Rechtbank Noord-Holland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBNHO:2026:1520

Op 13 February 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 15/146036-24, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNHO:2026:1520.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
15/146036-24
Datum uitspraak:
13 February 2026
Datum publicatie:
18 February 2026

Indicatie

Vrijspraak invoer cocaïne dan wel voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen. Niet is komen vast te staan dat de berichten en afbeeldingen handelen over cocaïne. Ook aan de verwijzing door de ovj naar meerdere zaaksdossiers in een ander onderzoek (over welke zaaksdossiers de rechtbank niet beschikt) en naar een geanonimiseerd vonnis van – kennelijk – een medeverdachte, kan geen betekenis toekomen voor de bewijsvraag.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/146036-24 (P)

Uitspraakdatum: 13 februari 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 29 en 30 januari 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]

.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie

mr. R. Funke Küpper en mr. E.V. Dam (hierna: de officier van justitie) en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. G.S.J. van Gestel, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht.

1
Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1 (invoer in vereniging onbekende hoeveelheid cocaïne op 20 januari 2023) primair hij op of omstreeks 20 januari 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

subsidiair hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 januari 2023 tot en met 21 januari 2023 te Rotterdam en/of te Schiphol, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid, cocaïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- één of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of- zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feiten heeft getracht te verschaffen en/of - voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstig redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat die feit(en)

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (daartoe)- één of meer telefoon(s)/communicatiemiddel(en) voorhanden gehad en/of- telefonisch en/of via berichten en/of via afbeeldingen en/of video-opnamen informatie uitgewisseld over en/of afspraken gemaakt over:

• het type PMC-plaat (“pmc mix nat”) en/of het nummer van de PMC-plaat ([nummer 1]) en/of de vlucht ([nummer 2]), waarop voornoemde hoeveelheid cocaïne in Nederland zou aankomen en/of zou (zijn) aangekomen en/of • een doos op voornoemde PMC-plaat, voorzien van het airwaybill nummer ([nummer 3]) en/of• de verblijfplaats van voornoemde PMC-plaat en/of doos op de luchthaven Schiphol en/of• (het moment van) het checken van voornoemde PMC-plaat en/of doos;

feit 2 (invoer in vereniging ongeveer 30 kilogram cocaïne op 25 februari 2023) primair hij op of omstreeks 25 februari 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 30 kilogram, althans een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

subsidiair hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 februari 2023 tot en met 25 februari 2023 te Rotterdam en/of te Schiphol, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 30 kilogram, althans een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- één of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of- zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feiten heeft getracht te verschaffen en/of - voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstig redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat die feit(en)

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (daartoe)- één of meer telefoon(s)/communicatiemiddel(en) voorhanden gehad en/of- telefonisch en/of via berichten en/of via afbeeldingen en/of video-opnamen informatie uitgewisseld over en/of afspraken gemaakt over:

• het type PMC-plaat (“mix nat”) en/of het nummer van de PMC-plaat ([nummer 4]) en/of de vlucht ([nummer 5]), waarop voornoemde hoeveelheid cocaïne in Nederland zou aankomen en/of zou (zijn) aangekomen en/of• een of meer dozen op voornoemde PMC-plaat en/of• de verblijfplaats van voornoemde PMC-plaat en/of een of meer dozen op de luchthaven Schiphol en/of• (het moment van) het checken van voornoemde PMC-plaat en/of een of meer dozen.

2
Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

Overwegingen

3
Beoordeling van het bewijs
3.1

Inleiding In het kader van een opsporingsonderzoek naar de invoer van verdovende middelen via de luchthaven Schiphol is in december 2023 door de Koninklijke Marechaussee een verdachte aangehouden wegens verdenking van overtreding van de Opiumwet. Tijdens een doorzoeking is onder deze verdachte onder andere een Iphone 7 (IMEI-nummer: [nummer 6]) in beslag genomen. Op het geheugen van deze telefoon is een afbeelding aangetroffen van twee werkroosters over de periode van 17 juli 2023 tot en met 3 september 2023, op naam van de verdachte en zijn broer, de medeverdachte [naam]. Daarnaast is in inbeslaggenomen telefoons van voornoemde aangehouden verdachte (chat)communicatie aangetroffen met diverse telefoonnummers (waaronder de telefoonnummers eindigend op 4501 en 7297). De verdenking is ontstaan dat de verdachte en zijn broer de gebruikers zijn geweest van deze telefoonnummers en dat zij hebben gecommuniceerd over de invoer van cocaïne.

