Rechtbank Noord-Holland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBNHO:2026:11062

Op 25 August 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 15/016161-24, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNHO:2026:11062. De plaats van zitting was Haarlem.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
15/016161-24
Datum uitspraak:
25 August 2026
Datum publicatie:
25 August 2026

Indicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel door zijn minderjarige zoon ertoe te bewegen geld te genereren. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen van een bedrag van in totaal ruim € 127.000,-. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van twaalf maanden. De benadeelde partij is niet ontvankelijk in zijn vordering.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/016161-24 (P)

Uitspraakdatum: 25 augustus 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 augustus 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. A.M. de Leeuw, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. J.L. L'Homme, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1
Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, verkort en zakelijk weergegeven, ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:

1het medeplegen van mensenhandel (artikel 237f, eerste lid, sub 2° en sub 4° Sr) van [slachtoffer] in of omstreeks de periode van 15 december 2022 tot en met 8 april 2023 te Zaandam, althans in Nederland, terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt (artikel 237f, lid 3, sub 2° Sr);

2 primair

het medeplegen van (eenvoudig) witwassen van een geldbedrag van in totaal € 127.031,88, althans enig geldbedrag, terwijl hij van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;

2 subsidiair

het medeplegen van (eenvoudig) schuldwitwassen van een geldbedrag van in totaal € 127.031,88, althans enig geldbedrag.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1 bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.

2
Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

Overwegingen

3
Beoordeling van het bewijs
3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak van de verdachte bepleit.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage 2 bij dit vonnis zijn opgenomen.

3.3.2.

Bewijsoverwegingen mensenhandel

De verdachte wordt onder feit 1 - kort gezegd – de criminele uitbuiting van zijn destijds minderjarige zoon [slachtoffer] verweten. De rechtbank zal hieronder eerst het juridisch kader van mensenhandel uiteenzetten. Vervolgens zal zij uitleggen waarom zij tot een gedeeltelijke bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde komt.

Juridisch kader mensenhandel

Mensenhandel is strafbaar gesteld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Artikel 273f Sr beoogt bescherming te bieden tegen de aantasting van de lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van personen. In deze zaak zijn de volgende sub-onderdelen van artikel 273f Sr van belang.

Artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr

Artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr ziet, voor zover in deze zaak van belang, op het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van een ander met het oogmerk van uitbuiting van de ander, terwijl die ander nog geen 18 jaar oud is. Het gaat om de activiteiten om iemand in de positie te brengen, waarin deze bewogen dan wel gedwongen kan worden zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten. Het daadwerkelijke bewegen dan wel dwingen tot het verrichten van arbeid en/of diensten is strafbaar gesteld in sub 4.

De handelingen omschreven in sub 2 zijn slechts strafbaar als deze zijn begaan met het oogmerk van uitbuiting. Met andere woorden: de gedragingen moeten zijn gericht op de uitbuiting van personen.

Het begrip ‘uitbuiting’ is door de wetgever niet gedefinieerd, behoudens voor zover in artikel 273f, tweede lid Sr is bepaald. In deze zaak is daarvoor van belang dat ‘uitbuiting ten minste omvat gedwongen of verplichte arbeid of diensten, met inbegrip van bedelarij en uitbuiting van strafbare activiteiten’. De vraag of – en zo ja, wanneer – sprake is van 'uitbuiting', is niet in algemene termen te beantwoorden, maar hangt sterk samen met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de te verrichten activiteit, de beperkingen die deze activiteit voor de betrokkene(n) meebrengt en het economisch voordeel dat daarmee door de uitbuiter wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren moeten de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader worden gehanteerd.

Uitbuiting veronderstelt een bepaalde mate van onvrijwilligheid, die ziet op de onmogelijkheid om zich aan een bepaalde situatie te onttrekken. Het slachtoffer wordt in een situatie gebracht of gehouden waarin hij of zij redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan zich te laten exploiteren.

