Rechtbank Noord-Holland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBNHO:2026:10554

Op 13 August 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 15/330344-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNHO:2026:10554. De plaats van zitting was Alkmaar.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
15/330344-25
Datum uitspraak:
13 August 2026
Datum publicatie:
13 August 2026

Indicatie

Veroordeling wegens het in zijn woning aanwezig hebben van 141 gram cocaïne en 2870 XTC-pillen, het zonder vergunning in voorraad hebben van bijna 5 kilogram ketamine en het plegen van voorbereidingshandelingen voor de productie of bewerking van MDMA en cocaïne. Gevangenisstraf van 18 maanden opgelegd, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar en met bijzondere voorwaarden

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/330344-25

Uitspraakdatum: 13 augustus 2026

Tegenspraak

verkort strafvonnis (art. 138b Wetboek van Strafvordering (Sv))

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 30 juli 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres 1],

nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Alphen aan den Rijn.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt van de officier van justitie, mr. R. Visser, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J.W. Vedder (advocaat te Rotterdam) naar voren is gebracht.

1
Tenlastelegging

Aan de verdachte is, kort samengevat, ten laste gelegd dat hij op 2 december 2025 in De Rijp samen met anderen:

41 gram cocaïne en 2.900 XTC-pillen heeft vervaardigd of aanwezig heeft gehad;

4.962,80 gram ketamine in voorraad heeft gehad, terwijl hij hiervoor geen vergunning had;

voorbereidingshandelingen heeft verricht om XTC-pillen en/of cocaïne te vervaardigen, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen, door zijn woning en een auto beschikbaar te stellen, jerrycans met voor de bewerking van cocaïne of MDMA benodigde stoffen te vervoeren, contact te hebben met medeverdachten en goederen voorhanden te hebben die nodig zijn voor de productie of bewerking van cocaïne en MDMA.

De volledige tenlastelegging is als Bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.

2
Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Overwegingen

3
Beoordeling van het bewijs
3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 aan de verdachte ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat:

bij feit 1 geen bewijs is voor het vervaardigen van de aangetroffen verdovende middelen;

met betrekking tot de feiten 1 en 2 geen sprake is van medeplegen;

de verdachte ten aanzien van de onder 3 ten laste gelegde voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet wel als medepleger kan worden aangemerkt.

3.2.

Standpunt van de verdediging

Volgens de raadsman kan het onder 1 ten laste gelegde aanwezig hebben van 141 gram cocaïne bewezen worden, maar van vervaardigen van deze cocaïne en van het medeplegen daarvan blijkt niet uit het dossier. Van het eveneens onder 1 ten laste gelegde aanwezig hebben van XTC-pillen moet de verdachte worden vrijgesproken, omdat voldoende bewijs voor wetenschap en beschikkingsmacht ontbreekt. Ook is er geen bewijs dat de verdachte de pillen heeft vervaardigd.

Voor het in voorraad hebben van ketamine (feit 2) geldt ook dat bewijs voor wetenschap en beschikkingsmacht ontbreekt. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de verdachte van dit feit vrij te spreken.

Met betrekking tot feit 3 is de raadsman van mening dat tot een bewezenverklaring kan worden gekomen van voorbereidingshandelingen ten aanzien van de bewerking van cocaïne, voor zover die bestonden uit het beschikbaar stellen van de woning en het voorhanden hebben van de in de woning aangetroffen goederen. Voor de overige gedachtestreepjes vraagt de raadsman vrijspraak. Voor het medeplegen is geen bewijs, evenals voor de voorbereiding van de productie van MDMA, aldus de raadsman.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3, zoals weergegeven onder 3.3.3. De rechtbank grondt deze beslissing op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn opgenomen.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen.

3.3.2.

