Rechtbank Noord-Holland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBNHO:2026:11070

Op 25 August 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 15/016092-24, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNHO:2026:11070. De plaats van zitting was Haarlem.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
15/016092-24
Datum uitspraak:
25 August 2026
Datum publicatie:
25 August 2026

Indicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel door opzettelijk profijt te trekken uit de uitbuitingssituatie waarin haar minderjarige zoon zich bevond. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen van een bedrag van in totaal ruim € 56.000,-. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van zeven maanden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/016092-24 (P)

Uitspraakdatum: 25 augustus 2026

Tegenspraak ex art. 279 van het Wetboek van Strafvordering

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 augustus 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. A.M. de Leeuw, en van wat de raadsvrouw van de verdachte, mr. K.K. Hansen-Löve, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht, naar voren heeft gebracht.

1
Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, verkort en zakelijk weergegeven, ten laste gelegd dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan:

1het medeplegen van mensenhandel (artikel 237f, eerste lid, sub 6° Sr) van [slachtoffer] in of omstreeks de periode van 15 december 2022 tot en met 8 april 2023 te Zaandam, althans in Nederland, terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt (artikel 237f, lid 3, sub 2° Sr);

2 primair

het medeplegen van (eenvoudig) witwassen van geldbedragen van in totaal € 54.335,- en/of € 1.927,01, althans enig geldbedrag, terwijl zij van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;

2 subsidiair

het medeplegen van (eenvoudig) schuldwitwassen van geldbedragen van in totaal € 54.335,- en/of € 1.927,01, althans enig geldbedrag.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1 bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.

2
Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

Overwegingen

3
Beoordeling van het bewijs
3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde en tot bewezenverklaring van het onder 2 primair ten laste gelegde feit.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak van de verdachte bepleit.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage 2 bij dit vonnis zijn opgenomen.

3.3.2.

Bewijsoverwegingen mensenhandel

De verdachte wordt onder feit 1 – kort gezegd – verweten dat zij opzettelijk profijt heeft getrokken uit de uitbuiting van haar destijds minderjarige zoon [slachtoffer] . De rechtbank zal hieronder eerst het juridisch kader van mensenhandel uiteenzetten. Vervolgens zal zij uitleggen waarom zij tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde komt.

Juridisch kader mensenhandel

Mensenhandel is strafbaar gesteld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Artikel 273f Sr beoogt bescherming te bieden tegen de aantasting van de lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van personen. In deze zaak is het volgende sub-onderdeel van artikel 273f Sr van belang.

Artikel 273f, eerste lid, sub 6 Sr

Strafbaar op grond van artikel 273f, eerste lid, sub 6 Sr is degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander. Opzet is als bestanddeel opgenomen, omdat anders onachtzaam handelen ook onder deze bepaling zou vallen. De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat het opzet gericht moet zijn zowel op het voordeel trekken als op de uitbuiting van een ander. De profijttrekker kan, maar hoeft niet, een ander zijn dan degene die de uitbuitingssituatie heeft gecreëerd. Een dwangmiddel (zoals genoemd in sub 1) is hier niet nodig.

Het begrip ‘uitbuiting’ is door de wetgever niet gedefinieerd, behoudens voor zover in artikel 273f, tweede lid Sr is bepaald. In deze zaak is daarvoor van belang dat ‘uitbuiting ten minste omvat gedwongen of verplichte arbeid of diensten, met inbegrip van bedelarij en uitbuiting van strafbare activiteiten’. De vraag of – en zo ja, wanneer – sprake is van 'uitbuiting', is niet in algemene termen te beantwoorden, maar hangt sterk samen met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de te verrichten activiteit, de beperkingen die deze activiteit voor de betrokkene(n) meebrengt en het economisch voordeel dat daarmee door de uitbuiter wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren moeten de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader worden gehanteerd.

