7
Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
Namens de benadeelde partij [slachtoffer] is tegen de verdachte een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 8.000,- wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het bewezen verklaarde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de
wettelijke rente over dit bedrag vanaf het moment van het ontstaan van de schade en met
oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De gestelde materiële schade bedraagt € 13.440,- en bestaat uit de dagwaarde van de gestolen goederen (ad. € 7.000,- voor het horloge van het merk Rolex, € 3.900,- voor de armband van het merk Cartier, € 280,- voor de zonnebril van het merk Dior, € 1.800,- voor de horlogekasten en € 460,- voor de iPhone 12 pro). Rekening houdend met het bedrag van € 3.000,- aan eigen risico van de benadeelde partij is door de verzekeraar een bedrag van € 10.440,- uitgekeerd. Het bedrag van € 3.000,- aan ingehouden eigen risico wordt nu door de benadeelde partij gevorderd.
De gestelde immateriële schade bedraagt € 5.000,- en wordt gevorderd wegens het lichamelijk letsel en de psychische gevolgen die de benadeelde partij door het handelen van de verdachte zou hebben opgelopen.
7.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot schadevergoeding geheel en hoofdelijk toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de gevorderde materiële schade primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde-partij niet ontvankelijk moet worden verklaard omdat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van vermogensschade en dat deze vermogensschade rechtstreeks door de benadeelde partij geleden is. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de gevorderde materiële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 2.540,- en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat onvoldoende is onderbouwd dat de iPhone 12 pro verloren is gegaan.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsman onder verwijzing naar de Rotterdamse schaal verzocht de hoogte van de immateriële schadevergoeding te matigen. Hierbij heeft hij zich primair op het standpunt gesteld dat niet is onderbouwd dat sprake is van geestelijk letsel of anderszins van een aantasting in de persoon, waardoor in de Rotterdamse schaal aansluiting moet worden gezocht bij de categorie lichamelijk letsel met een herstelperiode van twee maanden met een bandbreedte tot € 1.100,-. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat aansluiting moet worden gezocht bij de bandbreedte voor bedreigende situaties die gepaard gaan met een diefstal van ernstige aard (categorie b), namelijk een bandbreedte tot € 3.000,-.
Tot slot heeft de raadsman verzocht geen hoofdelijkheid toe te passen.
7.3
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit, voor zover het ziet op de schade van het horloge (€ 7.000,-), de armband (€ 3.900,-), de zonnebril (€ 280,-) en de horlogekasten (€ 1.800,-). Ten aanzien van de twee laatstgenoemde posten (zonnebril en horlogekasten) heeft de verdediging weliswaar gesteld dat deze niet genoemd worden in de tenlastelegging, maar die omstandigheid is op zichzelf niet doorslaggevend voor het antwoord op de vraag of de gestelde schade rechtstreeks het gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij heeft bij zijn aangifte op de dag van de overval verklaard dat de overvallers ook een tasje van hem hadden meegenomen waarin zich onder andere een zonnebril en twee horlogekasten bevonden. Dat is niet betwist door de verdachte. De diefstal van de in dat tasje aanwezige bril en horlogekasten is zozeer verbonden met het ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit dat ook de daaruit voortvloeiende schade moet worden beschouwd als rechtstreekse schade als gevolg van dat feit. De verdediging heeft de hoogte van de genoemde schadeposten ten aanzien van het horloge (€ 7.000,-), de armband (€ 3.900,-), de zonnebril (€ 280,-) en de horlogekasten (€ 1.800,-) overigens niet betwist.
De gestelde materiële schade aan de iPhone 12 pro (€ 460,-) is door de verdediging betwist. Namens de benadeelde partij is daarop tijdens de zitting de onderbouwing van deze schadepost gewijzigd, in die zin dat de iPhone 12 pro niet verloren zou zijn gegaan maar beschadigd zou zijn. De rechtbank is van oordeel dat – bij gebreke van een voldoende nadere onderbouwing van de vordering op dit punt – een en ander een nader onderzoek zou vereisen en dit tot een onevenredige belasting van het strafproces zou leiden. Dat kan door de rechtbank ook niet door eigen onderzoek worden gecompenseerd. De benadeelde partij is daarom in zoverre niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Dit betekent dat de materiële schade in beginsel tot een bedrag van € 12.980,- toewijsbaar is.
