Rechtbank Noord-Holland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBNHO:2026:1197

Op 10 February 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 15/258809-24, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNHO:2026:1197. De plaats van zitting was Alkmaar.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
15/258809-24
Datum uitspraak:
10 February 2026
Datum publicatie:
10 February 2026

Indicatie

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewapende overval bij een bedrijf in luxe horloges in Opmeer, waarbij een aanwezige medewerker is bedreigd met een hakbijl en een pistool. Het slachtoffer werd op zijn hoofd geslagen met het pistool, werd gedwongen op de grond te gaan liggen en zijn handen werden op zijn rug vastgebonden. Er zijn ook diverse spullen van het slachtoffer gestolen. Vervolgens zijn de verdachten er met een eerder gestolen auto vandoor gegaan. Deze auto is kort na de overval uitgebrand aangetroffen. Bekennende verdachte. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Hoofdelijke toewijzing vordering benadeelde partij tot een bedrag van € 6.000,-, bestaande uit € 3.000,- aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/258809-24 (P)

Uitspraakdatum: 10 februari 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 januari 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2003 te [geboorteplaats 1],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[woonadres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. K. Leyendeckers en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. T.P.A.M. Wouters, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1
Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 12 augustus 2024 te Opmeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, diverse sieraden (waaronder een Rolex horloge en/of Cartier armband), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door (voorzien van bivakmutsen en/of een pistool en/of een mes en/of een hakbijl) die [slachtoffer] tegen de grond te werpen en/of (met een pistool) tegen zijn hoofd te slaan.

2
Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier

van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

Overwegingen

3
Beoordeling van het bewijs
3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel

van de rechtbank.

3.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, mede op grond van de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Omdat de verdachte het feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank volstaan met de hieronder vermelde opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

(…)

Het vermelde proces-verbaal is in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoet ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

3.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 12 augustus 2024 te Opmeer tezamen en in vereniging met anderen diverse sieraden (waaronder een Rolex horloge en een Cartier armband) die aan [slachtoffer] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door (voorzien van bivakmutsen, een pistool en een hakbijl) die [slachtoffer] tegen de grond te werpen en (met een pistool) tegen zijn hoofd te slaan.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4
Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of die diefstal gemakkelijk te maken of bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5
Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6
Motivering van de sanctie
6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft

doorgebracht. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering in het rapport van 20 januari 2026, te worden verbonden. Daarbij dient het locatieverbod aangepast te worden naar de huidige vestigingsplaats van het bedrijf [bedrijfsnaam], namelijk Heerhugowaard. Ten aanzien van de voorlopige hechtenis heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis kan blijven voortduren.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij strafoplegging in strafmatigende zin rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 720 dagen, waarvan 613 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Eventueel kan daarnaast nog een taakstraf worden opgelegd. Hierdoor hoeft de verdachte niet terug de gevangenis in en kan hij zijn huurwoning en zijn werk behouden. Ten aanzien van de voorlopige hechtenis heeft de raadsman primair verzocht het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis te laten voortduren.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewapende overval bij een bedrijf in luxe horloges in Opmeer, waarbij een aanwezige medewerker is bedreigd met een hakbijl en een pistool. Het slachtoffer werd op zijn hoofd geslagen met het pistool, werd gedwongen op de grond te gaan liggen en zijn handen werden op zijn rug vastgebonden. Er zijn ook diverse spullen van het slachtoffer gestolen. Vervolgens zijn de verdachten er met een eerder gestolen auto vandoor gegaan. Deze auto is kort na de overval uitgebrand aangetroffen. Voor het slachtoffer moet dit een angstaanjagende gebeurtenis zijn geweest, zoals ook is gebleken uit zijn ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring. De verdachte had duidelijk alleen voor ogen dat hij makkelijk en snel veel geld kon verdienen. Hij heeft op geen enkele manier rekening gehouden met de gevoelens van en de gevolgen voor het slachtoffer. Naast de gevolgen voor het slachtoffer veroorzaken dit soort feiten ook sterke gevoelens van onveiligheid bij de directe omgeving van het slachtoffer en in de gehele samenleving.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van

de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 26 januari 2026. Hieruit blijkt dat de

verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Dit weegt dan

ook niet in zijn nadeel mee.