Uitbuiting veronderstelt een bepaalde mate van onvrijwilligheid, die ziet op de onmogelijkheid om zich aan een bepaalde situatie te onttrekken. Het slachtoffer wordt in een situatie gebracht of gehouden waarin hij of zij redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan zich te laten exploiteren.

Uit rechtspraak volgt dat uitbuiting eerder aan de orde is in het geval van (zeer) kwetsbare slachtoffers, zoals – voor zover hier van belang – minderjarigen, en als het gaat om het uitvoeren van strafbare activiteiten in plaats van het verrichten van andere arbeid.

Toepassing van het juridisch kader op deze zaak

De rechtbank stelt allereerst vast dat [medeverdachte] (zijnde de vader van [slachtoffer] , hierna de medeverdachte) blijkens het vonnis van heden zich schuldig heeft gemaakt aan de uitbuiting van zijn minderjarige zoon. Bovendien is uit het dossier komen vast te staan dat de verdachte de moeder is van [slachtoffer] , en dat [slachtoffer] in de ten laste gelegde periode deels 14 jaar en deels 15 jaar was. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of in dit specifieke geval sprake is geweest van het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van [slachtoffer] in de zin van artikel 273f, eerste lid, sub 6 Sr.

In dit kader stelt de rechtbank voorop dat uit het dossier volgt dat [slachtoffer] de grootverdiener van het gezin was. Via WhatsApp hield [slachtoffer] de verdachte en de medeverdachte op de hoogte van de geldbedragen die hij had verdiend en die hij nog zou gaan verdienen. Niet ter discussie staat dat de verdachte – net als de medeverdachte – opzettelijk heeft geprofiteerd van de aanzienlijke opbrengsten van de activiteiten van [slachtoffer] . Uit de inhoud van de WhatsApp-berichten volgt namelijk dat de verdachte [slachtoffer] meermalen vraagt om geld voor de aankoop van kleding en oorbellen. Ook bevestigt zij in het Whatsapp-groepsgesprek met [slachtoffer] en de medeverdachte de aankoop van een Mercedes, die is betaald met het geld dat door [slachtoffer] is verdiend.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte ook opzet gehad op de uitbuiting van [slachtoffer] . Uit de inhoud van het voornoemde Whatsapp-groepsgesprek volgt immers dat de verdachte wetenschap had van in ieder geval een aantal sturende en indringende berichten die de medeverdachte aan [slachtoffer] stuurde over het overmaken van geld om luxegoederen van te kunnen kopen. Daarnaast volgt uit de bewijsmiddelen dat [slachtoffer] aan de verdachte vraagt of zij vanuit zijn bankrekening een bedrag van ongeveer € 5.000,- naar ‘hem’ (de rechtbank begrijpt: de medeverdachte) wil overmaken. De verdachte laat – zo blijkt uit de berichten – hierbij na om [slachtoffer] te vragen waarom dit aanzienlijke geldbedrag moet worden overgemaakt. Gelet hierop heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de medeverdachte, door misbruik te maken van zijn feitelijk overwicht en de kwetsbare positie van hun minderjarige zoon [slachtoffer] , hem ertoe heeft bewogen zijn geld genererende activiteiten voort te zetten.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van haar minderjarige zoon [slachtoffer] .

3.3.3.

Bewijsoverwegingen witwassen

De verdachte wordt onder feit 2 primair het medeplegen van (gewoonte)witwassen van € 54.335,- en € 1.927,01 verweten. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Voor een bewezenverklaring van witwassen is vereist dat vast komt te staan dat het voorwerp waarop de verdenking van witwassen betrekking heeft (in dit geval geldbedragen) middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dat wist.

Ten aanzien van het geldbedrag van in totaal € 54.335,-

De rechtbank stelt aan de hand van het dossier vast dat het geldbedrag van in totaal € 54.335,- afkomstig was uit enig misdrijf, te weten de door [slachtoffer] gepleegde misdrijven.