Uit rechtspraak volgt dat uitbuiting eerder aan de orde is in het geval van (zeer) kwetsbare slachtoffers, zoals – voor zover hier van belang – minderjarigen, en als het gaat om het uitvoeren van strafbare activiteiten in plaats van het verrichten van andere arbeid.

Als de uitbuiting is gericht op een minderjarig slachtoffer zijn geen dwangmiddelen (die in sub 1 genoemd staan) vereist om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Bij minderjarigen wordt ervan uitgegaan dat zij niet beschikken over een zekere rijpheid die hen in staat stelt de gevolgen van hun handelingen te overzien en zelfstandig beslissingen te nemen. De leeftijd van het slachtoffer is geobjectiveerd, opzet of schuld daaromtrent is niet vereist. De wetgever heeft tot uitdrukking willen brengen dat aan de wil van de minderjarige, en daarmee de vraag of de minderjarige heeft ingestemd met de activiteiten, geen betekenis toekomt.

Artikel 273f, eerste lid, sub 4 Sr

Artikel 273f, eerste lid, sub 4 Sr stelt het gebruik van iemand in een uitbuitingssituatie strafbaar. Het gaat om de situatie waarbij een ander met een dwangmiddel (zoals genoemd in sub 1) wordt gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, of waarbij enige handeling wordt ondernomen waarvan men weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor daartoe beschikbaar stelt. Gedoeld wordt op degenen die gebruik maken van de uitbuitingssituatie van een ander, welke uitbuitingssituatie zij overigens niet zelf hoeven te hebben gecreëerd. De gedragingen in sub 4 volgen vaak op de gedragingen in sub 2, maar ze kunnen elkaar ook overlappen.

De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat ‘uitbuiting’ in sub 4 moet worden ingelezen en daarvan een impliciet bestanddeel vormt, ondanks de omstandigheid dat ‘uitbuiting’ als zodanig niet in de tekst van sub 4 is opgenomen. De gedragingen, genoemd in sub 4, kunnen slechts als mensenhandel worden bestraft, als uit de bewijsvoering volgt dat zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld.

Toepassing van het juridisch kader op deze zaak

De vraag die de rechtbank als eerste moet beantwoorden, is of in dit specifieke geval sprake is geweest van uitbuiting in de zin van artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr en of de verdachte daartoe ook het oogmerk had.

Uit het dossier en de ter terechtzitting afgelegde verklaring van de verdachte is komen vast te staan dat hij de vader is van [slachtoffer] , en dat [slachtoffer] in de ten laste gelegde periode deels 14 jaar en deels 15 jaar was. [slachtoffer] woonde bij de verdachte thuis en de verdachte vervoerde zijn zoon regelmatig naar diens school of de kapper. Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat de verdachte in zoverre de ten laste gelegde handelingen heeft verricht, in die zin dat hij zijn zoon heeft vervoerd en gehuisvest. Voor een bewezenverklaring van dit onderdeel van het ten laste gelegde is, zoals hierboven beschreven, echter tevens vereist dat die handelingen zijn verricht met het oogmerk van uitbuiting. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de verdachte de hier bedoelde handelingen, te weten het vervoeren en huisvesten van zijn zoon, heeft ingezet of verricht met de bedoeling om [slachtoffer] uit te buiten. Dat vervoeren en huisvesten vloeide veeleer voort uit de gezinssituatie en hun vader-zoon-relatie. Dit onderdeel van de tenlastelegging – gebaseerd op artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr – kan naar het oordeel van de rechtbank daarom niet bewezen worden verklaard. De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken voor zover de tenlastelegging is gebaseerd op artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr.

Vervolgens moet de rechtbank de vraag beantwoorden of in deze zaak sprake is geweest van uitbuiting in de zin van artikel 273f, eerste lid, sub 4 Sr.

