Rechtbank Noord-Holland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBNHO:2026:3516

Op 1 April 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 15/339276-25, 15/258701-25 en 15/320953-25 (ttz ge, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNHO:2026:3516. De plaats van zitting was Alkmaar.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
15/339276-25, 15/258701-25 en 15/320953-25 (ttz ge
Datum uitspraak:
1 April 2026
Datum publicatie:
2 April 2026

Indicatie

Veroordeling voor een poging tot diefstal met geweld in een supermarkt en meerdere winkeldiefstallen. Bekennende verdachte. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden. Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij wegens immateriële schade.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/339276-25, 15/258701-25 en 15/320953-25 (ttz gev) (P)

Uitspraakdatum: 1 april 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 maart 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres],

nu gedetineerd in P.I. Alphen, locatie Eikenlaan.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. De in die zaken ten laste gelegde feiten zijn hierna voor de leesbaarheid doorgenummerd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.M.H.G. Peters en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.E. van der Zouw, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1
Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

(parketnummer 15/339276-25)

1.

hij op of omstreeks 8 december 2025 te Beverwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Dekamarkt (vestiging Westerlaan 27), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op

heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- met gezichtsbedekking naar die [benadeelde] toe te lopen en/of

- tegen die [benadeelde] te schreeuwen: “Hier dat geld” en/of “Geef me geld, doe de kassa open” en/of

- één of meerdere messen, althans een scherp en/of puntig voorwerp, dichtbij het lichaam van die [benadeelde] te houden en/of

- tegen die [benadeelde] te schreeuwen dat zij moet opschieten en/of

- ( met kracht) aan de kassa(lade) te trekken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(parketnummer 15/258701-25)

2.

hij in of omstreeks de periode 16 augustus 2025 tot en met 19 augustus 2025 te Heemskerk meermalen winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Albert Heijn, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

(parketnummer 15/320953-25)

3.

hij op of omstreeks 26 november 2025 te Beverwijk winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Vomar, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

2
Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaken, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

Overwegingen

3
Beoordeling van het bewijs
3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

3.2

Standpunt van de verdediging

De verdachte heeft de feiten bekend en de raadsvrouw heeft zich met betrekking tot de bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn opgenomen in de hierna te noemen bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

De verdachte heeft de drie ten laste gelegde feiten bekend tijdens de zitting van 18 maart 2026. Door of namens hem is geen vrijspraak bepleit. Gelet op artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) zal daarom worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen:

Ten aanzien van de feit 1:

de bekennende verklaring die de verdachte ter terechtzitting van 18 maart 2026 heeft afgelegd;

een proces-verbaal van aangifte van 8 december 2025 (dossierpagina’s 25 e.v.);

een proces-verbaal van verhoor getuige van 8 december 2025 (dossierpagina’s 14 e.v.);

een proces-verbaal van verhoor getuige van 8 december 2025 (dossierpagina’s 19 e.v.);

Ten aanzien van feit 2:

de bekennende verklaring die de verdachte ter terechtzitting van 18 maart 2026 heeft afgelegd;

een proces-verbaal van aangifte van 19 augustus 2025 (dossierpagina’s 5 e.v.);

een proces-verbaal van aangifte van 19 augustus 2025 (dossierpagina’s 36 e.v.);

Ten aanzien van feit 3:

de bekennende verklaring die de verdachte ter terechtzitting van 18 maart 2026 heeft afgelegd;

een proces-verbaal van aangifte van 26 november 2025 (dossierpagina’s 5 e.v.).

3.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op 8 december 2025 te Beverwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een geldbedrag, dat aan Dekamarkt (vestiging Westerlaan 27) toebehoorde, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en te doen vergezellen van bedreiging met geweld tegen [benadeelde], met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door

- met gezichtsbedekking naar die [benadeelde] toe te lopen en

- tegen die [benadeelde] te schreeuwen: “Hier dat geld” en “Geef me geld, doe de kassa open” en

- meerdere messen dichtbij het lichaam van die [benadeelde] te houden en

- tegen die [benadeelde] te schreeuwen dat zij moet opschieten en

- ( met kracht) aan de kassa(lade) te trekken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij in de periode 16 augustus 2025 tot en met 19 augustus 2025 te Heemskerk meermalen winkelgoederen, die aan de Albert Heijn toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen;

3.

hij op 26 november 2025 te Beverwijk winkelgoederen, die aan de Vomar toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4
Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;

feit 2:

diefstal, meermalen gepleegd;

feit 3:

diefstal.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.

5
Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

6
Motivering van de sanctie
6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en een proeftijd van drie jaar. Zij heeft gevorderd aan het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden en deze dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de kans groot is dat de verdachte zijn woning kwijtraakt als hij nog langer moet blijven vastzitten. Tevens heeft zij aandacht gevraagd voor de proceshouding van de verdachte die heeft aangegeven zeer veel spijt te hebben van wat er is gebeurd en onder meer middels een brief zijn excuus heeft aangeboden aan de kassière. Gelet hierop heeft zij verzocht het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf te matigen. De raadsvrouw kan zich vinden in de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden en de geëiste proeftijd van drie jaar.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal met geweld in een supermarkt. Hij is met gezichtsbedekking op naar de kassa toegelopen, waar hij de kassière, van (destijds) zeventien jaar oud, heeft bedreigd met twee keukenmessen. Vervolgens heeft hij geprobeerd de kassalade mee te nemen. Deze bedreiging heeft veel impact gehad op het slachtoffer. Uit de toelichting op haar vordering blijkt dat zij nog steeds nadelige psychische gevolgen van het handelen van de verdachte ondervindt. Door het slachtoffer met messen te bedreigen heeft de verdachte niet alleen gevoelens van angst en onveiligheid bij haar veroorzaakt, maar ook bij de omstanders die hiervan getuigen zijn geweest.