Uit de bewijsmiddelen, in het bijzonder het vonnis van deze rechtbank van 10 november 2025 in de strafzaak tegen [slachtoffer] , volgt immers dat hij cryptovaluta afhandig heeft gemaakt van meerdere slachtoffers door middel van (kort gezegd) helpdeskfraude. [slachtoffer] is door de rechtbank onder meer veroordeeld voor oplichting, computervredebreuk en computercriminaliteit. Een deel van de buitgemaakte cryptovaluta met een totale waarde van € 127.031,88 is vervolgens vanaf een Coinbase-account, dat wegens de minderjarigheid van [slachtoffer] op naam van de medeverdachte stond, in delen overgemaakt naar de bankrekening van de medeverdachte. Vanaf de bankrekening van de medeverdachte werd vervolgens een geldbedrag van in totaal € 54.335,- naar de bankrekening op naam van de verdachte overgemaakt. Gelet hierop kan er naar het oordeel van de rechtbank een direct verband worden gelegd tussen de op de rekening van de verdachte gestorte bedragen en de strafbare feiten waarvoor [slachtoffer] is veroordeeld.

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat het geldbedrag van in totaal € 54.335,- van voornoemd beschreven misdrijven afkomstig is en dat de verdachte dit wist.

Ten aanzien van het geldbedrag van € 1.927,01,-

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het onderzoek geen direct bewijs opgeleverd voor een criminele herkomst van het ten laste gelegde geldbedrag ter hoogte van € 1.927,01.

Als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen het voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp 'uit enig misdrijf' afkomstig is, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als uit het door het Openbaar Ministerie aangedragen bewijs, feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die zodanig zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een verklaring geeft voor de herkomst van die voorwerpen. Vervolgens ligt het dan op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst.

De rechtbank stelt vast dat het geldbedrag van € 1.927,01,-, net als het hiervoor genoemde bedrag van € 54.335,-, afkomstig is van een uitbetaling van cryptovaluta. Ook had de verdachte, net als de medeverdachte, een bitcoinrekening op haar naam staan, in dit geval een Bitvavo account. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de verdachte zelf actief was op het gebied van cryptovaluta. Deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien met de WhatsApp-berichten die de verdachte met de medeverdachte en [slachtoffer] heeft uitgewisseld op grond waarvan de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van [slachtoffer] , rechtvaardigen een vermoeden van witwassen. In dat geval mag van de verdachte worden verwacht dat zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft over de legale herkomst van het geldbedrag van € 1.927,01,-.

Wetenschap dat de geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet wist dat de geldbedragen van misdrijf afkomstig waren. De verdachte zou in de veronderstelling hebben geleefd dat [slachtoffer] het geld met het testen van games en het professioneel spelen van game toernooien, oftewel e-sports heeft verdiend.

De rechtbank acht deze lezing volstrekt onaannemelijk. Uit het dossier volgt namelijk dat [slachtoffer] steeds op willekeurige momenten grote hoeveelheden geld heeft verdiend, waarbij ook sprake was van wisselende bedragen, hetgeen niet past bij het ontvangen van vergoedingen voor het testen van games of bij de prijsuitkeringen die gebruikelijk zijn bij e-sports-toernooien. Daarnaast past deze lezing niet bij de berichten van [slachtoffer] waarin hij aangeeft hoeveel geld hij in de daaropvolgende dagen zal verdienen. Bij het spelen van e-sports wedstrijden of toernooien waar een geldprijs aan is verbonden, hangt de vraag of een deelnemer geld verdient en zo ja, hoeveel, immers af van welke prestatie de deelnemer heeft geleverd. Op het moment waarop [slachtoffer] deze berichten stuurde, kon hij nog niet voorzien hoe de op dat moment nog te houden wedstrijd of het toernooi zou verlopen en hoeveel geld hij daarmee zou verdienen.

