Rechtbank Noord-Holland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBNHO:2026:11340

Op 27 August 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 15/340169-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNHO:2026:11340. De plaats van zitting was Haarlem.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
15/340169-25
Datum uitspraak:
27 August 2026
Datum publicatie:
31 August 2026

Indicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetverkrachting van zijn destijds 19-jarige achternichtje. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het bewezenverklaarde in beginsel alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur rechtvaardigt. Anderzijds acht de rechtbank het zowel in het belang van de verdachte als de maatschappij noodzakelijk dat de verdachte zijn woning zal behouden. Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met daarnaast een taakstraf van maximale duur (240 uur) passend en geboden is.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/340169-25 (P)

Uitspraakdatum: 27 augustus 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 augustus 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R.H.I. van Dongen en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. C. Peters, advocaat te Zaandam, naar voren hebben gebracht.

1
Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair hij op een of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks 24 juli 2025 te Haarlem, althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het een en/of meermalen:- stoppen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of betasten van de vagina van die [slachtoffer] en/of- likken tussen de schaamlippen en/of likken van de vagina van die [slachtoffer] , althans beffen van die [slachtoffer] en/of- betasten van de borsten van die [slachtoffer] ,terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak;

Subsidiair hij op een of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks 24 juli 2025 te Haarlem, althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het een en/of meermalen:- betasten van de vagina van die [slachtoffer] en/of- likken van de vagina van die [slachtoffer] , althans beffen van die [slachtoffer] en/of- betasten van de borsten van die [slachtoffer] ,terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.

2
Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Overwegingen

3
Beoordeling van het bewijs
3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit, met dien verstande dat sprake is van schuldverkrachting.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair bepleit dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat moet worden uitgegaan van de verklaring van de verdachte omtrent de aanleiding naar en het verloop van het seksueel contact. Uitgaande van de lezing van de verdachte kan niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van duidelijk waarneembare signalen van een ontbrekende wil bij de aangeefster. Om die reden kan niet worden bewezen dat de verdachte wist, dan wel ernstige reden had om te vermoeden, dat de wil tot seksueel contact bij de aangeefster ontbrak.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de opzetvariant niet kan worden bewezen en hoogstens sprake is geweest van onbewuste schuld (de verdachte was zich geheel niet bewust van de mogelijkheid van een ontbrekende wil bij de aangeefster).

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Bewijs

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit, te weten opzetverkrachting, op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.3.2

Bewijsmotivering

Bewijs in zedenzaken

In zedenzaken zijn doorgaans maar twee personen betrokken: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. In de kern gaat het dan ook vaak om het woord van de aangeefster tegenover dat van de verdachte. Dat geldt ook voor deze zaak: de beschuldiging van de aangeefster staat tegenover de ontkenning van de verdachte. Het is de rechtbank volgens de wet niet toegestaan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, uitsluitend te baseren op de verklaring van één getuige (in dit geval de aangeefster). Er moet altijd ander bewijs (steunbewijs) in het dossier zitten.

Er moet zorgvuldig en behoedzaam worden omgegaan met verklaringen van (vermeende) slachtoffers in zedenzaken, zeker als de verdachte het ten laste gelegde feit ontkent en er geen directe getuigen zijn. De rechtbank zal daarom eerst de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster toetsen, door te beoordelen of deze consistent en voldoende gedetailleerd is en of sprake is van omstandigheden die een contra-indicatie opleveren voor de betrouwbaarheid van haar verklaring.

Vervolgens zal de rechtbank beoordelen of de verklaring van de aangeefster in voldoende mate steun vindt in ander bewijs.

Seksuele handelingen

De verdachte heeft bekend dat hij de primair ten laste gelegde seksuele handelingen heeft verricht met de aangeefster. De aangeefster (destijds 19 jaar oud) heeft bij de politie verklaard dat de seksuele handelingen tegen haar wil hebben plaatsgevonden. De verdachte heeft ontkend dat hij wist dan wel ernstige reden had om te vermoeden, dat de wil tot seksueel contact bij de aangeefster ontbrak. De verdachte heeft verklaard dat hij in de veronderstelling verkeerde dat sprake was van consent over de seksuele handelingen.

Gezien het voorgaande staat dus niet ter discussie dat de verdachte de seksuele handelingen heeft verricht met de aangeefster, maar moet de rechtbank de vraag beantwoorden of de verdachte seksuele handelingen heeft verricht met de aangeefster terwijl hij wist, dan wel ernstige reden had om te vermoeden, dat de wil daartoe bij de aangeefster ontbrak.