In dit kader stelt de rechtbank voorop dat uit het dossier volgt dat [slachtoffer] de grootverdiener van het gezin was. Via WhatsApp hield [slachtoffer] de verdachte en [medeverdachte] (zijnde de moeder van [slachtoffer] , hierna: medeverdachte) op de hoogte van de geldbedragen die hij had verdiend en die hij nog zou gaan verdienen. Niet ter discussie staat dat de verdachte – net als de medeverdachte – bewust heeft geprofiteerd van de aanzienlijke opbrengsten van de activiteiten van [slachtoffer] . Uit de inhoud van de WhatsApp-berichten volgt namelijk dat [slachtoffer] ten behoeve van de aankoop van luxegoederen, vakanties, eten en andere zaken voor het huishouden met medeweten van de verdachte en de medeverdachte grote geldbedragen naar de bankrekeningen van de verdachte en de medeverdachte heeft overgemaakt. De verdachte heeft ter terechtzitting ook verklaard dat hij gebruik heeft gemaakt van de situatie dat [slachtoffer] veel geld verdiende.

Uit de bewijsmiddelen volgt ook onmiskenbaar dat de verdachte [slachtoffer] ertoe heeft bewogen zich beschikbaar te blijven stellen tot het verrichten van geld genererende activiteiten. De verdachte heeft in de ten laste gelegde periode via WhatsApp veel indringende en sturende berichten gestuurd aan [slachtoffer] . Uit die WhatsApp-berichten komt het beeld naar voren dat [slachtoffer] van de verdachte geld moest blijven verdienen en dat [slachtoffer] – als hij weer geld had verdiend – een (aanzienlijk) deel van dat geld naar de verdachte moest overmaken. Ook blijkt uit berichten dat de verdachte bepaalde handelingen, zoals [slachtoffer] naar de kapper of naar school brengen, in het vooruitzicht stelde, waaraan hij vervolgens de voorwaarde verbond dat [slachtoffer] eerst geld naar de verdachte moest overmaken. Door het versturen van dergelijke berichten heeft de verdachte zijn feitelijk overwicht en de kwetsbare positie van [slachtoffer] misbruikt en daarmee zijn zoon zodanig onder druk gezet om veel geld te (blijven) verdienen dat deze geen reële eigen keuze meer had om zich aan de situatie te onttrekken. Dat de verdachte, zoals de verdediging heeft betoogd, ervan uitging dat zijn zoon het geld op legale wijze verdiende, betekent niet dat geen sprake meer is van uitbuiting. Uit het hiervoor overwogene volgt immers dat [slachtoffer] geen reële eigen keuze had om zich aan de situatie te onttrekken, bijvoorbeeld door geen of minder geld binnen te brengen. De wijze waarop [slachtoffer] het geld verdiende, had daarbij geen verschil gemaakt. Dit betekent dat ook sprake zou zijn geweest van een uitbuitingssituatie als [slachtoffer] zijn geld op legale wijze had verdiend.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan criminele uitbuiting van zijn minderjarige zoon door [slachtoffer] te bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten en daarbij misbruik te maken van zijn overwicht op [slachtoffer] en de kwetsbare positie waarin [slachtoffer] verkeerde.

3.3.3.

Bewijsoverwegingen witwassen

De verdachte wordt onder feit 2 primair het medeplegen van (gewoonte)witwassen van € 127.031,88 verweten. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Van misdrijf afkomstig

Voor een bewezenverklaring van witwassen is vereist dat vast komt te staan dat het voorwerp waarop de verdenking van witwassen betrekking heeft (in dit geval een geldbedrag) middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dat wist. De rechtbank stelt aan de hand van het dossier vast dat het geldbedrag van in totaal € 127.031,88 afkomstig was uit enig misdrijf, te weten de door [slachtoffer] gepleegde misdrijven.

