hij, in de periode van 3 april 2019 tot en met 23 augustus 2019 in Nederland,opzettelijk en wederrechtelijk in (een) geautomatiseerd(e) werk(en) van de online betaalomgeving van ING van

[naam persoon 8]
en
[naam persoon 9]
en
[naam persoon 10]
en
[naam persoon 11]
,

is binnengedrongen,waarbij hij, verdachte (telkens), toegang tot dat/die werk(en) heeft verworven door het doorbreken van een beveiliging en/of met behulp van een valse sleutel en/of door het aannemen van een valse hoedanigheid;

3hij, in de periode van 3 april 2019 tot en met 16 juni 2019 in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (een) geldbedrag(en), toebehorende aan

-

[naam persoon 5]
(te weten EUR 2.275,98 en/of EUR 200,00), en/of;-
[naam persoon 6]
(te weten EUR 1.258,00), en/of;-
[naam persoon 1]
(te weten EUR 446,67), en/of;-
[naam persoon 4]
(te weten EUR 786,50), en/of;-
[naam persoon 2]
(te weten EUR 335,00), en/of;

-

[naam persoon 12]
(te weten EUR 485,00); in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s),

waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van (een) valse sleutel(s), te weten door phishing verkregen (bancaire) inloggegeven(s) van voornoemde personen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Ten behoeve van de leesbaarheid van de bewezenverklaring heeft de rechtbank onder verwijzing naar hetgeen hierover onder 3.3.2 is overwogen

[naam persoon 12]
toegevoegd in de bewezenverklaring onder feiten 1, 2 en 3.

Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4
Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

Feit 2: medeplegen van computervredebreuk, meermalen gepleegd en computervredebreuk, meermalen gepleegd;

Feit 3: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5
Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6
Motivering van de sanctie
6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte een geldboete van tienduizend euro wordt opgelegd.

Hierbij heeft de officier van justitie aangegeven over het geheel rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.

6.2

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht rekening te houden met de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Verder heeft de verdediging gewezen op de overschrijding van de redelijke termijn. Gelet hierop heeft de verdediging verzocht om een straf gelijk aan de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, op te leggen.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard, omvang en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich samen met anderen meermalen schuldig gemaakt aan oplichting, computervredebreuk en diefstal. Zij deden zich voor als potentiële kopers van goederen die op Marktplaats werden aangeboden. Nadat de koop gesloten was, vroegen zij de verkopers of zij ter verificatie één cent wilden overmaken. Vervolgens stuurden zij een valse link voor een betaalverzoek via de applicatie Tikkie, waar door de verkopers op werd geklikt en (inlog)gegevens werden ingevuld. Op deze manier kregen de verdachte en zijn mededader(s) op slinkse wijze de beschikking over de bankgegevens van de slachtoffers en toegang tot hun digitale bankomgeving. Vervolgens werd vanuit de bankomgevingen van de slachtoffers geld overgeschreven naar andere bankrekeningen of werden (online) goederen aangeschaft. Deze strafbare feiten brengen naast (financiële) schade bij de slachtoffers, ook veel schade toe aan het algehele vertrouwen in het online betalingsverkeer en systeem.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 27 oktober 2023, waaruit blijkt dat hij na de bewezen verklaarde feiten onherroepelijk voor soortgelijke feiten is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf.

Ter terechtzitting heeft de verdachte verantwoording afgelegd over zijn handelen, zijn spijt betuigd en zijn huidige leef- en werkomstandigheden nadrukkelijk naar voren gebracht. De verdachte heeft verklaard dat hij inmiddels in de zorg werkt en zich verre van de criminele invloeden uit het verleden houdt. De rechtbank zal met deze positieve ontwikkeling rekening houden in de strafmaat.

Strafoplegging

Gelet op de ernst, omvang en aard van de strafbare feiten acht de rechtbank in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden passend. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer twintig maanden, wat leidt tot strafvermindering. Daarnaast is wegens een eerdere onherroepelijke veroordeling sprake van toepassing van artikel 63 Sr. De rechtbank ziet, anders dan de officier van justitie, in deze factoren en in combinatie met de hiervoor genoemde persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het gegeven dat de verdachte niet meer met justitie in aanraking is gekomen, aanleiding tot het opleggen van een gevangenisstraf gelijk aan de duur die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarnaast een geldboete aan de verdachte op te leggen zoals door de officier van justitie is gevorderd.

7
Vordering benadeelde partijen
7.1

[naam persoon 3]
en
[naam persoon 6]

De benadeelde partijen

[naam persoon 3]
en
[naam persoon 6]
hebben ieder een vordering tot schadevergoeding ingediend wegens immateriële schade die zij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zouden hebben geleden.