De verklaring van de aangeefster

De aangeefster heeft op 28 juli 2025 aangifte gedaan bij de politie. De verklaring van de aangeefster houdt – samengevat – in dat zij in de nacht van 23 op 24 juli 2025 bij de verdachte thuis was. Zij zaten samen op bed een serie te kijken toen de verdachte haar rug begon te aaien en steeds verder naar voren (richting haar borsten) ging. De aangeefster vond dit heel erg ongemakkelijk en heeft dit ook tegen de verdachte gezegd. De verdachte zei: “dit kan echt niet”. De aangeefster bevestigde dat dit inderdaad niet kon. Even later ging de verdachte weer verder en ging hij met zijn hand in haar broek. Op dat moment voelde zij walging. De aangeefster wilde niet meer bewegen, zij sloot zichzelf af en haar hoofd ging compleet uit. De verdachte is vervolgens met zijn vinger over en in haar vagina gegaan. De aangeefster keek toen opzij met haar ogen dicht. De verdachte zei dat hij zin had om te beffen en ging vervolgens met zijn mond bij haar vagina. De aangeefster heeft die nacht minimaal twee keer gezegd dat zij het niet wilde en het ongemakkelijk vond.

De rechtbank stelt vast dat de aangeefster uitgebreid en gedetailleerd heeft verklaard over de seksuele handelingen die de verdachte bij haar heeft verricht en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden. Zij beschrijft ook specifieke gevoelens en gedachtes die zij had tijdens het seksueel contact. Haar verklaring is naar het oordeel van de rechtbank consistent en komt de rechtbank bovendien authentiek voor. Ook de wijze waarop de verklaring van de aangeefster tot stand is gekomen, draagt bij aan de betrouwbaarheid daarvan. In dat verband acht de rechtbank van belang dat de aangeefster direct nadat het gebeurde, midden in de nacht, naar de woning van haar moeder (en niet naar haar eigen huis) is gegaan. De moeder van de aangeefster heeft verklaard dat de aangeefster meteen vertelde wat er was gebeurd, heel erg moest huilen en daarna gelijk ging douchen omdat zij zich erg vies voelde. Die emotionele toestand van de aangeefster past naar het oordeel van de rechtbank goed bij haar lezing van de gebeurtenissen. Daar komt bij dat de verklaring van de aangeefster op specifieke punten wordt bevestigd door de hierna weer te geven verklaring van de verdachte.

De rechtbank ziet dan ook geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster en zal haar verklaring tot uitgangspunt nemen in deze zaak. In deze conclusie ligt besloten dat de rechtbank de verklaring van de verdachte – voor zover die tegenover de verklaring van de aangeefster staat – als ongeloofwaardig terzijde schuift.

Steunbewijs

De rechtbank is, zoals gezegd, van oordeel dat de verklaring van de aangeefster niet op zichzelf staat, maar steun vindt in de verklaring van de verdachte. De verdachte heeft immers zelf ook verklaard dat hij seksuele handelingen bij de aangeefster heeft verricht. De verdachte heeft de borsten en de vagina van de aangeefster aangeraakt. Hij is met twee vingers de vagina van de aangeefster binnengegaan. Vervolgens heeft de verdachte tegen haar gezegd dat hij zin had om haar te beffen en heeft hij haar tussen de schaamlippen van haar vagina gelikt. De verdachte heeft verder verklaard dat de aangeefster tijdens de seksuele handelingen er “frozen” (bevroren) bij lag. De aangeefster lag stil op bed, met haar hoofd opzij en haar ogen gesloten, zei niets en deed ook geen seksuele uiting(en).

De verklaring van de aangeefster vindt verder steun in de verklaring van de getuige [getuige] (haar moeder) over de emotionele toestand (verdriet, boos en onbegrip) van de aangeefster toen zij direct nadat het was gebeurd vertelde dat de verdachte aan haar had gezeten.