Uit de bewijsmiddelen, in het bijzonder het vonnis van deze rechtbank van 10 november 2025 in de strafzaak tegen [slachtoffer] , volgt immers dat [slachtoffer] cryptovaluta afhandig heeft gemaakt van meerdere slachtoffers door middel van (kort gezegd) helpdeskfraude. [slachtoffer] is door de rechtbank onder meer veroordeeld voor oplichting, computervredebreuk en computercriminaliteit. Een deel van de buitgemaakte cryptovaluta met een totale waarde van € 127.031,88 is vervolgens vanaf een Coinbase-account, dat wegens de minderjarigheid van [slachtoffer] op naam van de verdachte stond, in delen overgemaakt naar de bankrekening van de verdachte. Gelet hierop kan er naar het oordeel van de rechtbank een direct verband worden gelegd tussen de op de rekening van de verdachte gestorte bedragen en de strafbare feiten waarvoor [slachtoffer] is veroordeeld.

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat het geldbedrag van in totaal € 127.031,88 van voornoemd beschreven misdrijven afkomstig is.

Wetenschap dat het geldbedrag van misdrijf afkomstig is

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet wist dat het geldbedrag van misdrijf afkomstig was. De verdachte zou in de veronderstelling hebben geleefd dat [slachtoffer] het geld met het testen van games en het professioneel spelen van game toernooien, oftewel e-sports heeft verdiend.

De rechtbank acht deze lezing volstrekt onaannemelijk. Uit het dossier volgt namelijk dat [slachtoffer] steeds op willekeurige momenten grote hoeveelheden geld heeft verdiend, waarbij ook sprake was van wisselende bedragen, hetgeen niet past bij het ontvangen van vergoedingen voor het testen van games of bij de prijsuitkeringen die gebruikelijk zijn bij e-sports-toernooien. Daarnaast past deze lezing niet bij de berichten van [slachtoffer] waarin hij aangeeft hoeveel geld hij in de daaropvolgende dagen zal verdienen. Bij het spelen van e-sports wedstrijden of toernooien waar een geldprijs aan is verbonden, hangt de vraag of een deelnemer geld verdient en zo ja, hoeveel, immers af van welke prestatie de deelnemer heeft geleverd. Op het moment waarop [slachtoffer] deze berichten stuurde, kon hij nog niet voorzien hoe de op dat moment nog te houden wedstijd of het toernooi zou verlopen en hoeveel geld hij daarmee zou verdienen.

Uit de Whatsapp-gesprekken met zowel de verdachte als de medeverdachte komt verder op geen enkele manier naar voren dat [slachtoffer] zou meedoen aan e-sports wedstrijden of toernooien, of dat hij het geld anderszins door middel van het professioneel spelen van games heeft verkregen. Dat de verdachte wel degelijk op de hoogte was van de criminele herkomst van het geld, vindt ondersteuning in een WhatsApp-gesprek van 27 december 2022. De rechtbank leest dit gesprek zo dat in samenspraak met [slachtoffer] en de medeverdachte wordt besproken of de door [slachtoffer] verdiende bedragen al dan niet moeten worden gemeld aan de Belastingdienst. De medeverdachte schrijft in dit bericht namelijk over boetes van 75 tot 300 procent, wanneer ‘ze’ er zelf achter komen.

Conclusie

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van het ten laste gelegde geldbedrag.

Medeplegen

De rechtbank acht voorts bewezen dat de verdachte dit witwassen tezamen en in vereniging met de medeverdachte en met [slachtoffer] heeft gepleegd. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de verdachte in samenspraak met de medeverdachte en met [slachtoffer] tot het overmaken van de van misdrijf afkomstige geldbedragen overging. Bovendien heeft de verdachte het geld samen met de medeverdachte beheerd en uitgegeven. Uit het dossier blijkt aldus voldoende dat een nauwe en bewuste samenwerking heeft bestaan, zodat het medeplegen van het witwassen kan worden bewezen.