Daarnaast heeft de verdachte meerdere winkeldiefstallen gepleegd. Winkeldiefstallen zijn vervelende feiten die voor de gedupeerden, naast financiële schade, vaak veel overlast en ergernis meebrengen.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 5 februari 2026. Hieruit blijkt dat hij in de afgelopen vijf jaar niet is veroordeeld voor een soortgelijk feit. De laatste veroordeling van de verdachte dateert uit 2006.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 5 maart 2026. De reclassering schat het risico op recidive in als hoog, omdat er op meerdere leefgebieden sprake is van instabiliteit. De reclassering ziet het middelengebruik, het psychosociaal functioneren en de financiële situatie als delictgerelateerde factoren. De verdachte pleegt vermogensdelicten om in zijn drugsgebruik te kunnen voorzien. Mede gelet op de ernst van het middelengebruik, het hoge recidiverisico en een eerder ambulant behandeltraject dat onvoldoende heeft geholpen, acht de reclassering een klinische opname aangewezen. De verdachte is aangemeld bij FPA Heiloo en staat op dit moment op de wachtlijst. Gelet op het recidiverisico acht de reclassering het van belang dat de verdachte aansluitend op zijn detentie in de kliniek wordt geplaatst. Na afloop van de klinische opname kan de behandeling ambulant worden voortgezet. Gelet op het voorgaande adviseert de reclassering bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden die dadelijk uitvoerbaar dienen te worden verklaard:

een meldplicht bij de reclassering;

opname in een zorginstelling;

ambulante behandeling (met de mogelijkheid tot een kortdurende klinische opname);

beheersing middelengebruik.

De verdachte heeft op de zitting gezegd dat hij graag klinisch wil worden opgenomen en openstaat voor een reclasseringstraject. De verdachte heeft verder verklaard dat hij bereid is mee te werken aan de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden. De rechtbank vindt het positief dat de verdachte zich bewust lijkt te zijn van zijn problemen en daaraan wil werken.

De rechtbank heeft in het voordeel van de verdachte verder acht geslagen op de proceshouding van de verdachte, het nemen van verantwoordelijkheid voor de gepleegde strafbare feiten en zijn oprecht overkomende spijtbetuiging ten aanzien van de slachtoffers, in het bijzonder de kassière [benadeelde].

Conclusie

Gelet op de aard en ernst van de gepleegde feiten, in het bijzonder de poging tot diefstal met geweld, acht de rechtbank een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Gezien de persoon van de verdachte en zijn proceshouding zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank heeft hierbij ook rekening gehouden met het feit dat de verdachte per direct terecht kan in een kliniek ter behandeling van zijn problematiek en zijn verblijf aldaar nog geruime tijd zal duren.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden moet worden opgelegd, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Het voorwaardelijk strafdeel is (mede) bedoeld de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van de proeftijd opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank acht het noodzakelijk de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf. Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, beveelt de rechtbank dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

7
Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.750,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De immateriële schade wordt gevorderd wegens een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om matiging van de immateriële schadevergoeding.

Oordeel van de rechtbank

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen, dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

In dit geval is de verdachte met gezichtsbedekking op de benadeelde partij (die als kassière in een supermarkt aan het werk was) afgestapt en heeft hij haar van dichtbij met twee messen bedreigd. Deze omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank de conclusie dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat zij zonder nadere onderbouwing van het gestelde geestelijk letsel recht heeft op vergoeding van immateriële schade.

Mede gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 1.000,- billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. Voor het overige zal de vordering worden afgewezen.

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 8 december 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Proceskosten

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. In dit geval hebben zowel de verdachte als de benadeelde partij op punten ongelijk gekregen. Omdat de verdachte aansprakelijk is voor de schade die door het door hem gepleegde feit is ontstaan en omdat een substantieel deel van de gevorderde schade wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van

€ 1.000,- aan de Staat moet betalen.

Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 december 2025 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.

Als de verdachte de schadevergoeding niet of niet volledig betaalt, kan gijzeling – een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte – worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

8
Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Beslissing

9
Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;

beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 3 (drie) jaren;

bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak enzolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact opnemen met de verdachte voor de eerste afspraak;

- zich tijdens de proeftijd voor maximaal één jaar of zoveel korter als de reclasseringnodig vindt, laat opnemen in, en behandelen door, FPA Heiloo of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk, nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op diagnostiek, psychische problematiek en verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, dan werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Ambulant Centrum Fivoor of eensoortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering en zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, terugvalpreventie en cognitieve vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschrevenmedicatie zal gebruiken.Indien sprake is van een terugval in middelengebruik, overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie, stabilisatie, observatie, diagnostiek en/of crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;

- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruiken/of het gebruik te leren beheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

beveelt dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

wijst de vordering van [benadeelde] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 1.000,-;

veroordeelt de verdachte tot betaling aan [benadeelde] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 december 2025 tot de dag van volledige betaling;

wijst de vordering van [benadeelde] voor wat betreft het meer gevorderde af;

veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde] aan de Staat

€ 1.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 december 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 10 dagen gijzeling;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N. Cuvelier, voorzitter,

mr. P. Reemst en mr. C.H. de Jonge van Ellemeet, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.E.H. de Koning

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 april 2026.

Mr. P. Reemst is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.