3.2

Standpunten

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gebruik van de telefoonnummers eindigend op 4501 en 7297 kan worden toegeschreven aan de verdachte, en dat uit de met die nummers gevoerde chatberichten blijkt dat sprake is van invoer van cocaïne dan wel voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen daartoe. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde. Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie gerekwireerd tot vrijspraak van de primair ten laste gelegde invoer van cocaïne, omdat niet bewezen kan worden dat sprake is geweest van een voltooide invoer. Volgens de officier van justitie kan hetgeen onder feit 2 subsidiair ten laste is gelegd wel bewezen worden verklaard.

De officier van justitie vordert dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren wordt opgelegd met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Standpunt van de verdediging

De verdachte ontkent iedere betrokkenheid bij de ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Volgens de raadsman bevat het dossier onvoldoende bewijs dat de verdachte de gebruiker is geweest van de telefoonnummers eindigend op 4501 en 7297. Hetzelfde geldt voor de conclusie dat buiten iedere redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat het om cocaïne ging. Er is geen cocaïne aangetroffen, noch kan worden gesteld dat uit de berichten kan worden afgeleid dat het niet anders kan dan dat is gesproken over cocaïne.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Vrijspraak De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of op de data, dan wel in de periode, die in de tenlastelegging zijn vermeld, sprake is geweest van invoer van cocaïne dan wel voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen daartoe.

De rechtbank stelt vast dat in dit onderzoek geen verdovende middelen in beslag zijn genomen. Ook zonder dat daadwerkelijk cocaïne in beslag is genomen kan niettemin tot een bewezenverklaring worden gekomen. Dat is het geval indien de overige onderzoeksbevindingen de conclusie rechtvaardigen dat het niet anders kan dan dat sprake is geweest van handelingen met betrekking tot cocaïne. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze conclusie in dit geval niet worden getrokken. Daarvoor is het volgende van belang.

De verdenking in deze zaak steunt vrijwel uitsluitend op de inhoud van chatcontacten bestaande uit tekstberichten, afbeeldingen en video’s. De video’s maken geen deel uit van het dossier, maar worden beschreven door de verbalisant, onder verwijzing naar zogenoemde ‘videostills’. De rechtbank is van oordeel dat uit de inhoud van de berichten en afbeeldingen onvoldoende kan worden afgeleid dat deze zijn te relateren aan handelingen met betrekking tot cocaïne. De berichten bevatten (al dan niet in versluierd taalgebruik) geen verwijzingen naar cocaïne en de afbeeldingen en videostills duiden evenmin op cocaïne. Op één video zouden volgens de beschrijving weliswaar “30 blokken” te zien zijn, maar de bijbehorende videostill toont een afbeelding met 28 blauw/grijze voorwerpen. Ook die video(still) duidt volgens de rechtbank niet ontegenzeglijk op cocaïne. Hetzelfde geldt voor screenshots die in een chatbericht zijn verstuurd en die kennelijk de locatie van een gps tracker laten zien. Dat deze afbeeldingen duiden op een bepaalde, bij de verbalisant ambtshalve bekende modus operandi, waarbij in het bronland verdovende middelen worden verstopt in een bloemendoos met een gps-tracker, acht de rechtbank ook onvoldoende redengevend. Het dossier bevat immers geen aanwijzingen dat met dezelfde modus operandi op een ander moment wel cocaïne is aangetroffen. Voor zover door de officier van justitie wordt verwezen naar een bekende modus operandi die voorkomt in het onderzoek ‘27Signet’, merkt de rechtbank op dat de rechtbank niet beschikt over stukken die geen onderdeel uitmaken van het procesdossier tegen de verdachte. Gelet daarop kan ook aan de verwijzing door de officier van justitie naar meerdere zaaksdossiers in het onderzoek ‘27Signet’ (over welke zaaksdossiers de rechtbank niet beschikt) en naar een geanonimiseerd vonnis van – kennelijk – een medeverdachte, geen betekenis toekomen voor de bewijsvraag.

Nu niet is komen vast te staan dat de berichten en afbeeldingen handelen over cocaïne, bestaat er onvoldoende bewijs voor de tenlastegelegde invoer daarvan dan wel voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen in de zin van de Opiumwet.

Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Gelet op het voorgaande kan de vraag naar de toerekening van het gebruik van genoemde telefoonnummers aan de verdachte onbesproken blijven.

Beslissing

4
Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. H. Bakker, voorzitter,

mr. M.E. Francke en mr. E.L. Hoogstraate, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Bleijendaal,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 februari 2026.