Gewoontewitwassen

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte gedurende een ruime periode meerdere overboekingen heeft verricht die als witwassen kunnen worden aangeduid. Mede gelet op de zeer aanzienlijke bedragen die hiermee gemoeid zijn en die optellen tot een totaalbedrag van € 127.031,88 acht de rechtbank tevens wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

1hij in de periode van 15 december 2022 tot en met 8 april 2023 te Zaandam, een ander, te weten [slachtoffer] ,• telkens met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie, heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, immers heeft verdachte:- die [slachtoffer] binnen de afhankelijkheidsrelatie van vader en zoon op een dwingende en/of indringende en/of sturende wijze instructies gegeven gericht op het “maken” van geld, en aldus die [slachtoffer] aangezet tot geld genererende handelingen, door die [slachtoffer] onder andere de volgende berichten te sturen via Whatsapp:-“deze moeten we hebben” (15 december 2022),-“stuur me ff zakgeld” (27 december 2022),-“was kapper lekker, volgende x laat ik jou ook een week wachten” (13 januari 2023),-“Wnr stuur je 3600” (27 januari 2023),-“WTF. Nog geen coinbase geld nog” (2 februari 2023),-“Bestel me loungeset” (19 februari 2023),-“maak geld” (08 maart 2023),-“Bij de 120k kopen we samen rollie” (17 maart 2023),-“nee eerst moet je 120 k hebben als ik dat zie dan bestellen” (17 maart 2023),-“Ok als je 75k hebt mag je die” (17 maart 2023),-“Lik me reet zoek maar uit hoe je naar school gaat hen en weer en je kapper vanaf vandaag ga jij niet mee” (19 maart 2023),-“fock jou geld als zo doet en gedrag vertoont” (2 april 2023),-“Je wil dat ik je haal, gaat kosten” (03 april 2023), en/of- die [slachtoffer] er toe gebracht de winsten van zijn activiteiten over te maken naar Coinbase accounts en/of rekeningen op naam van verdachte en uit te geven aan het huishouden van en spullen voor verdachte,terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt;

2primair

hij in de periode van 17 april 2022 tot en met 8 april 2023, te Zaandam, tezamen en in vereniging met anderen een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal € 127.031,88, - voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en- daarvan gebruik heeft gemaaktterwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, en hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4
Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1: Mensenhandel jegens een persoon beneden de achttien jaren.

Feit 2: Van het medeplegen van witwassen een gewoonte maken.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is dan ook strafbaar.

5
Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

6
Motivering van de sanctie
6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht geen gevangenisstraf op te leggen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte kampt met gezondheidsproblemen. Als de verdachte tot een gevangenisstraf wordt veroordeeld zal het behoud van een recent toegewezen woning in gevaar komen. Bovendien heeft de verdachte zijn leefsituatie in de afgelopen jaren juist weten te stabiliseren.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel. In een periode van viereneenhalve maand heeft de verdachte zijn minderjarige zoon door middel van het steeds sturen van indringende Whatsapp-berichten ertoe bewogen (meer) geld te genereren. Het ging daarbij om aanzienlijke bedragen, waarmee de verdachte een aanzienlijke hoeveelheid luxegoederen aanschafte. De verdachte heeft zo voor zijn eigen financiële gewin de feitelijke machtspositie ten opzichte van zijn destijds minderjarige zoon misbruikt. Het is juist een van de kerntaken van ouders van (minderjarige) kinderen om hen te beschermen tegen dergelijke inbreuken op hun integriteit. De verdachte heeft deze taak ernstig verzaakt.

De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen. De verdachte heeft samen met zijn toenmalige partner en destijds minderjarige zoon een bedrag van in totaal ruim € 127.000,- witgewassen over een periode van ongeveer een jaar. Witwassen tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan en heeft een ontwrichtende werking op de economie. Deze werking wordt nog versterkt als het geld als vermeend legaal geld wordt gebruikt in de legale economie. Bovendien maakt het dat misdaad loont, waardoor het voortbestaan van verschillende vormen van criminaliteit in de hand wordt gewerkt.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het strafblad van de verdachte van 3 juli 2026. Daaruit blijkt dat hij niet eerder ter zake van een soortgelijk feit is veroordeeld, zodat dit niet in zijn nadeel meeweegt. De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 25 maart 2025. Hieruit volgt dat de reclassering geen aanknopingspunten ziet voor reclasseringsinterventie. De verdachte heeft ook aangegeven geen reden te zien voor interventie of begeleiding door de reclassering.