Bewijsoverweging

Met betrekking tot de feiten 1, 2 en 3

Feiten en omstandigheden

Op 2 december 2025 kreeg de politie een ANPR-hit (Automatic Number Plate Recognition) op het kenteken van een Belgische BMW ten behoeve van een controle in verband met ondermijnende criminaliteit, eerst op de A16 en vervolgens op de A15. De politie is niet meteen overgegaan tot staandehouding, maar heeft de auto gevolgd tot in Amsterdam. Daar is een persoon de auto ingestapt als bijrijder. Dit bleek later de verdachte te zijn. De kofferbak is hierbij niet open gegaan. De politie heeft de auto verder gevolgd. De auto is uiteindelijk in de richting van De Rijp gereden. De politie heeft de bestuurder en de passagier van de auto staande gehouden op het moment dat zij parkeerden bij het adres [adres 2]. Bij doorzoeking van de auto heeft de politie in de kofferbak twee jerrycans aangetroffen, met in de ene jerrycan ongeveer 18 liter methylethylketon en in de andere jerrycan 14 liter zoutzuur. Daarnaast heeft de politie in de middenconsole latex handschoenen aangetroffen. Ook is in de auto een A4 vel aangetroffen met daarop een stappenplan in de Spaanse taal, waarin chemicaliën, hoeveelheden en prijzen werden genoemd.

Zoutzuur kan volgens het LFO (expertiseteam Landelijke Faciliteit Ontmantelen) worden gebruikt voor het vervaardigen en bewerken van MDMA, methamfetamine, cocaïne en synthetische cathinonen. Methylethylketon kan worden gebruikt als oplosmiddel bij het terugwinnen van cocaïne.

Na de doorzoeking van de auto is de politie binnengetreden in het appartement op het adres [adres 2]. De verdachte staat op dit adres ingeschreven. In het appartement werd op een statafel in de woonkamer een vuilniszak aangetroffen met in totaal 2.870 MDMA-pillen en een tas met bijna 5 kilogram ketamine. In een keukenkastje boven de oven werd 141 gram cocaïne gevonden. Verder werden in de woonkamer, de badkamer en de berging onder meer de volgende goederen aangetroffen: stampers met daarop een geperforeerde kunststof ronde schijf, vacuümzakken en vacumeermachine, lege capsules, schalen met restanten wit poeder, een pan met witte resten, twee soorten niet gevouwen ponypacks, gripzakjes, latex handschoenen, weegschalen, een mixer, een zeef, doorweekte doeken (vervuild met wit poeder), en chemicaliën, waaronder zwavelzuur, caustic sodakorrels en lege ammoniakflessen.

De aangetroffen goederen en chemicaliën kunnen volgens het LFO worden gebruikt voor de vervaardiging en bewerking van (synthetische) drugs. De stampers met geperforeerde kunststof ronde schijf erop, zwavelzuur en ammoniak zijn typerend voor de bewerking en extractie (terugwinning) van cocaïne.

Onder andere in bemonsteringen van de hengsels van bigshopper tassen en van de handvaten van jerrycans, aangetroffen in de badkamer, zijn DNA-mengprofielen aangetroffen, waarbij de verdachte de donor van het hoofdprofiel kan zijn, met een frequentie van voorkomen kleiner dan één op één miljard. Daarnaast is op de verpakking waarin de ketamine zat een DNA-mengprofiel gevonden met daarin additionele DNA-kenmerken van de verdachte.

Partiële vrijspraak voor het vervaardigen van cocaïne en XTC-pillen

De rechtbank stelt vast dat er aanwijzingen zijn dat de aangetroffen voorwerpen en stoffen in de woning zijn aangewend voor de productie en/of bewerking van (synthetische) drugs. De rechtbank is echter met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte een directe betrokkenheid heeft gehad bij het vervaardigen van de aangetroffen cocaïne en XTC-pillen. Over hoe en wanneer die cocaïne en XTC-pillen zijn vervaardigd, heeft de rechtbank geen informatie aangetroffen in het dossier. De verdachte zal daarom (partieel) worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde (medeplegen van het) vervaardigen van cocaïne en XTC-pillen.