Omdat de benadeelde partij niet ontvankelijk is ten aanzien van de gevorderde schade met betrekking tot de telefoon, zal de rechtbank het daarop betrekking hebbende bedrag (€ 460,-) ook in mindering brengen op het door de verzekeraar uitgekeerde schadebedrag ter grootte van € 10.440,- (dat immers mede een vergoeding voor de telefoon omvat). Het verschil (€ 10.440,- minus € 460,- = € 9.980,-) dient, als reeds vergoede schade, in mindering te worden gebracht op het hiervoor genoemde bedrag van € 12.980,- aan rechtstreekse materiële schade die voor vergoeding in aanmerking komt. Dit betekent dat de rechtbank de vordering ten aanzien van de materiële schade zal toewijzen tot een bedrag van € 3.000,- (€ 12.980,- minus € 9.980,-). De vraag in hoeverre dit bedrag correspondeert met een “eigen risico” of “eigen bijdrage” en of dit eigen risico/bijdrage gelet op de tenaamstelling van de verzekering voor rekening is van de benadeelde partij of diens werkgever kan daarbij in het midden blijven. Voor toewijzing van de vordering is voldoende dat is gesteld en niet (voldoende) gemotiveerd betwist dat de door de benadeelde partij geleden materiële schade ter grootte van € 12.980,- als gevolg van het bewezen verklaarde feit slechts is vergoed tot een bedrag van € 9.980,-.
Of de benadeelde partij naar burgerlijk recht (nog) een vordering zou (kunnen) hebben op zijn werkgever in verband met de door hem geleden schade tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden, kan eveneens onbesproken blijven. Voor zover die mogelijkheid al zou bestaan, doet dat niets af aan het recht van de benadeelde partij de schade rechtstreeks te verhalen op de verdachte.
Immateriële schade
De door de benadeelde partij gestelde immateriële schade vloeit rechtstreeks voort uit het bewezen verklaarde feit. Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek bestaat recht op vergoeding van immateriële schade als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Omdat in deze zaak de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, namelijk een hoofdwond als gevolg van een harde klap met een vuurwapen, bestaat een wettelijke grondslag voor de vordering en mogen ook de andere niet als lichamelijk letsel te kwalificeren gevolgen worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de schade naar billijkheid. Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schade neemt de rechtbank de Rotterdamse Schaal (een ordening van smartengeldenbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen) als uitgangspunt. De rechtbank zal aansluiting zoeken bij de bandbreedte die in de Rotterdamse schaal is opgenomen voor bedreigende situaties die gepaard gaan met een diefstal van de meeste ernstige aard (categorie a). Gelet op de ernst van het letsel, de gevolgen voor de benadeelde partij en rekening houdend met de Rotterdamse schaal, acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding tot een geldbedrag van € 3.000,- billijk.
Conclusie
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van € 6.000,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 12 augustus 2024.
Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.
De verdachte heeft het bewezen verklaarde feit gepleegd in nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte en hij is daarom naar burgerlijk recht voor de gehele schade met zijn medeverdachte hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat de verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is en dat hij niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door een medeverdachte is betaald, en andersom. Anders dan door de raadsman is voorgesteld, wijkt de rechtbank niet af van het wettelijke uitgangspunt van hoofdelijke aansprakelijkheid.
In het resterende deel van de vordering zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: gekwalificeerde diefstal) aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;
bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 [vierentwintig] maanden;
beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 8 [acht] maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 [twee] jaren;
stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
- binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa² van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met het slachtoffer (zijnde [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 2003 te [geboorteplaats 2]) en de mededader van onderhavige strafzaak (zijnde [naam], geboren op [geboortedatum 3] 2006 te [geboorteplaats 3]), tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact;
- zich gedurende de proeftijd niet bevindt in Heerhugowaard;
- zich inspant voor het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding in de vorm van school, stage en/of werk met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 6.000,- [zesduizend euro], bestaande uit € 3.000,- [drieduizend euro] als vergoeding voor de materiële en € 3.000,- [drieduizend euro] als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;
bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;
legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 6.000.- [zesduizend euro], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 65 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen;
bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. E. van Kampen, voorzitter,
mr. M.C.J. Lommen en mr. I.A. Groenendijk, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Maerman,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 februari 2026.