6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetverkrachting van zijn destijds 19-jarige achternichtje. De verdachte heeft tegen de wil van het slachtoffer vergaande seksuele handelingen bij haar verricht. Door zo te handelen heeft de verdachte op ernstige wijze de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Bovendien heeft hij het vertrouwen dat het slachtoffer in hem hadden gesteld op grove wijze beschaamd. De verdachte heeft zijn eigen seksuele gevoelens laten prevaleren boven de gevoelens en het welzijn van het slachtoffer. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van verkrachting daarvan vaak langdurig psychische klachten kunnen ondervinden. In deze zaak is dat ook gebleken, nu het slachtoffer blijkens de toelichting op de vordering van de benadeelde partij nog altijd pijn, verdriet en angst ondervindt en op de wachtlijst is geplaatst voor een nader onderzoek naar het vermoeden van een posttraumatische stressstoornis.
De rechtbank weegt in het voordeel van de verdachte mee dat hij op de zitting spijt heeft betuigd dat hij het slachtoffer schade heeft toegebracht en ook het kwalijke van zijn handelen inziet. Ook heeft de verdachte direct zijn medewerking aan het onderzoek verleend en openheid van zaken gegeven.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 1 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld zodat dit niet in zijn nadeel meeweegt.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het rapport van Reclassering Nederland van 24 april 2026. Uit het rapport komt naar voren dat de verdachte zich stabiel toont op de meeste leefgebieden. Hij is gediagnosticeerd met een autismespectrumstoornis. De reclassering schat het risico op recidive als laag in en ziet geen aanknopingspunten voor een toezicht met bijzondere voorwaarden. De reclassering adviseert bij een bewezenverklaring een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden verbonden aan een voorwaardelijk strafdeel en daarnaast een contact- en locatieverbod met het slachtoffer.
Toerekeningsvatbaarheid
De rechtbank is op basis van het dossier en het verhandelde op de zitting van oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de autismespectrumstoornis die bij de verdachte is vastgesteld, dermate van invloed is geweest op de wilsvrijheid van de verdachte, dat dit ertoe zou moeten leiden dat het bewezenverklaarde hem in verminderde mate is aan te rekenen.
De rechtbank gaat dan ook uit van volledige toerekeningsvatbaarheid.
De op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het bewezenverklaarde in beginsel alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur rechtvaardigt. Anderzijds acht de rechtbank het zowel in het belang van de verdachte als de maatschappij noodzakelijk dat de verdachte zijn woning zal behouden. De verdachte leeft van een bijstandsuitkering die bij detentie zal worden stopgezet en hij beschikt niet over enig sociaal netwerk. Indachtig de mogelijkheid van het aanvragen van bijzondere bijstand voor doorbetaling van de huur tijdens detentie, bestaat een reëel risico dat de verdachte na drie maanden detentie zijn woning zal verliezen. Oplegging van een gevangenisstraf waarbij het onvoorwaardelijk deel langer is dan drie maanden, acht de rechtbank om die reden niet passend.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met daarnaast een taakstraf van maximale duur (240 uur) passend en geboden is. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf een proeftijd verbinden van twee jaar, om de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van die proeftijd opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit.
Deze straf valt lager uit dan de eis van de officier van justitie. De rechtbank is echter van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt en tegelijkertijd recht doet aan de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank ziet – gelijk aan de standpunten van de advocaat van de benadeelde partij, de officier van justitie en de raadsman – geen noodzaak voor het opleggen van een contact- en locatieverbod met het slachtoffer. Het contact is immers sinds het bewezenverklaarde verbroken en er bestaan geen aanwijzingen dat de verdachte opnieuw contact zal opnemen.
Voorwaardelijk verzoek tot het laten opmaken van een psychologisch rapport
De raadsman heeft, in het geval de rechtbank zou komen tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langer dan één dag, het voorwaardelijk verzoek gedaan tot het laten opmaken van een psychologisch rapport ten aanzien van de mate van toerekeningsvatbaarheid van de verdachte, gezien de gediagnosticeerde autismespectrumstoornis en de inhoud van het reclasseringsrapport.
Nu de rechtbank komt tot oplegging van een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel drie maanden bedraagt, is de aan het verzoek verbonden voorwaarde voldaan, zodat de rechtbank zich zal uitlaten over het verzoek. Bij de beoordeling van het verzoek geldt als maatstaf of de noodzaak van het verzochte is gebleken. De rechtbank is, mede gelet op de onderbouwing van het verzoek, van oordeel dat de noodzaak van het laten opmaken van een psychologisch rapport niet is gebleken. In het reclasseringsrapport staat vermeld dat de beperkingen die voortkomen uit de autismespectrumstoornis mogelijk van invloed zijn geweest op het tenlastegelegde. De reclassering heeft dus niet de conclusie getrokken dat de stoornis van de verdachte van invloed is geweest op de wilsvrijheid van de verdachte. Daarbij heeft de reclassering ook niet geadviseerd de eventuele doorwerking van de stoornis nader te laten onderzoeken. Het dossier biedt ook overigens geen aanknopingspunten voor een psychologisch onderzoek. De rechtbank acht zich dan ook voldoende voorgelicht om te beslissen over de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte en wijst het verzoek af.