Rechtbank Noord-Holland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBNHO:2026:3525

Op 31 March 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 15/215489-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNHO:2026:3525. De plaats van zitting was Alkmaar.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
15/215489-25
Datum uitspraak:
31 March 2026
Datum publicatie:
2 April 2026

Indicatie

Vrijspraak poging moord dan wel doodslag op moeder. Bewezenverklaring poging tot zware mishandeling van moeder. Bewijsmotivering kans op zwaar lichamelijk letsel en voorbedachte raad. Verdachte psychotisch ttv het feit, OVAR + oplegging tbs dwang. Afwijzing VH verzoeken

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/215489-25 (P)

Uitspraakdatum: 31 maart 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 maart 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres],

nu gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad (PPC).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. E.V. Dam en van wat de verdachte en zijn waarnemend raadsvrouw, mr. K.W. van Nieuwkerk, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

1
Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ten laste gelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 8 juli 2025 te Schagen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten [benadeelde], zijnde de moeder van verdachte, van het leven te beroven, die [benadeelde] een of meerdere malen met een (geslepen) (boter)mes in (de richting van) de hals en/of (in) het hoofd en/of (in) het gezicht te steken en/of te snijden en/of te krassen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 8 juli 2025 te Schagen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [benadeelde], zijnde de moeder van verdachte, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [benadeelde] een of meerdere malen met een (geslepen) (boter)mes in (de richting van) de hals en/of (in) het hoofd en/of (in) het gezicht te steken en/of te snijden en/of te krassen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2
Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

Overwegingen

3
Beoordeling van het bewijs
3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de primair ten laste gelegde poging tot moord dan wel doodslag. Volgens de officier van justitie kunnen geen conclusies worden getrokken over de scherpte van het mes en over de mate waarin het steken met dit mes levensbedreigend kan zijn. Hierdoor is in de visie van de officier van justitie onvoldoende informatie beschikbaar over de aanmerkelijke kans op de dood van de aangeefster, waardoor ook (voorwaardelijk) opzet daarop niet bewezen kan worden.

De officier van justitie acht de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, inclusief de strafverhogende omstandigheid van voorbedachte raad, wettig en overtuigend bewezen. Het meermalen steken richting, alsmede het steken of krassen in het gezicht, hoofd en de hals van de aangeefster, levert volgens de officier van justitie een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op. En deze gedragingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op de zware mishandeling van de aangeefster, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg ook heeft aanvaard, aldus de officier van justitie. De verdachte handelde daarbij met voorbedachte raad en niet vanuit een ogenblikkelijke gemoedsbeweging. De officier van justitie heeft daartoe gewezen op verstrekte informatie uit de kliniek, onder meer over eerder waargenomen ‘bewapening’ van verdachte, en de op camerabeelden waargenomen gang van zaken voorafgaand aan de daad.

3.2

Standpunt van de verdediging

Primair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Ten aanzien van het primaire feit geldt bovendien dat de vermeende handelingen van de verdachte niet dusdanig zijn dat deze kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg, te weten de dood van de aangeefster, dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop – welke kans evenmin vast is komen te staan – bewust heeft aanvaard. De raadsvrouw concludeert daarom tot vrijspraak van het primair ten laste gelegde.

Met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat zij vrijspraak heeft bepleit ten aanzien van voorbedachte raad.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Vrijspraak primaire feit Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot moord dan wel doodslag op zijn moeder, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

3.3.2

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad, op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis staan. Dit wordt hierna nader toegelicht.