De ernst en de aard van de bewezen verklaarde feiten rechtvaardigen in beginsel een gevangenisstraf voor de duur dertien maanden.

Redelijke termijn

Bij het opleggen van de straf moet de rechtbank ook beoordelen of de zaak van de verdachte binnen een redelijke termijn wordt afgedaan. In deze zaak is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden aangevangen op 16 januari 2024. Op die dag is de verdachte in verzekering gesteld en kon hij de redelijke verwachting hebben dat tegen hem een strafvervolging zou worden ingesteld. Als uitgangspunt geldt dat de rechtbank binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn een beslissing moet nemen. De rechtbank doet uitspraak op 25 augustus 2026. Dit betekent dat de redelijke termijn met ruim zeven maanden is overschreden. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank de duur van de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf met één maand verkorten. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden passend en geboden is.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

7
Beslissingen omtrent in beslag genomen en niet in beslag genomen voorwerpen

Strafrechtelijk beslag

Onder de verdachte zijn met een strafrechtelijke beslagtitel de volgende voorwerpen in beslag genomen en niet teruggegeven:

1. STK Tas2. 1 STK Horloge11. 1 STK Stofzuiger 12. 1 STK Stofzuiger 13. 1 STK Koffer14. 1 STK Barbecue15. 1 STK Niet te definiëren goederen16. 1 STK Tuinbank17. 1 STK Hogedrukspuit18. 1 STK parasol19. 1 STK Niet te definiëren goederen20. 1 STK Stoel21. 1 STK Trap22. 1 STK Beeldscherm23. 1 STK Beeldscherm24. 1 STK Kleding25. 1 PR Schoenen26. 1 PR Schoenen27. 1 STK Tuinameublement28. 1 STK Microfoonstandaard29. 1 STK Microfoon30. 1 STK Muis31. 1 STK Toetsenbord32. 1 STK Koptelefoon33. 1 STK Muis34. 1 STK Niet te definiëren goederen35. 1 STK Scheerapparaat36. 1 STK Niet te definiëren goederen

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat deze onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen met een strafrechtelijke beslagtitel, moeten worden teruggegeven aan de verdachte.

Conservatoir beslag

Onder de verdachte is onder meer conservatoir beslag gelegd op het volgende voorwerp dat niet is teruggegeven:

6. € 9.038,- van 1 STK Personenauto 2TND37 (Omschrijving: Mercedes-Benz);

De officier van justitie heeft gevorderd dat dit in beslag genomen geldbedrag verbeurd moet worden verklaard. De raadsman heeft hierover geen standpunt ingenomen.

De rechtbank is van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten € 9.038,- van 1 STK Personenauto, moet worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het voorwerp geheel door middel van het strafbare feit, te weten het medeplegen van gewoontewitwassen, is verkregen.

De personenauto staat of stond – zo heeft de verdachte verklaard – op naam van de medeverdachte en behoort aldus niet toe aan de verdachte. Uit het dossier volgt echter dat de medeverdachte – net als de verdachte – bekend was met de verkrijging van de personenauto door middel van het strafbare feit, zodat aan het vereiste voor verbeurdverklaring ex artikel 33a lid 2 sub a Sr is voldaan.

Niet in beslag genomen geldbedrag ter hoogte van € 72.696,-

De officier van justitie heeft verder gevorderd dat een bedrag van € 72.696,-, dat niet onder de verdachte in beslag is genomen, op grond van artikel 34 Sr moet worden verbeurdverklaard. De officier van justitie heeft als uitgangspunt genomen dat de verdachte € 127.031,88 tot zijn beschikking heeft gekregen. Van dat bedrag is door de verdachte een totaalbedrag van € 54.335,- aan de medeverdachte overgemaakt. Volgens de officier van justitie is de € 72.696,- dan ook het resterende bedrag van de vastgestelde witwasgelden waar de verdachte uiteindelijk voordeel van heeft genoten.

