RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15-250246-25 (P)
Uitspraakdatum: 20 augustus 2026
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 6 augustus 2026 in de zaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.M.H.G. Peters, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. O.P. Kuit, advocaat te Den Haag, naar voren hebben gebracht.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1
primair
hij op of omstreeks 19 april 2025 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten - het brengen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of die heen en weer te bewegen,terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te veroeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak;
subsidiair
hij op of omstreeks 19 april 2025 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten - het aanraken en/of likken van de borst(en) van die [slachtoffer] terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak;
feit 2
hij op of omstreeks 1 mei 2025 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een (Ring)deurbel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
7
Vordering benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 6.221,90 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 221,90 aan materiële schade en € 6.000,- aan immateriële schade.
Standpunten van de partijen
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig voor toewijzing in aanmerking komt, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het toe te wijzen bedrag ten aanzien van de immateriële schade dient te worden gematigd tot een bedrag van ten maximale € 3.000,-, gelet op bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend. Ten aanzien van de materiële schade en de schadevergoedingsmaatregel heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De gevorderde materiële schade bestaat enerzijds uit kosten gemaakt in verband met de aanschaf van beveiligingsmaatregelen (waaronder de vervanging van de vernielde deurbelcamera) en anderzijds uit kosten gemaakt in verband met het volgen van een hulpverleningstraject (reis- en parkeerkosten). Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelde partij gevorderde schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft de schade bovendien voldoende onderbouwd.
De vordering ten aanzien van de materiële schade zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over:
€ 44,- vanaf 27 maart 2026 (te weten: de aankoopdatum van de desbetreffende babyfoon met camera);
€ 181,90 vanaf 19 mei 2025 (omdat er van de andere aankopen geen aanschafdata bekend zijn, gaat de rechtbank ervan uit dat deze aankopen zijn gedaan na een maand van het incident, op 19 april 2025);
tot aan de dag der algehele voldoening.
Immateriële schade
Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De rechtbank is van oordeel dat van dit laatste sprake is. De verdachte heeft door zijn handelen een dusdanige inbreuk op een fundamenteel recht gemaakt, namelijk het zelfbeschikkingsrecht en de lichamelijke integriteit, dat dit als aantasting van de persoon op andere wijze zoals bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b BW kan worden aangemerkt. Zij heeft verder voldoende uiteengezet welke gevolgen dit voor haar heeft gehad, waaronder de noodzaak van psychologische begeleiding voor de behandeling van als gevolg van het feit ontstane slaapproblemen, angstklachten en uitval op haar werk. Voor de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank gekeken naar de Rotterdamse schaal en in het bijzonder naar paragraaf 15.1, categorie c. Gelet op de feiten en omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, zoals reeds eerder uiteengezet, acht de rechtbank een bedrag van € 3.500,- billijk en zal de vordering tot vergoeding van de immateriële schade dan ook toewijzen tot dat bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 april 2025. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: opzetverkrachting en vernieling) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien (15) maanden.
Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot zes (6) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee (2) jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
- de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op agressiebeheersing en seksueel grensoverschrijdend gedrag;
- de verdachte geen direct of indirect contact zoekt met de aangeefster [slachtoffer] , tenzij er instanties bij betrokken zijn ten behoeve van een eventuele omgangsregeling met hun kind.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 3.721,90, bestaande uit € 221,90 als vergoeding voor de materiële en € 3.500,00 als vergoeding voor de immateriële schade. Veroordeelt de verdachte tot betaling van de immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 april 2025 en de materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente over
€ 44,- vanaf 27 maart 2026;
€ 181,90 vanaf 19 mei 2025;
tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.721,90 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 37 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 april 2025, en het bedrag van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente over
€ 44,- vanaf 27 maart 2026;
€ 181,90 vanaf 19 mei 2025;
tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.K. Korteweg, voorzitter,
mr. I.A. Groenendijk en mr. S.H. Bouwers, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffiers, mr. S.D.C. Schoenmaker en mr. J.J.M. Luiten,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 augustus 2026.