3.3.3

Nadere bewijsmotivering

Poging zware mishandeling

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte zijn moeder, de aangeefster, heeft aangevallen en haar daarbij meerdere malen met een botermes (een bestekmes) in de hals, het hoofd en het gezicht heeft geprobeerd te steken of te krassen. De aangeefster heeft verklaard hier onder meer krassen op haar keel en een blauwe plek en wond op haar hoofd aan te hebben overgehouden. Dit letsel kan niet worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of bewezen kan worden dat de verdachte opzettelijk heeft geprobeerd de aangeefster zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat de verdachte ‘vol’ opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank zal dus moeten beoordelen of sprake is geweest van ‘voorwaardelijk opzet’. Met andere woorden: heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat door zijn gedragingen de aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen? De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

In dit geval is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans dat de aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou oplopen als gevolg van het handelen van de verdachte. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte met het botermes meerdere stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het hoofd, het gezicht en de hals van de aangeefster. Uit de beschrijving van de camerabeelden komt een hectische situatie naar voren, waarbij zowel de verdachte als de aangeefster op de grond vallen. Ook nadat zij op de grond zijn beland, is de verdachte deze steekbewegingen blijven maken. Op het moment dat de verdachte boven aangeefster hangt maakt hij zowel meerdere snelle korte steekbewegingen als enkele grote steekbewegingen. De verdachte heeft bovendien verklaard dat hij haar wilde beschadigen. Dit maakt dat de verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, zoals ontsierende littekens in het aangezicht of ernstig letsel aan de zwakkere delen van het hoofd. Gelet op zijn gedragingen en zijn verklaring heeft de verdachte die kans ook welbewust aanvaard. De subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling kan daarom worden bewezen.

Voorbedachte raad

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ is vereist dat komt vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan in dit geval sprake.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat er voor de aanval op de aangeefster, binnen de kliniek waar de verdachte verbleef, al diverse incidenten hadden plaatsgevonden die erop duiden dat hij zich had ‘bewapend’. Zo is op de dag voor de aanval een kapotgeslagen fles met een scherpe punt op zijn kamer gevonden. In de middag voorafgaand aan de aanval zijn een vork en een mes onder zijn matras in zijn kamer aangetroffen. Na de aanhouding van de verdachte is ook een glasscherf in zijn onderbroek in de waszak gevonden. Zijn agressie was specifiek op zijn ouders gericht. Bij zijn politieverhoor heeft de verdachte verklaard dat hij zijn moeder, de aangeefster, wilde beschadigen vanuit een wraakgevoel. Twee dagen voorafgaand aan de aanval had de verdachte de aangeefster vastgegrepen en geprobeerd haar zijn kamer in te trekken. Ook op de bewuste avond wilde hij dat zijn ouders naar zijn kamer zouden komen. Juist vanwege het eerdere incident vond dit bezoek plaats in de binnentuin. Op dat moment en aldaar droeg de verdachte het mes al bij zich, dat hij eerder uit de keuken had gepakt en in zijn kleding had verstopt. De verdachte liep een aantal minuten in de binnentuin rond. Vervolgens is hij direct nadat zijn vader de binnentuin verliet en hij daar alleen met de aangeefster was, op haar afgelopen en heeft hij haar aangevallen. Uit deze omstandigheden maakt de rechtbank op dat de verdachte het juiste moment heeft afgewacht en dat hij derhalve niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

3.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat:

hij op 8 juli 2025 te Schagen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [benadeelde], zijnde de moeder van verdachte, opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [benadeelde] meerdere malen met een botermes in (de richting van) de hals en het hoofd en het gezicht te steken en/of te krassen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Wat aan de verdachte onder meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4
Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachte raad, begaan tegen zijn moeder.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5
Strafbaarheid van de verdachte
5.1

Standpunten De officier van justitie en de raadsvrouw hebben zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard en moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