De rechtbank zal niet tot verbeurdverklaring van het genoemde bedrag overgaan en overweegt daartoe als volgt. Het bedrag van € 72.696,- wordt gevormd door een optelsom van meerdere overboekingen naar de bankrekening van de verdachte, verminderd met het bedrag dat aan de medeverdachte is overgemaakt. Het is bij gebrek aan nadere informatie niet duidelijk wat er met het saldo op de bankrekening van de verdachte is gebeurd na de bewezen verklaarde periode. De rechtbank kan daarom niet vaststellen of op dit moment sprake is van een voorwerp dat op grond van artikel 33a Sr verbeurd kan worden verklaard.

8
Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.000,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij geen gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat hij door het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook kan de rechtbank niet vaststellen dat anderszins sprake is van een aantasting in de persoon, omdat de benadeelde partij onvoldoende met concrete gegevens heeft onderbouwd welke gevolgen het strafbare feit voor hem heeft gehad. Van een uitzonderlijke situatie waarin geen onderbouwing nodig is, is in dit geval geen sprake, gelet op rechtspraak van de Hoge Raad.

De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering en dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

9
Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

- 33, 33a, 47, 57, 273f en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezen verklaarde dan wel van deze uitspraak.

10
Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de teruggave aan de verdachte van:

1. STK Tas (Omschrijving: NHRAA23009-801587);2. 1 STK Horloge (Omschrijving: NHRAA23009-801593, wit, merk: Giorgio Armani);11. 1 STK Stofzuiger (Dyson), (Omschrijving: NHRAA23009_801545, Dyson);12. 1 STK Stofzuiger (Dyson), (Omschrijving: NHRAA23009_801599, Dyson);13. 1 STK Koffer, (Omschrijving: NHRAA23009_801614, zwart, merk: Bonair American);14. 1 STK Barbecue (Omschrijving: NHRAA23009_801579, zwart, merk: Klarstein Kingsville);15. 1 STK Niet te definiëren goederen (Omschrijving: NHRAA23009_801583);16. 1 STK Tuinbank (Omschrijving: NHRAA23009_801580);17. 1 STK Hogedrukspuit (Omschrijving: NHRAA23009_801578, Karcher);18. 1 STK parasol (Omschrijving: NHRAA23009_801581);19. 1 STK Niet te definiëren goederen (Omschrijving: NHRAA23009_801562);20. 1 STK Stoel (Omschrijving: NHRAA23009_801600);21. 1 STK Trap (Omschrijving: NHRAA23009_801561, Duett);22. 1 STK Beeldscherm (Omschrijving: NHRAA23009_801605, zwart, merk: MSI);23. 1 STK Beeldscherm (Omschrijving: NHRAA23009_801604, zwart, merk: Acer);24. 1 STK Kleding (Omschrijving: NHRAA23009_801547, Lacoste);25. 1 PR Schoenen (Omschrijving: NHRAA23009_801572, wit, merk: Nike Air Jordan);26. 1 PR Schoenen (Omschrijving: NHRAA23009_801571, wit, merk: Nike Air Jordan);27. 1 STK Tuinameublement (Omschrijving: NHRAA23009_801582 tafel met 6 stoelen en afdekzeil);28. 1 STK Microfoonstandaard (Omschrijving: NHRAA23009_801607, PSA1);29. 1 STK Microfoon (Omschrijving: NHRAA23009_801606, HyperX Quadcast);30. 1 STK Muis (Omschrijving: NHRAA23009_801602, zwart, merk: Logitech);31. 1 STK Toetsenbord (Omschrijving: NHRAA23009_801603, zwart, merk: steelseries);32. 1 STK Koptelefoon (Omschrijving: NHRAA23009_801608, logitech);33. 1 STK Muis (Omschrijving: NHRAA23009_801601, rood, merk: Logitech);34. 1 STK Niet te definiëren goederen (Omschrijving: NHRAA23009_801616, Logitech);35. 1 STK Scheerapparaat (Omschrijving: NHRAA23009_801560, Wahl);36. 1 STK Niet te definiëren goederen (Omschrijving: NHRAA23009_801554, Sony);

verklaart verbeurd:

- € 9.038,- van 1 STK Personenauto 2TND37 (Omschrijving: Mercedes-Benz);

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering; en

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.D. Kleijne, voorzitter,

mr. M.S. Neervoort en mr. H. Bakker, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. T.J.A. Krips,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 augustus 2026.