Veroordeling voor het aanwezig hebben van cocaïne en XTC-pillen (feit 1) en het in voorraad hebben van ketamine (feit 2)

Vervolgens moet de rechtbank de vraag beantwoorden of de verdachte de aangetroffen cocaïne en XTC-pillen aanwezig heeft gehad, respectievelijk de werkzame stof ketamine in voorraad heeft gehad.

De verdachte heeft bekend de 141 gram cocaïne, die in zijn keuken is aangetroffen, aanwezig gehad te hebben. Dit onderdeel van feit 1 op de tenlastelegging acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De verdachte heeft ontkend dat hij op de hoogte was van de aanwezigheid van de XTC-pillen (feit 1) en de ketamine (feit 2) in zijn woning. De verklaring die de verdachte daartoe op de zitting heeft afgelegd komt in het kort op het volgende neer. De dealer van de verdachte had de verdachte gevraagd of hij zijn handel in de woning van de verdachte kon achterlaten, zodat de dealer er niet steeds mee heen en weer hoefde te rijden. Daar heeft de verdachte mee ingestemd en hij heeft zijn dealer een sleutel van de woning gegeven. Het ging om een hoeveelheid cocaïne van oorspronkelijk 200 gram. Doordat de verdachte zelf van deze voorraad had gebruikt, was er ten tijde van de politie-inval op 2 december 2025 nog 141 gram van over. Pas een paar dagen voor 2 december 2025 heeft de verdachte, toen hij wilde gaan douchen, ontdekt dat er allemaal spullen (‘troep’ in de woorden van de verdachte) in de badkamer stonden. Hier had de verdachte geen toestemming voor gegeven. De verdachte had deze spullen niet eerder opgemerkt, voornamelijk als gevolg van zijn drugsgebruik en depressieve toestand. In de woonkamer kwam hij nauwelijks, alleen om cocaïne te pakken uit het keukenkastje. Nadat de verdachte de spullen had ontdekt, heeft hij de dealer gebeld en gezegd dat hij die spullen weg moest halen. De verdachte heeft de naam van de dealer niet willen noemen.

De rechtbank acht deze verklaring van de verdachte ongeloofwaardig. In de eerste plaats stelt de rechtbank vast dat op een van de twee sealbags waarin ketamine is gevonden, DNA-sporen van de verdachte zijn aangetroffen, terwijl de verdachte stelt dat hij hier niets van wist. Verder overweegt de rechtbank dat de vuilniszak met XTC-pillen, de tas met ketamine-kristallen en de voor het vervaardigen dan wel bewerken van drugs bestemde voorwerpen open en bloot in de woonkamer en de daaraan verbonden open keuken lagen. De rechtbank acht het volstrekt onaannemelijk dat de verdachte deze niet zou hebben gezien, terwijl hij naar eigen zeggen regelmatig een portie cocaïne uit het keukenkastje haalde. Daar komt nog bij dat DNA-sporen van de verdachte zijn aangetroffen op de hengels van tassen en op de zich daarin bevindende jerrycans in de badkamer en op een pan met een residu van vermoedelijk verdovende middelen. Bovendien is een staafmixer met cocaïneresten aangetroffen naast het bed van de verdachte in zijn slaapkamer. Dat de verdachte geen enkele betrokkenheid bij de in zijn woning aangetroffen goederen heeft gehad, acht de rechtbank dan ook niet geloofwaardig. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat er volgens de verdachte geen andere personen woonden (anders dan de broer van de verdachte, die onregelmatig in de woning verbleef).