De benadeelde partij

[naam persoon 3]
vordert een bedrag van € 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij door de Tikkiefraude zeer wantrouwend is geworden, geen spullen meer via Marktplaats durft te verkopen en vaak haar bankrekening controleert. Op de zitting heeft de partner van de benadeelde partij toegelicht dat dit gevoel van wantrouwen nog steeds aanwezig is en dat de vordering is ingediend met het doel de verdachte te laten ervaren wat het voor een slachtoffer betekent als er geld wordt afgenomen.

De benadeelde partij

[naam persoon 6]
vordert een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij als gevolg van de Tikkiefraude het vertrouwen in de mens enige tijd kwijt is geweest.

De rechtbank is - overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de verdediging - van oordeel dat er geen wettelijke basis is om de gevorderde immateriële schade toe te wijzen. In artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat een benadeelde recht heeft op vergoeding van immateriële schade als (1) de verdachte het oogmerk had de benadeelde zodanig nadeel toe te brengen, (2) de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, (3) zij in zijn eer of goede naam is aangetast of (4) op andere wijze in haar persoon is aangetast als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De rechtbank kan niet vaststellen dat de verdachte met het plegen van de strafbare feiten het oogmerk had de benadeelden immateriële schade toe te brengen. Ook hebben de benadeelde partijen geen lichamelijk letsel opgelopen en zijn zij niet in hun eer of goede naam aangetast. Blijft over de vraag of zij door de gepleegde strafbare feiten op andere wijze in hun persoon zijn aangetast. Daarvan is in ieder geval sprake als een benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit de onderbouwing van de vorderingen blijkt dat dit bij

[naam persoon 6]
en
[naam persoon 3]
niet het geval is. De aard en de ernst van de gepleegde strafbare feiten brengen ook niet mee dat de nadelige gevolgen daarvoor voor de benadeelden zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De nadelige gevolgen die de benadeelde partijen volgens de onderbouwing van hun vordering hebben ondervonden, zijn daarvoor onvoldoende.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank de vorderingen zal afwijzen. De rechtbank zal bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

7.2

ING Bank N.V.

De vordering

De benadeelde partij ING Bank N.V. (hierna: ING) heeft een vordering tot schadevergoeding van € 18.676,63 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit het bedrag dat zij aan door de Tikkiefraude getroffen rekeninghouders heeft vergoed en onderzoekskosten. De vordering is als volgt samengesteld:

Dossiers gerelateerd aan IP-adres

[IP-adres medeverdachte 1]

Schadevergoeding uitgekeerd aan klanten: € 5.495,70

Onderzoekskosten: € 2.880,00

Dossiers gerelateerd aan IP-adres

[IP-adres verdachte]

Schadevergoeding uitgekeerd aan klanten: € 3.897,48

Onderzoekskosten: € 960,00

Overige dossiers

Schadevergoeding uitgekeerd aan klanten: € 4.963,45

Onderzoekskosten: € 480,00.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de vordering (hoofdelijk) moet worden toegewezen tot een bedrag van € 13.233,18, zijnde de uitgekeerde schade en onderzoekskosten die betrekking hebben op de strafbare feiten die zijn gepleegd via de IP-adressen van de verdachte en medeverdachte

[naam medeverdachte 1]
. ING heeft niet onderbouwd dat de gevallen die zijn opgenomen in de overige dossiers (ook) zijn toe te rekenen aan de verdachte, zodat ING in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht ING niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Daartoe is aangevoerd dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en dat een duidelijke uitleg over welke partijen zij hebben vergoed, ontbreekt.

Het oordeel van de rechtbank

De verdachte is veroordeeld voor (het medeplegen van) Tikkiefraude, waarbij aankopen zijn betaald met de bankrekeningen van klanten van ING. Voor zover ING haar klanten heeft gecompenseerd voor de op die manier weggenomen geldbedragen, is dat naar het oordeel van de rechtbank het rechtstreeks gevolg van de bewezen verklaarde feiten.

Dossiers gerelateerd aan IP-adres

[IP-adres medeverdachte 1]

Het eerste deel van de vordering ziet op een schadebedrag van in totaal € 5.495,70 dat ING heeft uitgekeerd aan klanten bij wie is ingelogd op de digitale bankomgeving vanaf het IP-adres

[IP-adres medeverdachte 1]
. ING heeft een lijst opgesteld (dossierpagina’s 312 en 313) waarin zij aangeeft welke klanten dit betreft en voor welke bedragen zij deze klanten heeft gecompenseerd. De rechtbank zal dit deel van de vordering toewijzen ten aanzien van de ING-klanten van wie bewezen is verklaard dat de verdachte (samen met een ander) geld heeft weggenomen (feit 3). Dit betreft alleen de ING-klanten
[naam persoon 2]
(€ 335,21) en
[naam persoon 1]
(€ 446,43). Uit de processtukken, waaronder hun aangiftes, blijkt dat de ING deze bedragen aan hen heeft vergoed.