Bijlage 1

De tenlastelegging

1

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 december 2022 tot en met 8 april 2023 te Zaandam, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, een ander, te weten [slachtoffer] ,

• (telkens) heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer] , terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt (sub 2°), en/of;

• (telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie, heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, dan wel onder die omstandigheden enige handelingen heeft ondernomen waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (sub 4°) immers heeft verdachte:

-die [slachtoffer] binnen de afhankelijkheidsrelatie van vader en zoon op een dwingende en/of indringende en/of sturende wijze verbale en/of non-verbale instructies gegeven gericht op het “maken” van geld, en/of aldus die [slachtoffer] aangezet en/of gedwongen tot geldgenerende en/of vermogensdelicten en/of handelingen, en/of misbruik gemaakt van de volgzaamheid en/of meegaandheid van die [slachtoffer] door (onder meer) die [slachtoffer] onder andere de volgende berichten te sturen via Whatsapp:

-“deze moeten we hebben” (15 december 2022),

-“stuur me ff zakgeld” (27 december 2022),

-“was kapper lekker, volgende x laat ik jou ook een week wachten”(13 januari 2023),

-“Wnr stuur je 3600” (27 januari 2023),

-“WTF. Nog geen coinbase geld nog” (2 februari 2023),

-“Bestel me loungeset” (19 februari 2023),

-“maak geld” (08 maart 2023),

-“Bij de 120k kopen we samen rollie” (17 maart 2023),

-“nee eerst moet je 120 k hebben als ik dat zie dan bestellen” (17 maart 2023),

-“Ok als je 75k hebt mag je die” (17 maart 2023),

-“Lik me reet zoek maar uit hoe je naar school gaat hen en weer en je kapper vanaf vandaag ga jij niet mee” (19 maart 2023),

-“jesus, weinig, moet 80 zijn”(27 maart 2023),

-“jup, ik kijk ernaar uit, vooral omdat jij betaald” (28 maart 2023),

-“fock jou geld als zo doet en gedrag vertoont” (2 april 2023),

-“Je wil dat ik je haal, gaat kosten” (03 april 2023), en/of

-die [slachtoffer] er (vervolgens) toe gebracht de winsten van zijn strafbare feiten en/of activiteiten over te maken naar Coinbase accounts en/of rekeningen op naam van verdachte en/of uit te geven aan het huishouden van en/of spullen voor verdachte,

en/of

*terwijl verdachte de ouder is van die [slachtoffer] en hij derhalve wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat die [slachtoffer] kwetsbaar en gemakkelijk te beïnvloeden was, en/of

*door welke feiten en omstandigheden voor die [slachtoffer] een situatie is ontstaan waaraan hij zich niet heeft kunnen onttrekken en ten gevolge waarvan hij geen weerstand aan verdachte heeft kunnen bieden, en/of

*terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt (artikel 237f, lid 3, sub 2° Sr);

2

primair

hij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 17 april 2022 tot en met 8 april 2023, te Zaandam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, meermalen, althans eenmaal (van) een voorwerp, althans een of meer voorwerpen, te weten een geldbedrag van in totaal € 127.031,88, althans enig geldbedrag, terwijl hij

Sub a

- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)

Sub b

- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of

- gebruik heeft gemaakt

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf, en/of

- hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;

2

subsidiair

hij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 17 april 2022 tot en met 8 april 2023, te Zaandam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen meermalen, althans eenmaal (van) een voorwerp, althans een of meer voorwerpen, te weten een geldbedrag van in totaal €127.031,88, althans enig geldbedrag

Sub a

- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)

Sub b

- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of

- gebruik heeft gemaakt

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf, en/of

- hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.