De voorlopige hechtenis van de verdachte is met ingang van 27 november 2024 geschorst.

Sindsdien staat de verdachte onder toezicht van de reclassering. De reclassering heeft voor het laatst op 20 januari 2026 een advies uitgebracht. Hierin schrijft de reclassering dat de verdachte zich houdt aan zijn schorsingsvoorwaarden. Bij een veroordeling adviseert de reclassering het volwassenstrafrecht toe te passen. Gelet op de ernst van het feit en de jeugdige leeftijd van de verdachte adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden (i) een meldplicht bij de reclassering, (ii) een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, (iii) een contactverbod met de medeverdachten, (iv) een locatieverbod voor Opmeer en (v) het vinden van een dagbesteding. De verdachte heeft op de zitting te kennen gegeven dat hij wil meewerken aan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.

De op te leggen straf

Gelet op de ernst van het feit kan naar het oordeel van de rechtbank in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een langdurige gevangenisstraf. Van de op te leggen straf dient een afschrikwekkende werking uit te gaan, ook om anderen ervan te weerhouden dit soort feiten te plegen. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte wel aanleiding om een kortere gevangenisstraf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Daarbij neemt de rechtbank de jeugdige leeftijd van de verdachte in aanmerking. Ook weegt de rechtbank mee dat het schorsingstoezicht goed is verlopen, waarmee de verdachte heeft laten zien dat hij afstand heeft genomen van het plegen van strafbare feiten. Tot slot weegt de rechtbank mee dat de verdachte weliswaar niet direct volledige openheid van zaken heeft gegeven, maar op zitting het feit toch heeft bekend en spijt heeft betuigd. Hiermee heeft de verdachte zijn verantwoordelijkheid genomen en laten blijken dat hij inziet fout te hebben gehandeld.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 24 maanden moet worden opgelegd, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, als stok achter de deur om de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden. Nu ter terechtzitting is gebleken dat het bedrijf waar het slachtoffer nog immer werkzaam is naar Heerhugowaard is verhuisd, zal de rechtbank de formulering van het locatieverbod aanpassen, in die zin dat het locatieverbod geldt voor Heerhugowaard.

Voorlopige hechtenis

De rechtbank zal het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opheffen vanwege een gebrek aan gronden. Uit de bewezenverklaring en de veroordeling tot een gevangenisstraf van aanzienlijke duur volgt dat de rechtbank nog immer ernstige bewaren aanwezig acht voor de voorlopige hechtenis. De onderzoeksgrond is inmiddels niet meer van toepassing maar ook de zogenoemde twaalfjaarsgrond in combinatie met een geschokte rechtsorde acht de rechtbank op dit moment, gelet op het tijdsverloop sinds het bewezen verklaarde feit, niet langer aanwezig. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet gezegd worden dat het met de heersende rechtsovertuiging zou strijden, en het in de samenleving onbegrijpelijk en onaanvaardbaar zou worden gevonden, als de verdachte niet in voorlopige hechtenis blijft indien hij besluit in hoger beroep te gaan. Daarbij is ook van belang dat de voorlopige hechtenis van de verdachte sinds 27 november 2024 is geschorst en hij zich sinds dat moment, dus al ruim een jaar, gehouden heeft aan zijn schorsingsvoorwaarden.

7
Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Namens de benadeelde partij [slachtoffer] is tegen de verdachte een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 8.000,- wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het bewezen verklaarde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de

wettelijke rente over dit bedrag vanaf het moment van het ontstaan van de schade en met

oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De gestelde materiële schade bedraagt € 13.440,- en bestaat uit de dagwaarde van de gestolen goederen (ad. € 7.000,- voor het horloge van het merk Rolex, € 3.900,- voor de armband van het merk Cartier, € 280,- voor de zonnebril van het merk Dior, € 1.800,- voor de horlogekasten en € 460,- voor de iPhone 12 pro). Rekening houdend met het bedrag van € 3.000,- aan eigen risico van de benadeelde partij is door de verzekeraar een bedrag van € 10.440,- uitgekeerd. Het bedrag van € 3.000,- aan ingehouden eigen risico wordt nu door de benadeelde partij gevorderd.