Opzetverkrachting De raadsman heeft bepleit dat de verdachte geen opzet heeft gehad op het verrichten van seksuele handelingen tegen de wil van de aangeefster. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de aangeefster minimaal twee keer tegen de verdachte heeft gezegd dat zij het seksueel contact niet wilde en dat zij het ongemakkelijk vond. Dit heeft de aangeefster in ieder geval gezegd op het eerste moment dat de verdachte seksueel toenadering zocht door haar borsten aan te raken. De aangeefster heeft vervolgens geen enkel teken, verbaal of fysiek, getoond waaruit de verdachte kon afleiden dat zij het seksueel contact (toch) wél wilde. De lichaamstaal van de aangeefster duidde onmiskenbaar op het niet (willen) meedoen met het seksuele contact. De verdachte heeft de volledig passieve houding van de aangeefster ook waargenomen en zelf bestempeld als “frozen”. Tot slot betrekt de rechtbank in haar oordeel dat sprake was van een aanzienlijk leeftijdsverschil (42 jaar) en het feit dat er een langdurige vertrouwensrelatie tussen de verdachte en de aangeefster bestond, waardoor de verdachte wist dat de aangeefster een gereserveerd persoon is die fysieke aanrakingen in het algemeen en dus ook van hem niet op prijs stelt.

De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat de aangeefster duidelijke verbale en non-verbale signalen heeft geuit over het ontbreken van haar wil tot seksueel contact en dat de verdachte zich hier ook bewust van is geweest. De verdachte is desondanks doorgegaan met het verrichten van seksuele handelingen. De rechtbank acht daarmee bewezen dat de verdachte opzettelijk – in de zin van voorwaardelijk opzet – de ontbrekende wil bij de aangeefster heeft genegeerd en dat dus sprake is van opzetverkrachting.

3.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 24 juli 2025 te Haarlem, met een persoon, te weten [slachtoffer] seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het:- stoppen van zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die [slachtoffer] en betasten van de vagina van die [slachtoffer] en- likken tussen de schaamlippen van de vagina van die [slachtoffer] en- betasten van de borsten van die [slachtoffer] ,terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4
Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzetverkrachting.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5
Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6
Motivering van de sancties
6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen. Bij oplegging van een langdurige gevangenisstraf zal de verdachte – mede door het ontbreken van enig sociaal netwerk – zijn huurwoning verliezen en dakloos raken. De raadsman heeft verder aangevoerd dat het feit de verdachte, gelet op zijn autismespectrumstoornis, in verminderde mate kan worden toegerekend.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetverkrachting van zijn destijds 19-jarige achternichtje. De verdachte heeft tegen de wil van het slachtoffer vergaande seksuele handelingen bij haar verricht. Door zo te handelen heeft de verdachte op ernstige wijze de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Bovendien heeft hij het vertrouwen dat het slachtoffer in hem hadden gesteld op grove wijze beschaamd. De verdachte heeft zijn eigen seksuele gevoelens laten prevaleren boven de gevoelens en het welzijn van het slachtoffer. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van verkrachting daarvan vaak langdurig psychische klachten kunnen ondervinden. In deze zaak is dat ook gebleken, nu het slachtoffer blijkens de toelichting op de vordering van de benadeelde partij nog altijd pijn, verdriet en angst ondervindt en op de wachtlijst is geplaatst voor een nader onderzoek naar het vermoeden van een posttraumatische stressstoornis.

De rechtbank weegt in het voordeel van de verdachte mee dat hij op de zitting spijt heeft betuigd dat hij het slachtoffer schade heeft toegebracht en ook het kwalijke van zijn handelen inziet. Ook heeft de verdachte direct zijn medewerking aan het onderzoek verleend en openheid van zaken gegeven.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 1 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld zodat dit niet in zijn nadeel meeweegt.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het rapport van Reclassering Nederland van 24 april 2026. Uit het rapport komt naar voren dat de verdachte zich stabiel toont op de meeste leefgebieden. Hij is gediagnosticeerd met een autismespectrumstoornis. De reclassering schat het risico op recidive als laag in en ziet geen aanknopingspunten voor een toezicht met bijzondere voorwaarden. De reclassering adviseert bij een bewezenverklaring een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden verbonden aan een voorwaardelijk strafdeel en daarnaast een contact- en locatieverbod met het slachtoffer.

Toerekeningsvatbaarheid

De rechtbank is op basis van het dossier en het verhandelde op de zitting van oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de autismespectrumstoornis die bij de verdachte is vastgesteld, dermate van invloed is geweest op de wilsvrijheid van de verdachte, dat dit ertoe zou moeten leiden dat het bewezenverklaarde hem in verminderde mate is aan te rekenen.

De rechtbank gaat dan ook uit van volledige toerekeningsvatbaarheid.

