Rechtbank Noord-Holland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBNHO:2026:11154

Op 20 August 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 15-250246-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNHO:2026:11154.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
15-250246-25
Datum uitspraak:
20 August 2026
Datum publicatie:
26 August 2026

Indicatie

Opzetverkrachting. De verdachte is kortstondig met zijn vingers de vagina van zijn ex-partner binnengedrongen, terwijl zij had aangegeven dat zij dit niet wilde. Op dat moment lag de verdachte bovenop het slachtoffer, waardoor zij zich niet aan de situatie kon onttrekken. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 15 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Gedeeltelijke toewijzing vordering bp.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15-250246-25 (P)

Uitspraakdatum: 20 augustus 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 6 augustus 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.M.H.G. Peters, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. O.P. Kuit, advocaat te Den Haag, naar voren hebben gebracht.

1
Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1 primair hij op of omstreeks 19 april 2025 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten - het brengen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of die heen en weer te bewegen,terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te veroeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak;

subsidiair hij op of omstreeks 19 april 2025 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten - het aanraken en/of likken van de borst(en) van die [slachtoffer] terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak;

feit 2 hij op of omstreeks 1 mei 2025 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een (Ring)deurbel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

2
Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Overwegingen

3
Beoordeling van het bewijs
3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair ten laste gelegde feit omdat steunbewijs hiervoor ontbreekt. Ten aanzien van de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.

3.3.2

Nadere bewijsoverweging feit 1 primair

Juridisch kader

In zedenzaken zijn vaak slechts twee personen bij de verweten seksuele gedraging aanwezig geweest, namelijk het veronderstelde slachtoffer en de vermeende dader. Wanneer de verdachte in zo’n geval de hem of haar verweten gedraging ontkent, is de verklaring van het veronderstelde slachtoffer doorgaans het enige directe bewijsmiddel. De rechtbank zal in de eerste plaats moeten beoordelen of die verklaring betrouwbaar is.

Het bewijs dat een verdachte een ten laste gelegd feit heeft begaan, kan echter niet uitsluitend worden gebaseerd op de verklaring van het veronderstelde slachtoffer (artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering). De feiten en omstandigheden waarover hij of zij verklaart, mogen niet op zichzelf staan, maar moeten volgens vaste rechtspraak voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal, afkomstig van een andere bron.

Het is niet vereist dat alle elementen van de belastende verklaring als zodanig steun moeten vinden in ander bewijs. Het is voldoende als de verklaring van de aangeefster op specifieke punten wordt bevestigd door de inhoud van ander bewijsmateriaal. Dit bewijsmateriaal moet dan wel afkomstig zijn uit een andere bron en een voldoende duidelijk verband houden met de verklaring van de aangeefster.

Betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster

De aangeefster is de ex-partner van de verdachte. Zij is op 19 april 2025 haar woning ontvlucht met haar dochter op haar arm, waarna zij bij onbekende buren de woning in is gegaan en de politie heeft gebeld. Aan de ter plaatse gekomen verbalisant heeft zij verteld dat de verdachte haar pyjamabroek naar beneden had getrokken en met zijn vingers vaginaal was binnengedrongen. Dit gebeurde terwijl haar dochter naast haar op bed lag. Op 6 mei 2025 heeft zij aangifte gedaan, waarin zij gedetailleerd heeft verteld wat voor handelingen de verdachte op 19 april 2025 bij haar heeft verricht.

De rechtbank acht de verklaring van de aangeefster betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. De aangeefster heeft namelijk steeds consistent, gedetailleerd en authentiek – te weten: in haar eigen bewoordingen – verklaard over de seksuele handelingen die de verdachte bij haar heeft gepleegd. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de inhoud van de verklaring. De betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster zijn als zodanig ook niet betwist door de verdediging. Naar het oordeel van de rechtbank zijn die verklaringen dan ook in hun geheel voldoende betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

Steunbewijs

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of naast de verklaring van de aangeefster sprake is van voldoende steunbewijs voor de ten laste gelegde handelingen.

De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

Stills babycam

De verklaringen van de aangeefster over de gebeurtenissen van 19 april 2025 worden naar het oordeel van de rechtbank allereerst ondersteund door de stills die de babycam in de slaapkamer heeft gemaakt. De verdachte heeft tijdens de zitting verklaard dat hij de persoon is die op deze stills te zien is. Op de still van 15:02:56 uur is te zien dat de verdachte bovenop aangeefster ligt. De rechtbank constateert dat op de still daarna, gemaakt om 15:03:59 uur, een pyjamabroek met patroon zichtbaar is bij het onderlichaam van aangeefster, terwijl deze broek op de still ervoor (om 15:02:56 uur), niet te zien is. De rechtbank ziet dit als steun voor de verklaring van aangeefster dat de verdachte haar pyjamabroek en onderbroek naar beneden heeft getrokken toen hij bovenop haar lag.