De gestelde immateriële schade bedraagt € 5.000,- en wordt gevorderd wegens het lichamelijk letsel en de psychische gevolgen die de benadeelde partij door het handelen van de verdachte zou hebben opgelopen.

7.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot schadevergoeding geheel en hoofdelijk toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de gevorderde materiële schade primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde-partij niet ontvankelijk moet worden verklaard omdat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van vermogensschade en dat deze vermogensschade rechtstreeks door de benadeelde partij geleden is. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de gevorderde materiële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 2.540,- en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat onvoldoende is onderbouwd dat de iPhone 12 pro verloren is gegaan.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsman onder verwijzing naar de Rotterdamse schaal verzocht de hoogte van de immateriële schadevergoeding te matigen. Hierbij heeft hij zich primair op het standpunt gesteld dat niet is onderbouwd dat sprake is van geestelijk letsel of anderszins van een aantasting in de persoon, waardoor in de Rotterdamse schaal aansluiting moet worden gezocht bij de categorie lichamelijk letsel met een herstelperiode van twee maanden met een bandbreedte tot € 1.100,-. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat aansluiting moet worden gezocht bij de bandbreedte voor bedreigende situaties die gepaard gaan met een diefstal van ernstige aard (categorie b), namelijk een bandbreedte tot € 3.000,-.

Tot slot heeft de raadsman verzocht geen hoofdelijkheid toe te passen.

7.3

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit, voor zover het ziet op de schade van het horloge (€ 7.000,-), de armband (€ 3.900,-), de zonnebril (€ 280,-) en de horlogekasten (€ 1.800,-). Ten aanzien van de twee laatstgenoemde posten (zonnebril en horlogekasten) heeft de verdediging weliswaar gesteld dat deze niet genoemd worden in de tenlastelegging, maar die omstandigheid is op zichzelf niet doorslaggevend voor het antwoord op de vraag of de gestelde schade rechtstreeks het gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij heeft bij zijn aangifte op de dag van de overval verklaard dat de overvallers ook een tasje van hem hadden meegenomen waarin zich onder andere een zonnebril en twee horlogekasten bevonden. Dat is niet betwist door de verdachte. De diefstal van de in dat tasje aanwezige bril en horlogekasten is zozeer verbonden met het ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit dat ook de daaruit voortvloeiende schade moet worden beschouwd als rechtstreekse schade als gevolg van dat feit. De verdediging heeft de hoogte van de genoemde schadeposten ten aanzien van het horloge (€ 7.000,-), de armband (€ 3.900,-), de zonnebril (€ 280,-) en de horlogekasten (€ 1.800,-) overigens niet betwist.

De gestelde materiële schade aan de iPhone 12 pro (€ 460,-) is door de verdediging betwist. Namens de benadeelde partij is daarop tijdens de zitting de onderbouwing van deze schadepost gewijzigd, in die zin dat de iPhone 12 pro niet verloren zou zijn gegaan maar beschadigd zou zijn. De rechtbank is van oordeel dat – bij gebreke van een voldoende nadere onderbouwing van de vordering op dit punt – een en ander een nader onderzoek zou vereisen en dit tot een onevenredige belasting van het strafproces zou leiden. Dat kan door de rechtbank ook niet door eigen onderzoek worden gecompenseerd. De benadeelde partij is daarom in zoverre niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit betekent dat de materiële schade in beginsel tot een bedrag van € 12.980,- toewijsbaar is.