De op te leggen straf

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het bewezenverklaarde in beginsel alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur rechtvaardigt. Anderzijds acht de rechtbank het zowel in het belang van de verdachte als de maatschappij noodzakelijk dat de verdachte zijn woning zal behouden. De verdachte leeft van een bijstandsuitkering die bij detentie zal worden stopgezet en hij beschikt niet over enig sociaal netwerk. Indachtig de mogelijkheid van het aanvragen van bijzondere bijstand voor doorbetaling van de huur tijdens detentie, bestaat een reëel risico dat de verdachte na drie maanden detentie zijn woning zal verliezen. Oplegging van een gevangenisstraf waarbij het onvoorwaardelijk deel langer is dan drie maanden, acht de rechtbank om die reden niet passend.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met daarnaast een taakstraf van maximale duur (240 uur) passend en geboden is. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf een proeftijd verbinden van twee jaar, om de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van die proeftijd opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Deze straf valt lager uit dan de eis van de officier van justitie. De rechtbank is echter van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt en tegelijkertijd recht doet aan de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank ziet – gelijk aan de standpunten van de advocaat van de benadeelde partij, de officier van justitie en de raadsman – geen noodzaak voor het opleggen van een contact- en locatieverbod met het slachtoffer. Het contact is immers sinds het bewezenverklaarde verbroken en er bestaan geen aanwijzingen dat de verdachte opnieuw contact zal opnemen.

Voorwaardelijk verzoek tot het laten opmaken van een psychologisch rapport

De raadsman heeft, in het geval de rechtbank zou komen tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langer dan één dag, het voorwaardelijk verzoek gedaan tot het laten opmaken van een psychologisch rapport ten aanzien van de mate van toerekeningsvatbaarheid van de verdachte, gezien de gediagnosticeerde autismespectrumstoornis en de inhoud van het reclasseringsrapport.

Nu de rechtbank komt tot oplegging van een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel drie maanden bedraagt, is de aan het verzoek verbonden voorwaarde voldaan, zodat de rechtbank zich zal uitlaten over het verzoek. Bij de beoordeling van het verzoek geldt als maatstaf of de noodzaak van het verzochte is gebleken. De rechtbank is, mede gelet op de onderbouwing van het verzoek, van oordeel dat de noodzaak van het laten opmaken van een psychologisch rapport niet is gebleken. In het reclasseringsrapport staat vermeld dat de beperkingen die voortkomen uit de autismespectrumstoornis mogelijk van invloed zijn geweest op het tenlastegelegde. De reclassering heeft dus niet de conclusie getrokken dat de stoornis van de verdachte van invloed is geweest op de wilsvrijheid van de verdachte. Daarbij heeft de reclassering ook niet geadviseerd de eventuele doorwerking van de stoornis nader te laten onderzoeken. Het dossier biedt ook overigens geen aanknopingspunten voor een psychologisch onderzoek. De rechtbank acht zich dan ook voldoende voorgelicht om te beslissen over de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte en wijst het verzoek af.

7
Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Namens benadeelde partij [slachtoffer] heeft mr. M. de Klerk, advocaat te Haarlem, een vordering tot schadevergoeding van € 1.750,00 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, omdat vrijspraak van het tenlastegelegde is bepleit. Subsidiair heeft de raadsman de vordering niet betwist en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek heeft degene die in zijn of haar persoon is aangetast recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. In beginsel moet degene die zich hierop beroept de aantasting in de persoon met concrete gegevens onderbouwen. Dit is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank is van oordeel dat dit in deze zaak aan de orde is, gelet op de hiervoor beschreven aard en ernst van het feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer. Dat een grondslag bestaat voor schadevergoeding, is door de verdediging ook niet betwist.

De rechtbank komt gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, de onderbouwing van de vordering, alsmede de bedragen die in min of meer vergelijkbare gevallen worden toegekend en de bedragen die worden genoemd in de Rotterdamse Schaal een vergoeding van de immateriële schade tot het gevorderde bedrag van € 1.750,00 billijk voor.

De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: opzetverkrachting] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8
Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 243 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

9
Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 240 (tweehonderdveertig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 1.750,00 (zegge: duizend zevenhonderd vijftig euro), bestaande uit vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.750,00 (zegge: duizend zevenhonderd vijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 17 (zeventien) dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Hoendervoogt, voorzitter,

mr. G.M.G. Hink en mr. M. van Doesburg, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.S. Rietdijk,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 augustus 2026.

Bijlage

De bewijsmiddelen

(…)