DNA onder- en pyjamabroek

Daarnaast blijkt uit het NFI-rapport dat de bemonsteringen die zijn afgenomen van de binnenkant en buitenkant van de tailleband van de onderbroek en pyjamabroek DNA bevatten waarvan het meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is dat dit DNA afkomstig is van de aangeefster en de verdachte dan van de aangeefster en een willekeurige onbekende persoon. De rechtbank concludeert op basis van dit rapport dat het DNA van de verdachte is aangetroffen aan de binnen- en buitenkant van de tailleband van de onderbroek en pyjamabroek. Dit draagt eveneens bij aan het bewijs dat de verdachte de onderbroek en broek van aangeefster heeft uitgetrokken.

Emotie aangeefster

De rechtbank ziet tevens steun in de getuigenverklaring van de buurvrouw van aangeefster. Zij heeft verklaard dat aangeefster, kort na het incident, huilend, op sokken en met haar kind op haar arm voor de deur stond.

Verklaring verdachte

Tot slot biedt de verklaring van de verdachte zelf steun voor de verklaring van aangeefster. Hij heeft tegen de ter plaatse gekomen politie verklaard dat hij wist dat zij het niet wilde.

De rechtbank ziet in deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, steun voor de verklaringen van de aangeefster. Gelet op de hiervoor genoemde bewijsmiddelen en het gegeven dat de rechtbank de verklaringen van aangeefster als uitgangspunt neemt, acht de rechtbank de verklaring van de verdachte dat hij aangeefster enkel gekust en aangeraakt zou hebben ongeloofwaardig en schuift deze terzijde.

Opzetverkrachting

Van opzetverkrachting is sprake als een verdachte met een ander seksuele handelingen heeft verricht die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die ander, terwijl de verdachte - al dan niet in voorwaardelijke zin - wist dat bij de ander de wil daartoe ontbrak. Van wetenschap van een ontbrekende wil bij de ander is in het algemeen sprake als de ander met duidelijke verbale of non-verbale signalen te kennen heeft gegeven het seksuele contact niet op prijs te stellen en de verdachte dit seksuele contact toch heeft voortgezet.

De rechtbank stelt vast dat uit de verklaring van aangeefster volgt dat het brengen van verdachtes vingers in haar vagina tegen haar wil plaatsvond én dat dit voor de verdachte duidelijk was. Bovendien heeft de verdachte tegenover ter plaatse gekomen verbalisanten verklaard dat hij op de hoogte was van de ontbrekende wil bij aangeefster. Het met de vingers de vagina binnengaan levert volgens vaste rechtspraak seksueel binnendringen van het lichaam op, als bedoeld in artikel 243 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De rechtbank acht daarmee bewezen dat de verdachte opzettelijk – in de zin van vol opzet – de ontbrekende wil bij aangeefster heeft genegeerd en dat dus sprake is van opzetverkrachting.

Conclusie

De rechtbank acht het onder 1 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1 primair hij op 19 april 2025 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, met [slachtoffer] seksuele handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten - het brengen van zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die [slachtoffer] en die heen en weer te bewegen,terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak;

feit 2 hij op 1 mei 2025 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk en wederrechtelijk een (Ring)deurbel, die aan [slachtoffer] toebehoorde, heeft vernield.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4
Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1: opzetverkrachting;

feit 2: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6
Motivering van de sanctie
6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk en een proeftijd van drie jaren. Aan het voorwaardelijk deel dienen de voorwaarden te worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering en in aanvulling daarop een locatieverbod voor de [wijk] of – bij verhuizing van aangeefster – [wijk] .

Daarnaast heeft de officier van justitie verzocht om aan de verdachte een maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen, in de vorm van een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod voor de [wijk] of [wijk] . De officier van justitie heeft verzocht te bepalen dat per overtreding één week hechtenis wordt opgelegd, met een maximum van zes maanden.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en – mede in het licht van de bepleite vrijspraak van de primair ten laste gelegde opzetverkrachting – aan hem een deels voorwaardelijke taakstraf op te leggen, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte is kortstondig met zijn vingers de vagina van zijn ex-partner binnengedrongen, terwijl zij had aangegeven dat zij dit niet wilde. Op dat moment lag de verdachte bovenop het slachtoffer, waardoor zij zich niet aan de situatie kon onttrekken. De verdachte heeft door zijn handelen de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer geschonden. Hij heeft dit bovendien gedaan in haar eigen bed, in haar woning en in de nabijheid van hun dochtertje. De verdachte heeft niet stilgestaan bij de impact van zijn handelen op het slachtoffer en heeft zijn eigen behoeftes vooropgesteld. De nadelige gevolgen en de impact van wat er is gebeurd op het slachtoffer zijn ook gebleken uit de schriftelijke slachtofferverklaring die het slachtoffer zelf op de terechtzitting heeft voorgelezen.

De verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan vernieling van de (ring)deurbel van het slachtoffer. Het slachtoffer had deze ringdeurbel kort na de verkrachting aangeschaft.

De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij geen respect toont voor de wensen van het slachtoffer, zowel bij het plegen van de opzetverkrachting als bij het vernielen van haar ringdeurbel.

De persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 25 juni 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Dit weegt de rechtbank dus niet in strafverzwarende zin mee.

