Rechtbank Noord-Holland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBNHO:2026:395

Op 22 January 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 15/402493-24, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNHO:2026:395. De plaats van zitting was Alkmaar.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
15/402493-24
Datum uitspraak:
22 January 2026
Datum publicatie:
21 January 2026

Indicatie

Bewezenverklaring poging tot doodslag door een vrouw op straat aan te vallen en een nekklem aan te leggen. Bewezenverklaring poging tot zware mishandeling door tijdens de insluitingsfouillering een verbalisant een nekklem aan te leggen. De feiten kunnen niet aan de verdachte worden toegerekend en hij wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. Zorgmachtiging niet geïndiceerd omdat de verdachte behandeld wil worden. Oplegging tbs-maatregel met voorwaarden. Toewijzing vorderingen benadeelde partijen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/402493-24

Uitspraakdatum: 22 januari 2026

Tegenspraak

Verkort strafvonnis (art. 138b van het Wetboek van Strafvordering)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

8 januari 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres Pompstationsweg 32, 2597 JW

’s-Gravenhage, zijnde het penitentiair psychiatrisch centrum van de PI Haaglanden.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C.J. Booij, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. H. Polat, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1
Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1

primair

hij op of omstreeks 17 december 2024 te Hoorn, althans in het arrondissement Noord-Holland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven,

- die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer 1] naar de grond heeft gewerkt/getrokken en/of (vervolgens)

- op die [slachtoffer 1] is gaan liggen en/of (vervolgens)

- zijn arm voor/over de mond en/of neus van die [slachtoffer 1] heeft gedaan/geplaatst en/of (vervolgens)

- zijn hand voor/tegen/over de mond van die [slachtoffer 1] heeft gedaan/geplaatst en/of (vervolgens)

- zijn arm om de nek van die [slachtoffer 1] heeft geplaatst/een nekklem heeft aangelegd en/of (vervolgens)

- de nekklem heeft aangezet/de keel/nek van die [slachtoffer 1] heeft dichtgeknepen en/of (vervolgens)

- twee handen om de keel/nek van die [slachtoffer 1] heeft geplaatst en/of (vervolgens)

- de keel/nek van die [slachtoffer 1] heeft dichtgeknepen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 17 december 2024 te Hoorn, in ieder geval in het arrondissement Noord-Holland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer 1] naar de grond heeft gewerkt/getrokken en/of (vervolgens)

- op die [slachtoffer 1] is gaan liggen en/of (vervolgens)

- zijn arm voor/over de mond en/of neus van die [slachtoffer 1] heeft gedaan/geplaatst en/of (vervolgens)

- zijn hand voor/tegen/over de mond van die [slachtoffer 1] heeft gedaan/geplaatst en/of (vervolgens)

- zijn arm om de nek van die [slachtoffer 1] heeft geplaatst/een nekklem heeft aangelegd en/of (vervolgens)

- de nekklem heeft aangezet/de keel/nek van die [slachtoffer 1] heeft dichtgeknepen en/of (vervolgens)

- twee handen om de keel/nek van die [slachtoffer 1] heeft geplaatst en/of (vervolgens)

- de keel/nek van die [slachtoffer 1] heeft dichtgeknepen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Feit 2

primair

hij op of omstreeks 17 december 2024 te Hoorn, althans in het arrondissement Noord Holland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] , werkzaam als hoofdagent bij de Politie Eenheid Noord-Holland, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- die [slachtoffer 2] om zijn nek heeft gepakt en/of (vervolgens)

- een nekklem bij die [slachtoffer 2] heeft aangelegd en/of (vervolgens)

- de nekklem heeft aangezet/de keel/nek van die [slachtoffer 2] heeft dichtgeknepen en/of (vervolgens)

- ( met kracht) het hoofd van die [slachtoffer 2] naar beneden gebracht/getrokken en/of (daarbij)

- de nekklem heeft aangehouden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 17 december 2024 te Hoorn, althans in het arrondissement Noord Holland, een ambtenaar, [slachtoffer 2] , werkzaam als hoofdagent bij de Politie Eenheid Noord-Holland, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door

- die [slachtoffer 2] om zijn nek heeft gepakt en/of (vervolgens)

- een nekklem bij die [slachtoffer 2] heeft aangelegd en/of (vervolgens)

- de nekklem heeft aangezet/de keel/nek van die [slachtoffer 2] heeft dichtgeknepen en/of (vervolgens)

- ( met kracht) het hoofd van die [slachtoffer 2] naar beneden gebracht/getrokken en/of (daarbij)

- de nekklem heeft aangehouden.