Omdat de benadeelde partij niet ontvankelijk is ten aanzien van de gevorderde schade met betrekking tot de telefoon, zal de rechtbank het daarop betrekking hebbende bedrag (€ 460,-) ook in mindering brengen op het door de verzekeraar uitgekeerde schadebedrag ter grootte van € 10.440,- (dat immers mede een vergoeding voor de telefoon omvat). Het verschil (€ 10.440,- minus € 460,- = € 9.980,-) dient, als reeds vergoede schade, in mindering te worden gebracht op het hiervoor genoemde bedrag van € 12.980,- aan rechtstreekse materiële schade die voor vergoeding in aanmerking komt. Dit betekent dat de rechtbank de vordering ten aanzien van de materiële schade zal toewijzen tot een bedrag van € 3.000,- (€ 12.980,- minus € 9.980,-). De vraag in hoeverre dit bedrag correspondeert met een “eigen risico” of “eigen bijdrage” en of dit eigen risico/bijdrage gelet op de tenaamstelling van de verzekering voor rekening is van de benadeelde partij of diens werkgever kan daarbij in het midden blijven. Voor toewijzing van de vordering is voldoende dat is gesteld en niet (voldoende) gemotiveerd betwist dat de door de benadeelde partij geleden materiële schade ter grootte van € 12.980,- als gevolg van het bewezen verklaarde feit slechts is vergoed tot een bedrag van € 9.980,-.

Of de benadeelde partij naar burgerlijk recht (nog) een vordering zou (kunnen) hebben op zijn werkgever in verband met de door hem geleden schade tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden, kan eveneens onbesproken blijven. Voor zover die mogelijkheid al zou bestaan, doet dat niets af aan het recht van de benadeelde partij de schade rechtstreeks te verhalen op de verdachte.

Immateriële schade

De door de benadeelde partij gestelde immateriële schade vloeit rechtstreeks voort uit het bewezen verklaarde feit. Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek bestaat recht op vergoeding van immateriële schade als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Omdat in deze zaak de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, namelijk een hoofdwond als gevolg van een harde klap met een vuurwapen, bestaat een wettelijke grondslag voor de vordering en mogen ook de andere niet als lichamelijk letsel te kwalificeren gevolgen worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de schade naar billijkheid. Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schade neemt de rechtbank de Rotterdamse Schaal (een ordening van smartengeldenbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen) als uitgangspunt. De rechtbank zal aansluiting zoeken bij de bandbreedte die in de Rotterdamse schaal is opgenomen voor bedreigende situaties die gepaard gaan met een diefstal van de meeste ernstige aard (categorie a). Gelet op de ernst van het letsel, de gevolgen voor de benadeelde partij en rekening houdend met de Rotterdamse schaal, acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding tot een geldbedrag van € 3.000,- billijk.

Conclusie

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van € 6.000,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 12 augustus 2024.

Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.

De verdachte heeft het bewezen verklaarde feit gepleegd in nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte en hij is daarom naar burgerlijk recht voor de gehele schade met zijn medeverdachte hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat de verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is en dat hij niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door een medeverdachte is betaald, en andersom. Anders dan door de raadsman is voorgesteld, wijkt de rechtbank niet af van het wettelijke uitgangspunt van hoofdelijke aansprakelijkheid.

In het resterende deel van de vordering zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: gekwalificeerde diefstal) aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8
Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

- 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

9
Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 [vierentwintig] maanden;

beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 8 [acht] maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 [twee] jaren;

stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;

- binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa² van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met het slachtoffer (zijnde [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 2003 te [geboorteplaats 2]) en de mededader van onderhavige strafzaak (zijnde [naam], geboren op [geboortedatum 3] 2006 te [geboorteplaats 3]), tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact;

- zich gedurende de proeftijd niet bevindt in Heerhugowaard;

- zich inspant voor het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding in de vorm van school, stage en/of werk met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 6.000,- [zesduizend euro], bestaande uit € 3.000,- [drieduizend euro] als vergoeding voor de materiële en € 3.000,- [drieduizend euro] als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 6.000.- [zesduizend euro], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 65 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen;

bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. van Kampen, voorzitter,

mr. M.C.J. Lommen en mr. I.A. Groenendijk, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Maerman,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 februari 2026.