De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het door de reclassering uitgebracht voorlichtingsrapport van 27 maart 2026. De reclassering schat het recidiverisico in als matig-hoog en adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, te weten: een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en contactverbod met aangeefster.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de toelichting die de verdachte en zijn raadsman op de zitting hebben gegeven met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden. De verdachte heeft meerdere kinderen, maar draagt ten aanzien van één van zijn zoontjes – die psychisch kwetsbaar is – de volledige zorg alleen.

De op te leggen straf

Gezien de ernst van het feit kan – ondanks de hiervoor geschetste persoonlijke omstandigheden, die de rechtbank heeft meegewogen – niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank naast de ernst van het feit en de persoon van de verdachte ook acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken door Nederlandse rechters worden opgelegd. De rechtbank komt daarbij op een lagere straf uit dan door de officier van justitie is geëist.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan, te weten: zes maanden, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, om de verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast zal de rechtbank aan het voorwaardelijk deel de bijzondere voorwaarden opleggen, zoals geadviseerd door de reclassering. De rechtbank ziet geen aanleiding om als aanvullende bijzondere voorwaarde een locatieverbod op te leggen, omdat niet is gebleken dat de verdachte zich na januari 2026 rond de woning van aangeefster heeft begeven.

Maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr

De rechtbank ziet evenmin aanleiding om aan de verdachte de maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen, omdat uit het dossier geen aanwijzingen naar voren zijn gekomen dat de verdachte nog contact zoekt of recent heeft gezocht met het slachtoffer. Ook overigens bevat het dossier geen aanknopingspunten dat de verdachte zich op enigerlei wijze belastend naar haar of andere personen zal gedragen.

7
Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 6.221,90 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 221,90 aan materiële schade en € 6.000,- aan immateriële schade.

Standpunten van de partijen

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig voor toewijzing in aanmerking komt, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het toe te wijzen bedrag ten aanzien van de immateriële schade dient te worden gematigd tot een bedrag van ten maximale € 3.000,-, gelet op bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend. Ten aanzien van de materiële schade en de schadevergoedingsmaatregel heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De gevorderde materiële schade bestaat enerzijds uit kosten gemaakt in verband met de aanschaf van beveiligingsmaatregelen (waaronder de vervanging van de vernielde deurbelcamera) en anderzijds uit kosten gemaakt in verband met het volgen van een hulpverleningstraject (reis- en parkeerkosten). Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelde partij gevorderde schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft de schade bovendien voldoende onderbouwd.

De vordering ten aanzien van de materiële schade zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over:

€ 44,- vanaf 27 maart 2026 (te weten: de aankoopdatum van de desbetreffende babyfoon met camera);

€ 181,90 vanaf 19 mei 2025 (omdat er van de andere aankopen geen aanschafdata bekend zijn, gaat de rechtbank ervan uit dat deze aankopen zijn gedaan na een maand van het incident, op 19 april 2025);

tot aan de dag der algehele voldoening.

Immateriële schade

Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

De rechtbank is van oordeel dat van dit laatste sprake is. De verdachte heeft door zijn handelen een dusdanige inbreuk op een fundamenteel recht gemaakt, namelijk het zelfbeschikkingsrecht en de lichamelijke integriteit, dat dit als aantasting van de persoon op andere wijze zoals bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b BW kan worden aangemerkt. Zij heeft verder voldoende uiteengezet welke gevolgen dit voor haar heeft gehad, waaronder de noodzaak van psychologische begeleiding voor de behandeling van als gevolg van het feit ontstane slaapproblemen, angstklachten en uitval op haar werk. Voor de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank gekeken naar de Rotterdamse schaal en in het bijzonder naar paragraaf 15.1, categorie c. Gelet op de feiten en omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, zoals reeds eerder uiteengezet, acht de rechtbank een bedrag van € 3.500,- billijk en zal de vordering tot vergoeding van de immateriële schade dan ook toewijzen tot dat bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 april 2025. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: opzetverkrachting en vernieling) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8
Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 243 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

9
Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien (15) maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot zes (6) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee (2) jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;

- de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op agressiebeheersing en seksueel grensoverschrijdend gedrag;

- de verdachte geen direct of indirect contact zoekt met de aangeefster [slachtoffer] , tenzij er instanties bij betrokken zijn ten behoeve van een eventuele omgangsregeling met hun kind.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 3.721,90, bestaande uit € 221,90 als vergoeding voor de materiële en € 3.500,00 als vergoeding voor de immateriële schade. Veroordeelt de verdachte tot betaling van de immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 april 2025 en de materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente over

€ 44,- vanaf 27 maart 2026;

€ 181,90 vanaf 19 mei 2025;

tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.721,90 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 37 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 april 2025, en het bedrag van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente over

€ 44,- vanaf 27 maart 2026;

€ 181,90 vanaf 19 mei 2025;

tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.K. Korteweg, voorzitter,

mr. I.A. Groenendijk en mr. S.H. Bouwers, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers, mr. S.D.C. Schoenmaker en mr. J.J.M. Luiten,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 augustus 2026.