Ten aanzien van de andere op de ING-lijst genoemde personen heeft de rechtbank niet bewezen geacht dat de verdachte geld van hen heeft weggenomen. Daarom komt de vordering die daarop betrekking heeft, niet voor vergoeding in aanmerking.

ING vordert daarnaast een bedrag van € 2.880,00 aan onderzoekskosten (volgens de aangifte 24 uur a € 120,00 per uur). De verdediging heeft aangevoerd dat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. Dat ING onderzoekskosten heeft gemaakt, vindt de rechtbank gelet op de bewezen verklaarde feiten en de manier waarop deze zijn gepleegd voldoende aannemelijk. De onderzoekskosten komen echter alleen voor vergoeding in aanmerking voor zover deze betrekking hebben op de bewezen verklaarde feiten, terwijl de werkzaamheden ook zien op fraudegevallen waarvoor de verdachte niet wordt veroordeeld. ING heeft geen uitsplitsing van de onderzoekskosten per fraudedossier gemaakt en het dossier biedt ook geen handvatten om een beredeneerde schatting te maken van de onderzoekskosten die in rechtstreeks verband staan tot de bewezenverklaarde feiten. Het vergt dus nader onderzoek om de hoogte van de (toewijsbare) onderzoekskosten vast te stellen, welk onderzoek naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat ING in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk is.

Gelet op het voorgaande zal dit onderdeel van de vordering hoofdelijk worden toegewezen tot een bedrag van € 781,64.

Dossiers gerelateerd aan IP-adres

[IP-adres verdachte]

Het tweede deel van de vordering ziet op de compensatie die ING heeft uitgekeerd aan haar klanten

[naam persoon 13]
,
[naam persoon 6]
en
[naam persoon 5]
(in totaal € 3.897,48). In de digitale bankomgeving van deze ING-klanten was ingelogd via het IP-adres
[IP-adres verdachte]
, waarvan de verdachte gebruik maakte. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat de verdachte (samen met anderen) geld heeft weggenomen van de ING-klanten
[naam persoon 6]
en
[naam persoon 5]
(feit 3). De compensatie die ING aan hen heeft uitgekeerd, te weten € 1.258,00 respectievelijk € 2.475,98, zal dan ook worden toegewezen.

Omdat niet bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het oplichten en het wegnemen van een geldbedrag van

[naam persoon 13]
, zal de rechtbank ING niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering.

ING vordert daarnaast een bedrag van € 960,00 aan onderzoekskosten (volgens de aangifte acht uur a € 120,00 per uur). Net als hiervoor is overwogen, heeft ING deze schadepost niet gespecificeerd per fraudegeval, zodat de rechtbank niet kan vaststellen wat de onderzoekskosten zijn geweest die in rechtstreeks verband staan tot de bewezen verklaarde gevallen. Nader onderzoek daarnaar levert een onevenredige belasting van het strafproces op, zodat ING in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Gelet op het voorgaande zal dit onderdeel van de vordering hoofdelijk worden toegewezen tot een bedrag van € 3.733,98.

Overige dossiers

ING heeft in haar vordering niet toegelicht op welke gevallen dit onderdeel van haar vordering betrekking heeft en dit kan ook niet worden afgeleid uit het strafdossier. De rechtbank zal ING daarom niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering.

Conclusie

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van € 4.515,62, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 januari 2020 (de datum van de aangifte) tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

De rechtbank zal bepalen dat ING in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk is.

Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, ziet de rechtbank geen aanleiding de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, nu een bank als ING wordt geacht zelf voor het innen van haar vordering te kunnen zorgdragen.

8
Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

- 47, 57, 63, 138ab, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

9
Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 323 (driehonderddrieëntwintig) dagen.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vorderingen benadeelde partijen

[naam persoon 3]
en
[naam persoon 6]

Wijst af de vordering tot vergoeding van de door benadeelde partijen

[naam persoon 3]
en
[naam persoon 6]
geleden schade.

Bepaalt dat de verdachte en de benadeelde partijen ieder de eigen proceskosten dragen.

Vordering ING Bank N.V.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij ING Bank N.V. geleden schade tot een bedrag van € 4.515,62, als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan ING Bank N.V., voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien dit bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Voorlopige hechtenis

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.H.E. Boomgaart, voorzitter,

mr. N. Boots en mr. G.D. Kleijne, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. T.J.A. Krips,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 november 2023.

Zie ook

Oozo.nl
Weten wat er in jouw buurt of straat gebeurt?
FaillissementsDossier.nl
Alle faillissementen en surseances in Nederland
FaillissementsDossier.be
Alle faillissementen en opschortingen in België
ProcedureCollective.fr
Alle faillissementen in Frankrijk
DatIsSlimBedacht.nl
Tips - Ideeën - Slimmigheden
  • Uitspraken.nl is een produkt van Binq Media B.V. - Mart Smeetslaan 1, 1217 ZE Hilversum - Kvk nummer 54506158