Uit de Whatsapp-gesprekken met zowel de verdachte als de medeverdachte komt verder op geen enkele manier naar voren dat [slachtoffer] zou meedoen aan e-sports wedstrijden of toernooien, of dat hij het geld anderszins door middel van het professioneel spelen van games heeft verkregen. Dat de verdachte wel degelijk op de hoogte was van de criminele herkomst van het geld, vindt ondersteuning in een WhatsApp-gesprek van 27 december 2022. De rechtbank leest dit gesprek zo dat in samenspraak met [slachtoffer] en de medeverdachte wordt besproken of de door [slachtoffer] verdiende bedragen al dan niet moeten worden gemeld aan de Belastingdienst. De verdachte schrijft in dit bericht namelijk over boetes van 75 tot 300 procent, wanneer ‘ze’ er zelf achter komen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven dat het geldbedrag van € 1.927,01 een legale herkomst heeft. De verklaring van de verdachte kan daarom niet worden gebruikt om het witwasvermoeden weg te nemen. Dit betekent dat er geen andere conclusie mogelijk is dan dat het geldbedrag van € 1.927,01 onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dit wist.

Conclusie

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van de ten laste gelegde geldbedragen.

Medeplegen

De rechtbank acht voorts bewezen dat de verdachte dit witwassen tezamen en in vereniging met de medeverdachte en met [slachtoffer] heeft gepleegd. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de verdachte in samenspraak met de medeverdachte en met [slachtoffer] tot het overmaken van de van misdrijf afkomstige geldbedragen overging. Bovendien heeft de verdachte het geld samen met de medeverdachte beheerd en uitgegeven. Uit het dossier blijkt aldus voldoende dat een nauwe en bewuste samenwerking heeft bestaan, zodat het medeplegen van het witwassen kan worden bewezen.

Gewoontewitwassen

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte gedurende een ruime periode meerdere overboekingen heeft verricht die als witwassen kunnen worden aangeduid. Mede gelet op de zeer aanzienlijke bedragen die hiermee gemoeid zijn en die op tellen tot een totaalbedrag van € 56.262,01 acht de rechtbank tevens wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

1zij in de periode van 15 december 2022 tot en met 8 april 2023 te Zaandam

• opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer] , terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt;

2primair

zij in de periode van 17 april 2022 tot en met 8 april 2023 te Zaandam, tezamen en in vereniging met anderen voorwerpen, te weten geldbedragen van in totaal € 54.335,- en € 1.927,01 - voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en- daarvan gebruik heeft gemaaktterwijl zij, verdachte, en haar mededaders wisten dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en zij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in haar verdediging geschaad.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4
Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1: Mensenhandel jegens een persoon beneden de achttien jaren.

Feit 2: Van het medeplegen van witwassen een gewoonte maken.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is dan ook strafbaar.

5
Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

6
Motivering van de sanctie
6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uren.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft – indien de rechtbank tot een strafoplegging zou komen – gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel. Zij heeft in een tijdsbestek van viereneenhalve maand opzettelijk profijt getrokken uit de uitbuitingssituatie, waarin haar minderjarige zoon zich bevond. Door te profiteren van de uitbuiting van haar zoon heeft zij zowel de ontwrichte situatie van het gezin alsook de kwetsbare positie van haar minderjarige zoon in stand gehouden en beïnvloed. De rechtbank neemt het haar zeer kwalijk dat zij enkel voor eigen geldelijk gewin misbruik heeft gemaakt van haar positie. Het is juist een van de kerntaken van de ouders van (minderjarige) kinderen om hen te beschermen tegen dergelijke inbreuken op hun integriteit. De verdachte heeft deze taak ernstig verzaakt.

De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen. De verdachte heeft samen met haar toenmalig partner en haar zoon een bedrag van in totaal ruim € 56.000,- witgewassen over een periode van ongeveer een jaar. Witwassen tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan en heeft een ontwrichtende werking op de economie. Deze werking wordt nog versterkt als het geld als vermeend legaal geld wordt gebruikt in de legale economie. Bovendien maakt het dat misdaad loont, waardoor het voortbestaan van verschillende vormen van criminaliteit in de hand wordt gewerkt.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het strafblad van de verdachte van 3 juli 2026. Daaruit blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld, zodat dit niet in haar nadeel meeweegt.