2
Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd van de zaak kennis te nemen, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van het bewijs gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Bewezenverklaring feit 1 primair en feit 2 primair

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring op grond van de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn opgenomen. De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben. De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat

Feit 1

primair

hij op 17 december 2024 te Hoorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven,

- die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en vervolgens

- die [slachtoffer 1] naar de grond heeft gewerkt en vervolgens

- op die [slachtoffer 1] is gaan liggen en vervolgens

- zijn arm voor de mond en neus van die [slachtoffer 1] heeft gedaan en vervolgens

- zijn hand tegen de mond van die [slachtoffer 1] heeft geplaatst en vervolgens

- een nekklem heeft aangelegd en vervolgens

- de keel van die [slachtoffer 1] heeft dichtgeknepen en vervolgens

- twee handen om de nek van die [slachtoffer 1] heeft geplaatst en vervolgens

- de keel van die [slachtoffer 1] heeft dichtgeknepen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Feit 2

primair

hij op 17 december 2024 te Hoorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] , werkzaam als hoofdagent bij de Politie Eenheid Noord-Holland, gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- die [slachtoffer 2] om zijn nek heeft gepakt en vervolgens

- een nekklem bij die [slachtoffer 2] heeft aangelegd en vervolgens

- de keel van die [slachtoffer 2] heeft dichtgeknepen en vervolgens

- met kracht het hoofd van die [slachtoffer 2] naar beneden gebracht en daarbij

- de nekklem heeft aangehouden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Wat aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4
Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 primair: poging tot doodslag.

Feit 2 primair: poging tot zware mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.

5
Strafbaarheid van de verdachte
5.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot ontslag van alle rechtsvervolging omdat de verdachte, gelet op de rapporten van de deskundigen, volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard.

5.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ook bepleit dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beantwoording van de vraag of de gepleegde feiten aan de verdachte kunnen worden toegerekend, heeft de rechtbank kennisgenomen van de deskundigenrapportages van psychiater E. Kiliç-Özsoy van 30 juli 2025 en van psycholoog R.A. Sterk van 12 augustus 2025. De psychiater heeft vastgesteld dat de verdachte een schizoaffectieve stoornis en een stoornis in het gebruik in alcohol heeft. Laatstgenoemde stoornis is in vroege remissie. De psycholoog heeft een psychotische stoornis en een lichte stoornis in alcoholgebruik vastgesteld. De stoornis in alcoholgebruik was tijdens het ten laste gelegde in remissie. Volgens de deskundigen waren de stoornissen ten tijde van de gepleegde feiten aanwezig. De verdachte was psychotisch en had (vrijwel) geen vrijheid in zijn gedragskeuzes omdat hij geheel onder invloed was van imperatieve hallucinaties. De deskundigen hebben daarom geadviseerd om de verdachte de feiten geheel niet toe te rekenen.

De rechtbank neemt de conclusies en de adviezen van de deskundigen over. De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten gepleegd als gevolg van zijn stoornissen, zodat de feiten hem niet kunnen worden toegerekend. De verdachte is daarom niet strafbaar en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Overwegingen

6
Motivering van de sanctie
6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna ook: tbs-maatregel) met voorwaarden wordt opgelegd en deze tbs-maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om overeenkomstig de adviezen van de deskundigen geen tbs-maatregel op te leggen maar een zorgmachtiging te verlenen.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Aangezien de feiten niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend en hij daarom zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging, is het opleggen van een straf niet aan de orde. De rechtbank moet wel beoordelen of aan de verdachte een maatregel moet worden opgelegd ter bescherming van de maatschappij. Bij die beslissing heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft het slachtoffer [slachtoffer 1] op straat volkomen onverwacht aangevallen. Hij heeft haar vastgepakt, naar de grond gewerkt en gedurende ongeveer 30 seconden een nekklem aangelegd. Daarbij heeft hij de keel van het slachtoffer dichtgeknepen. Twee omstanders hebben de verdachte van het slachtoffer af moeten trekken. Dit geweld van de verdachte vond ogenschijnlijk plaats zonder enige aanleiding; de verdachte en het slachtoffer kenden elkaar niet. De verdachte heeft met zijn handelen een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer, zoals ook blijkt uit de namens haar ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring, te meer nu het slachtoffer op dat moment ruim 24 weken zwanger was. Zij vreesde niet alleen voor haar eigen leven, maar ook voor het leven van haar ongeboren kind.

Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door tijdens zijn insluitingsfouillering in het cellencomplex verbalisant [slachtoffer 2] onder meer bij zijn nek te pakken, een nekklem aan te leggen en zijn keel dicht te knijpen. Het slachtoffer heeft zich zo bedreigd gevoeld, dat hij zijn noodknop heeft ingedrukt. De verdachte heeft met zijn handelen een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer, zoals ook blijkt uit wat hij ter terechtzitting heeft verklaard. Het slachtoffer heeft een half jaar niet kunnen werken, kan zijn werkzaamheden als motoragent vanwege nekklachten nog niet uitvoeren en het is onbekend of hij ooit volledig zal herstellen.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 12 februari 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder wegens een strafbaar feit is veroordeeld.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de onder 5. genoemde deskundigenrapportages en van het over de verdachte uitgebrachte Reclasseringsadvies Tbs met voorwaarden van

6 januari 2026, opgemaakt door reclasseringswerker [naam 2].