5.2

Oordeel van de rechtbank Ter beantwoording van de vraag of en in welke mate het bewezenverklaarde feit aan de verdachte kan worden toegerekend heeft de rechtbank kennisgenomen van het multidisciplinair Pro Justitia rapport van 29 december 2025, opgesteld door [psychiater], psychiater, en [psycholoog], GZ-psycholoog. Uit dit rapport – dat hierna onder paragraaf 6 uitgebreider aan de orde komt – blijkt dat beide deskundigen tot het oordeel komen dat de verdachte lijdt aan een psychische stoornis, te weten een schizoaffectieve stoornis, en aan een stoornis in polymiddelengebruik (softdrugs, xtc, alcohol). De schizoaffectieve stoornis bestond ook ten tijde van het ten laste gelegde. Op het moment van het ten laste gelegde was de verdachte psychotisch en had hij geen ruimte voor gezonde overwegingen. Volgens de deskundigen was sprake van ernstige oordeels- en kritiekstoornissen waarbij hij volledig werd gestuurd door zijn psychotische overtuigingen. De psychiater en de psycholoog adviseren eensluidend om het ten laste gelegde in het geheel niet aan de verdachte toe te rekenen.

De rechtbank is van oordeel dat het rapport op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De bevindingen van de psychiater en GZ-psycholoog zijn inzichtelijk en adequaat onderbouwd. De rechtbank maakt de conclusies uit het rapport tot de hare en oordeelt dat het bewezen verklaarde feit de verdachte wegens de ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in het geheel niet kan worden toegerekend. De rechtbank acht de verdachte daarom niet strafbaar en zal hem ontslaan van alle rechtsvervolging.

6
Motivering van de maatregel
6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: dwangverpleging) zal worden opgelegd.

6.2

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair verzet tegen oplegging van een tbs-maatregel met dwangverpleging. De verdachte kan zich niet vinden in de door de deskundigen gestelde diagnose en er zijn naar de mening van de verdediging minder ingrijpende interventies mogelijk die niet eerder zijn geprobeerd. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om tbs met voorwaarden op te leggen.

6.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat het ten laste gelegde niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Het opleggen van een straf is daarom niet meer aan de orde. De rechtbank moet echter wel beoordelen of aan de verdachte de tbs-maatregel moet worden opgelegd ter bescherming van de maatschappij. Daartoe heeft de rechtbank acht geslagen op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, maar heeft zich met name laten leiden door de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

De verdachte heeft tijdens zijn verblijf in een psychiatrische kliniek en onder invloed van wanen als gevolg van zijn psychiatrische stoornis, zijn moeder aangevallen door met een botermes stekende bewegingen richting haar gezicht, hoofd en hals te maken. Ook nadat zij daarbij op de grond was gevallen en personeel haar te hulp schoot heeft de verdachte nog proberen te steken. Aan het geweld is pas een einde gekomen nadat personeel van de kliniek het slachtoffer heeft weten te ontzetten. Het slachtoffer heeft door het handelen van de verdachte letsel opgelopen. Uit de verklaring van het slachtoffer bij de politie blijkt dat zij werkelijk bang was dat de verdachte, haar eigen zoon, haar wilde ombrengen.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft gekeken naar het op naam van de verdachte staand strafblad (Uittreksel Justitiële Documentatie), gedateerd 11 maart 2026. Hierop staan geen eerdere veroordelingen vermeld.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het hiervoor onder paragraaf 5 genoemde multidisciplinair Pro Justitia rapport van 29 december 2025. Psychiater [psychiater] en GZ-psycholoog [psycholoog] zijn op de zitting van 17 maart 2026 gehoord en zij hebben hun adviezen zoals verwoord in hun rapport gehandhaafd. Hieruit blijkt dat de verdachte een ernstige psychiatrische stoornis heeft, waarbij het ziektebeloop prognostisch ongunstig is. De verdachte heeft geen ziektebesef en staat niet open voor (medicamenteuze) behandeling. Volgens de deskundigen is hierdoor de kans op herhaling van soortgelijke gedragingen als in de onderhavige zaak, hoog. Ter vermindering van de hoge kans op toekomstig gewelddadig handelen moet er intensieve psychiatrische begeleiding en behandeling ingezet worden. Geadviseerd is de behandeling te laten plaatsvinden in een forensische klinische setting waarbij is ingeschat dat minimaal beveiligingsniveau 3 noodzakelijk is. Vanwege het gebrek aan ziektebesef kan volgens de deskundigen ook niet van de verdachte verwacht worden dat hij zich houdt aan voorwaarden. De deskundigen adviseren concluderend aan de verdachte een tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 26 februari 2026 van GGZ Reclassering Fivoor, waarbij een mogelijke oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden is onderzocht. Hieruit blijkt dat de reclassering geen mogelijkheden ziet om met voorwaarden de als hoog ingeschatte risico's te beperken of het gedrag van de verdachte te veranderen. De reclassering heeft daarom negatief geadviseerd over tbs met voorwaarden.