De geloofwaardigheid van de verklaring van de verdachte wordt verder ondermijnd door de keuze van het moment waarop hij deze verklaring heeft afgelegd. De verdachte heeft de verklaring pas bij de inhoudelijke behandeling op de zitting naar voren gebracht, nadat de verdachte uitgebreid kennis heeft kunnen nemen van het dossier. De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de verdachte zijn verklaring heeft afgestemd op de onderzoeksbevindingen. De verklaring is bovendien niet te verifiëren, niet alleen doordat deze pas op de zitting is afgelegd, maar ook doordat de verdachte de naam van de persoon die volgens de verdachte verantwoordelijk zou zijn voor alle aangetroffen goederen niet heeft willen noemen. De rechtbank schuift de verklaring van de verdachte daarom terzijde.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de verdachte wist van de aanwezigheid van de cocaïne, XTC-pillen en ketamine in zijn woning en dat hij daar ook over kon beschikken. De rechtbank concludeert tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat de verdachte partieel zal worden vrijgesproken van het medeplegen. De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte bij deze feiten nauw en bewust met anderen heeft samengewerkt.

Veroordeling voor voorbereidingshandelingen (feit 3)

De rechtbank is op grond van het vorenstaande ook van oordeel dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 3 ten laste gelegde feit, te weten – kort gezegd – het voorbereiden en/of bevorderen van het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of vervaardigen van XTC-pillen en cocaïne door het ter beschikking stellen van zijn woning en door het voorhanden hebben van goederen die benodigd zijn voor de productie en/of bewerking van XTC-pillen en cocaïne. Van de gedachtestreepjes die zien op het beschikbaar stellen van een auto en het vervoeren van jerrycans met zoutzuur en methylethylketon naar de woning zal de rechtbank de verdachte partieel vrijspreken. Hoewel er, gelet op wat is aangetroffen in de woning van de verdachte, sterkte aanwijzingen zijn dat de verdachte op de hoogte moet zijn geweest van de in de auto aangetroffen chemicaliën, bevat het dossier hiervoor onvoldoende bewijs. De verdachte heeft ontkend dat hij hier wetenschap van had en uit het proces-verbaal van de politie volgt dat de verdachte pas later als bijrijder is ingestapt in de auto en de kofferbak (waarin zich de jerrycans bevonden) toen niet is opengegaan. Nu bovendien niet is gebleken van enig ander contact met de bestuurder van de auto – en evenmin met iemand anders – dat betrekking had op voorbereidingshandelingen voor de productie van harddrugs, spreekt de rechtbank de verdachte ook vrij van het gedachtestreepje dat ziet op afspraken maken of contact hebben met medeverdachten. Het voorgaande leidt er tot slot ook toe dat de rechtbank de verdachte vrijspreekt van het tenlastegelegde medeplegen. Ook hier geldt dat de rechtbank niet kan vaststellen dat de verdachte bij het plegen van de voorbereidingshandelingen nauw en bewust met een ander of anderen heeft samengewerkt.

3.3.3.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

1

hij op 2 december 2025 te De Rijp, gemeente Alkmaar, opzettelijk aanwezig heeft gehad:

- 141 gram van een materiaal bevattende cocaïne en

- 2.870 XTC-pillen, bevattende MDMA;

2

hij op 2 december 2025 te De Rijp, gemeente Alkmaar, opzettelijk, zonder registratie, een hoeveelheid van 4.962,80 gram ketamine, zijnde een werkzame stof als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder x.1 van de Geneesmiddelenwet, in voorraad heeft gehad;

3

hij op 2 december 2025 te De Rijp, gemeente Alkmaar, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten:

- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren en/of

- het opzettelijk vervaardigen van XTC-pillen (MDMA) en cocaïne,

- een ander gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en

- voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door:

- een woning gelegen aan de [adres 2] in De Rijp ter beschikking te stellen en

- goederen voorhanden te hebben die benodigd zijn voor de productie en/of bewerking van cocaïne en/of MDMA, te weten:

- een of meerdere notities,

- lege capsules,

- flessen ammoniak,

- jerrycans,

- een weegschaal,

- een vacumeermachine,

- een mixer,

- een zeef.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4
Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 2

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan;