De ernst en de aard van de bewezen verklaarde feiten rechtvaardigen in beginsel een gevangenisstraf voor de duur zeven maanden.

Redelijke termijn

Bij het opleggen van de straf moet de rechtbank ook beoordelen of de zaak van de verdachte binnen een redelijke termijn wordt afgedaan. In deze zaak is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden aangevangen op 16 januari 2024. Op die dag is de verdachte in verzekering gesteld en kon zij de redelijke verwachting hebben dat tegen haar een strafvervolging zou worden ingesteld. Als uitgangspunt geldt dat de rechtbank binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn een beslissing moet nemen. De rechtbank doet uitspraak op 25 augustus 2026. Dit betekent dat de redelijke termijn met ruim zeven maanden is overschreden. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank de duur van de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf met één maand verkorten. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden passend en geboden is.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

Beslissing

7
Beslissing omtrent niet in beslag genomen voorwerpen

De officier van justitie heeft gevorderd dat een bedrag van € 41.883,-, dat niet onder de verdachte in beslag is genomen, op grond van artikel 34 Sr moet worden verbeurdverklaard. De officier van justitie heeft als uitgangspunt genomen dat de verdachte (€ 54.335 + € 1.927,- =) € 56.262,- tot haar beschikking heeft gekregen. Van dat bedrag is door de officier van justitie de aanschafwaarde van een door de verdachte aangekochte personenauto ter hoogte van € 14.379,- afgetrokken, omdat de officier van justitie de verbeurdverklaring van de waarde van die personenauto in de strafzaak tegen de medeverdachte heeft gevorderd. Volgens de officier van justitie is de € 41.883,- dan ook het bedrag van de vastgestelde witwasgelden waarvan de verdachte uiteindelijk voordeel van heeft genoten.

De rechtbank zal niet tot verbeurdverklaring van het genoemde bedrag overgaan en overweegt daartoe als volgt. Het is bij gebrek aan nadere informatie niet duidelijk wat er met het saldo op de bankrekening van de verdachte is gebeurd na de bewezen verklaarde periode. De rechtbank kan daarom niet vaststellen of op dit moment sprake is van een voorwerp dat op grond van artikel 33a Sr verbeurd kan worden verklaard.

8
Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

- 47, 57, 273f en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezen verklaarde dan wel van deze uitspraak.

9
Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en onder 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij;

bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.D. Kleijne, voorzitter,

mr. M.S. Neervoort en mr. H. Bakker, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. T.J.A. Krips,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 augustus 2026.

Bijlage 1

Tenlastelegging

1zij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 december 2022 tot en met 8 april 2023 te Zaandam, althans in Nederland meermalen, althans eenmaal• (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer] , (sub 6°),*terwijl verdachte de ouder is van die [slachtoffer] en zij derhalve wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat die [slachtoffer] kwetsbaar en gemakkelijk te beïnvloeden was, en/of*terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt (lid 3, sub 2°)

2primair

zij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 17 april 2022 tot en met 11 juni 2023 te Zaandam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, meermalen, althans eenmaal (van) een voorwerp, althans een of meer voorwerpen, te weten geldbedragen van in totaal €54.335 en/of €1927,01 althans enig geldbedrag

Sub a- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)

Sub b- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of- gebruik heeft gemaakt

terwijl zij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf,en/of- zij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;

subsidiair

zij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 17 april 2022 tot en met 11 juni 2023 te Zaandam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, meermalen, althans eenmaal (van) een voorwerp, althans een of meer voorwerpen, te weten geldbedragen van in totaal €54.335 en/of €1927,01 althans enig geldbedrag

Sub a- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)

Sub b- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of- gebruik heeft gemaaktterwijl zij, verdachte, en/of zijn mededader(s) redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.