De op te leggen maatregel

De rechtbank onderschrijft de conclusie van de deskundigen als het gaat om de aan de verdachte op te leggen maatregel. Vanwege de schizoaffectieve stoornis van de verdachte, het gebrek aan ziektebesef en risicovol en gewelddadig gedrag, is ter voorkoming van recidive een langdurig forensisch klinisch behandeltraject nodig. Het kader van de zorgmachtiging is niet afdoende beschermend gebleken, nu het bewezenverklaarde feit is gepleegd terwijl de verdachte op grond van een zorgmachtiging in een kliniek verbleef. De verdachte heeft zich meermalen onttrokken aan klinische opname en geweigerd zijn medicatie te nemen. Een gesloten forensische setting met een hoger beveiligingsniveau dan de reguliere GGZ kan bieden, is noodzakelijk. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de deskundigen overtuigend uiteengezet dat minder ingrijpende maatregelen ontoereikend zijn om het gevaar dat de verdachte voor anderen vormt te verminderen. Gezien de noodzaak van behandeling en het gebrek aan andere afdoende mogelijkheden om het gevaar af te wenden, is de rechtbank van oordeel dat de terbeschikkingstelling van de verdachte moet worden gelast. De rechtbank is ook van oordeel dat verpleging van overheidswege moet worden bevolen, omdat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verpleging eist en de verdachte niet in staat wordt geacht om zich aan een tbs met voorwaarden te houden.

Nu de tbs-maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen – te weten een poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachte raad en begaan tegen zijn moeder – kan de totale duur van de maatregel een periode van vier jaar te boven gaan.

Verzoeken ten aanzien van de voorlopige hechtenis

De raadsvrouw heeft namens de verdachte verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen, subsidiair deze te schorsen. De rechtbank wijst deze verzoeken af.

Bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit maakt dat er ernstige bezwaren tegen de verdachte bestaan. Het bepaalde in artikel 67a, derde lid, Sv, is niet aan de orde gelet op de op te leggen tbs-maatregel met dwangverpleging. Ook zijn de gronden voor voortzetting van de voorlopige hechtenis nog steeds aanwezig. Er is sprake van een twaalfjaarsfeit, nu de maximale strafbedreiging voor zware mishandeling gepleegd met voorbedachte raad een gevangenisstraf van twaalf jaar bedraagt. De verdachte heeft dit gronddelict begaan in een kliniek, onder invloed van wanen en gericht tegen zijn moeder. Een schorsing zal naar het oordeel van de rechtbank dan ook leiden tot maatschappelijke onrust en onbegrip. Het recidivegevaar wordt zonder forensisch kader bovendien als hoog ingeschat. Het strafvorderlijk belang weegt daarom zwaarder dan het persoonlijk belang van de verdachte bij een schorsing.

7
Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

37a, 37b, 45, 303, 304 Sr.

Beslissing

8
Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte daarvoor van alle rechtsvervolging.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Wijst af de verzoeken tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. L. Boonstra, voorzitter,

mr. N.M.L. Rogmans en mr. S.J. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Bleijendaal,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 31 maart 2026.

Bijlage

De bewijsmiddelen (…)