Ten aanzien van feit 3

Om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

6
Motivering van de straf
6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door GGZ Reclassering Fivoor. De officier van justitie heeft tevens gevorderd dat de rechtbank bij vonnis de gevangenneming van de verdachte zal bevelen ter zake van feit 2.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging gaat uit van een veel minder verstrekkende bewezenverklaring dan de officier van justitie. De raadsman heeft verder benadrukt dat de feitelijke rol van de verdachte bij de feiten beperkt is geweest en dat zijn gedrag werd bepaald door zijn verslaving en zijn depressieve gevoelens. Deze context moet strafverminderend werken. De verdediging verzoekt het onvoorwaardelijk deel van een op te leggen gevangenisstraf gelijk te houden aan de duur van het voorarrest dat ruim acht maanden heeft geduurd, met daarnaast een voorwaardelijk strafdeel, met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, met uitzondering van de verplichting om medicatie in te nemen.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft in zijn appartement een forse hoeveelheid harddrugs aanwezig gehad, te weten 141 gram cocaïne en 2.870 MDMA-pillen. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk in voorraad hebben van bijna 5 kilogram van de werkzame stof ketamine, zonder over de vereiste registratie te beschikken. Ketamine valt, als werkzame stof, vanwege de geneeskundige toepassing ervan weliswaar onder de Geneesmiddelenwet, maar wordt tegenwoordig steeds vaker voor recreatieve doeleinden gebruikt als partydrug. Ketamine is qua werking vergelijkbaar met harddrugs en is een verslavend middel.

Ook heeft de verdachte zijn woning beschikbaar gesteld en in zijn woning goederen en stoffen voorhanden gehad die bestemd zijn voor de productie of bewerking van cocaïne en MDMA. Hiermee heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen ten aanzien van het vervaardigen van harddrugs.

Het is algemeen bekend dat drugs en illegaal gebruikte geneesmiddelen schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Daarnaast gaat de handel in dergelijke middelen veelal gepaard met verschillende vormen van criminaliteit, zoals geweldsdelicten en illegale geldstromen. Drugscriminaliteit heeft een grote en groeiende ondermijnende werking in de samenleving, waarbij boven- en onderwereld steeds meer met elkaar vermengd raken. De verdachte heeft met de aanzienlijke hoeveelheden drugs die hij voorhanden had en de grote hoeveelheid drugsgerelateerde voorwerpen die in zijn woning zijn aangetroffen een belangrijke, faciliterende bijdrage geleverd aan deze voor de maatschappij nadelige effecten.

Bovendien brengt (het voorbereiden van) het vervaardigen en bewerken van XTC en cocaïne het gevaar van explosie of brand met zich, wat in dit geval, waar het een woning in een appartementencomplex betreft, desastreuze gevolgen zou hebben.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in de eerste plaats gekeken naar het strafblad van de verdachte van 20 april 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte in 2014 in Duitsland is veroordeeld wegens Opiumwet-feiten tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Nu deze straf geruime tijd geleden is opgelegd, zal de rechtbank dit niet in zijn nadeel meewegen.

Op 6 mei 2026 heeft GGZ Reclassering Fivoor een advies over de verdachte uitgebracht. De reclassering ziet op meerdere leefgebieden problemen, waarbij het middelengebruik op de voorgrond staat. Het middelengebruik hangt samen met de psychosociale problematiek van de verdachte. Wanneer de leefgebieden instabiel blijven en de verdachte geen hulpverlening krijgt, schat de reclassering het recidivegevaar hoog in. Reclasseringstoezicht wordt daarom geïndiceerd geacht. De reclassering heeft bijzondere voorwaarden geformuleerd die naar verwachting aan het verlagen van het risico op recidive zullen bijdragen.

