RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, locatie Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummers: 15/339276-25, 15/258701-25 en 15/320953-25 (ttz gev) (P)
Uitspraakdatum: 1 april 2026
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 maart 2026 in de zaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres],
nu gedetineerd in P.I. Alphen, locatie Eikenlaan.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. De in die zaken ten laste gelegde feiten zijn hierna voor de leesbaarheid doorgenummerd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. A.M.H.G. Peters en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.E. van der Zouw, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
(parketnummer 15/339276-25)
1.
hij op of omstreeks 8 december 2025 te Beverwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Dekamarkt (vestiging Westerlaan 27), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op
heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- met gezichtsbedekking naar die [benadeelde] toe te lopen en/of
- tegen die [benadeelde] te schreeuwen: “Hier dat geld” en/of “Geef me geld, doe de kassa open” en/of
- één of meerdere messen, althans een scherp en/of puntig voorwerp, dichtbij het lichaam van die [benadeelde] te houden en/of
- tegen die [benadeelde] te schreeuwen dat zij moet opschieten en/of
- ( met kracht) aan de kassa(lade) te trekken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(parketnummer 15/258701-25)
2.
hij in of omstreeks de periode 16 augustus 2025 tot en met 19 augustus 2025 te Heemskerk meermalen winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Albert Heijn, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
(parketnummer 15/320953-25)
3.
hij op of omstreeks 26 november 2025 te Beverwijk winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Vomar, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
7
Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [benadeelde] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.750,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De immateriële schade wordt gevorderd wegens een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om matiging van de immateriële schadevergoeding.
Oordeel van de rechtbank
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen, dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
In dit geval is de verdachte met gezichtsbedekking op de benadeelde partij (die als kassière in een supermarkt aan het werk was) afgestapt en heeft hij haar van dichtbij met twee messen bedreigd. Deze omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank de conclusie dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat zij zonder nadere onderbouwing van het gestelde geestelijk letsel recht heeft op vergoeding van immateriële schade.
Mede gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 1.000,- billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. Voor het overige zal de vordering worden afgewezen.
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 8 december 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. In dit geval hebben zowel de verdachte als de benadeelde partij op punten ongelijk gekregen. Omdat de verdachte aansprakelijk is voor de schade die door het door hem gepleegde feit is ontstaan en omdat een substantieel deel van de gevorderde schade wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van
€ 1.000,- aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 december 2025 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet of niet volledig betaalt, kan gijzeling – een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte – worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;
beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 3 (drie) jaren;
bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak enzolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact opnemen met de verdachte voor de eerste afspraak;
- zich tijdens de proeftijd voor maximaal één jaar of zoveel korter als de reclasseringnodig vindt, laat opnemen in, en behandelen door, FPA Heiloo of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk, nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op diagnostiek, psychische problematiek en verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, dan werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Ambulant Centrum Fivoor of eensoortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering en zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, terugvalpreventie en cognitieve vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschrevenmedicatie zal gebruiken.Indien sprake is van een terugval in middelengebruik, overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie, stabilisatie, observatie, diagnostiek en/of crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruiken/of het gebruik te leren beheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
beveelt dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
wijst de vordering van [benadeelde] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 1.000,-;
veroordeelt de verdachte tot betaling aan [benadeelde] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 december 2025 tot de dag van volledige betaling;
wijst de vordering van [benadeelde] voor wat betreft het meer gevorderde af;
veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde] aan de Staat
€ 1.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 december 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 10 dagen gijzeling;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. N. Cuvelier, voorzitter,
mr. P. Reemst en mr. C.H. de Jonge van Ellemeet, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.E.H. de Koning
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 april 2026.
Mr. P. Reemst is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.