Strafoplegging

Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan door oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank heeft bij het bepalen van de lengte van die straf gekeken naar de oriëntatiepunten van de LOVS en naar de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Dit leidt ertoe dat de rechtbank tot een lagere straf komt dan de officier van justitie heeft geëist.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan, te weten acht maanden, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaar. In het belang van het terugdringen van het recidivegevaar zal de rechtbank aan deze proeftijd de bijzondere voorwaarden verbinden die door de reclassering zijn geadviseerd. De verdachte heeft op de zitting gezegd dat hij bereid is zich aan deze voorwaarden te houden. Alleen tegen een verplichting om medicatie te gebruiken heeft de verdachte grote bezwaren. De rechtbank zal deze verplichting, die een verregaande inbreuk op het zelfbeschikkingsrecht van de verdachte inhoudt, daarom niet opleggen, nu zij hier ook geen prangende reden voor ziet. De proeftijd van drie jaar heeft als doel de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, maar dient ook als stevige stok achter de deur om de medewerking van de verdachte aan de gestelde bijzondere voorwaarden te verzekeren.

Afwijzing vordering gevangenneming

Gelet op de duur van de op te leggen gevangenisstraf, in samenhang met de lengte van de periode die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding om de gevangenneming van de verdachte ter zake van feit 2 te bevelen, zoals gevorderd door de officier van justitie.

7
Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

- de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;

- de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet;

- artikel 38 van de Geneesmiddelenwet;

- de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

Beslissing

8
Beslissing

De rechtbank:

? Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3.3. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

? Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 8 (acht) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 3 (drie) jaar.

Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt de volgende bijzondere voorwaarden, die gelden gedurende de proeftijd:

- Meldplicht bij reclassering

De verdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak.

- Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname

De verdachte laat zich gedurende de proeftijd behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek en/of andere problematiek.

Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/ crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.

- Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang

De verdachte verblijft gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zo snel mogelijk. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.

- Contactverbod

De verdachte zal gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact leggen of laten leggen met de medeverdachte in de onderhavige strafzaak, [medeverdachte], geboren op [geboortedatum 2], zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.

- Dagbesteding

De verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur.

- Aflossing schulden

De verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

- Beheersing middelengebruik

De verdachte werkt gedurende de proeftijd mee aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

- Stap voor stap

De verdachte werkt aan bewustwording van de levensstijl en middelenproblematiek. Hiertoe werkt de verdachte binnen het reclasseringstoezicht mee aan de begeleidingsmodule Stap voor Stap.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

? Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van die voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf.

? Wijst af de vordering tot gevangenneming ter zake van feit 2.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Rigter, voorzitter,

mrs. I.M. Hendriks en R.V. Loeve, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier A. Helder,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 augustus 2026.

Bijlage 1: de tenlastelegging

Aan de verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a Sv, ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 2 december 2025 te De Rijp, gemeente Alkmaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad:

- 141 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne en/of

- 2.900 XTC-pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA,

beide middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2

hij op of omstreeks 2 december 2025 te De Rijp, gemeente Alkmaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander(en), althans alleen, opzettelijk zonder registratie, een hoeveelheid (van (ongeveer) 4.962,80 gram) ketamine, zijnde een werkzame stof als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder x.1 van de Geneesmiddelenwet, in voorraad heeft gehad;

3

hij op of omstreeks 2 december 2025 te De Rijp, gemeente Alkmaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te

weten:

- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,

- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of

- het opzettelijk vervaardigen van XTC-pillen (MDMA) en/of cocaïne, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet,

- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,

- een of meer voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of zijn/haar mededaders, wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door:

- Een woning gelegen aan de [adres 2] in De Rijp ter beschikking te stellen,

- een voertuig met kenteken [kenteken] beschikbaar te stellen,

- jerrycans met zoutzuur en methylethylketon te vervoeren naar de productielocatie, althans voorhanden te hebben, welke benodigd zijn voor de productie en/of bewerking van cocaïne en/of MDMA, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

- afspraken te maken en/of (telefonisch) contact te hebben met medeverdachte(n) en/of

- een of meerdere goederen voorhanden te hebben die benodigd zijn voor de productie en/of bewerking van cocaïne en/of MDMA, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten:

- een of meerdere notities,

- lege capsules,

- flessen ammoniak,

- jerrycans,

- een weegschaal,

- een vacuüm-meermachine,

- een mixer en/of

- een zeef.