De psychiater en de psycholoog hebben bij de verdachte een schizoaffectieve/psychotische stoornis en een stoornis in het gebruik van alcohol (in remissie) geconstateerd. De verdachte leed ten tijde van de bewezen verklaarde feiten aan deze stoornissen en was geheel onder invloed van imperatieve, visuele en akoestische hallucinaties. De verdachte was ervan overtuigd dat hij door de buitenwereld in gevaar was, had het idee dat de wereld tegen hem was en dat hij door agenten vermoord zou worden. Ook was sprake van grootheidswanen, betrekkingsideeën en suïcidale gedachten. Door de uitgebreide paranoïde belevingen, die een forse verstoring van zijn realiteitstoetsing veroorzaakten, had de verdachte (vrijwel) geen vrijheid in zijn gedragskeuzes ten tijde van het ten laste gelegde.

Als de verdachte vrij van psychose is, psychiatrische zorg krijgt en medicatie inneemt, schatten de deskundigen het risico op recidive in als laag. Als hij zich onttrekt aan zorg en geen behandelkader meer heeft, zal het risico op een psychotische ontregeling vergroten en kan het risico op recidive oplopen naar hoog, waarbij de verdachte zeer snel en fors kan ontregelen. Om het risico op recidive te verminderen, wordt behandeling van de psychotische kwetsbaarheid noodzakelijk geacht. De verdachte is momenteel niet psychotisch, heeft voldoende ziektebesef en ziekte inzicht, neemt vrijwillig zijn medicatie en is gemotiveerd voor behandeling. De deskundigen vinden een tbs-maatregel niet aangewezen. Vanuit gedragskundig oogpunt achten zij forensische expertise niet nodig en zij adviseren een behandeling binnen de reguliere GGZ.

De reclassering adviseert behandeling van de verdachte in het kader van een tbs-maatregel met de volgende voorwaarden:

- geen strafbare feiten plegen;

- meewerken aan reclasseringstoezicht;

- meewerken aan time-out;

- niet naar het buitenland;

- opname in een zorginstelling;

- ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname);

- begeleid wonen of maatschappelijke opvang;

- alcoholverbod;

- drugsverbod;

- dagbesteding.

Tot slot heeft de rechtbank kennisgenomen van een e-mailbericht van 5 september 2025 van [naam 1] , psychiater en geneesheer-directeur bij Parnassia Groep. Hij ziet geen indicatie om een zorgmachtiging voor te bereiden. Er is namelijk niet voldaan aan de uitgangspunten van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, omdat de verdachte gemotiveerd is voor en zich niet verzet tegen behandeling van de psychische stoornis.

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij begrijpt dat hij een langdurige behandeling nodig heeft en dat hij behandeld wil worden.

Op te leggen maatregel

De rechtbank acht een zorgmachtiging niet geïndiceerd. Uit artikel 2:1 lid 1 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg volgt immers dat verplichte zorg in het kader van een zorgmachtiging alleen kan worden overwogen, als er geen mogelijkheden (meer) zijn voor vrijwillige zorg. Uit de deskundigenrapporten en het onderzoek ter terechtzitting blijkt echter dat de verdachte behandeld wil worden.

Gelet op de voorgaande omstandigheden, de noodzaak tot behandeling ter bescherming van de maatschappij, het gebrek aan andere effectieve mogelijkheden om het gevaar af te wenden en het advies van de reclassering acht de rechtbank het passend om de verdachte in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden te laten behandelen. De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden: tijdens het begaan van de bewezen verklaarde feiten bestond bij de verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, de feiten die de verdachte heeft begaan zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de algemene veiligheid van personen of goederen eist het opleggen van deze maatregel. De rechtbank zal dan ook de terbeschikkingstelling van de verdachte gelasten en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden. De verdachte heeft zich bereid verklaard de geadviseerde voorwaarden na te leven.

De bewezen verklaarde feiten zijn misdrijven die gericht zijn tegen dan wel gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat een termijn van een eventuele tbs-maatregel met dwangverpleging niet is beperkt tot vier jaren.

Geen dadelijke uitvoerbaarheid

De officier van justitie heeft gevorderd de tbs-maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De rechtbank acht het weliswaar van belang dat de behandeling van de verdachte zo snel mogelijk zal starten, maar gelet op de hierna vermelde beslissingen over de voorlopige hechtenis zal de rechtbank niet bepalen dat de tbs-maatregel met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zal zijn.

Voorlopige hechtenis

De rechtbank zal bevelen dat de voorlopige hechtenis van de verdachte wordt geschorst met ingang van het tijdstip waarop de verdachte wordt opgenomen in een zorginstelling of wordt geplaatst op een overbruggingsplek. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis zal de rechtbank dezelfde voorwaarden verbinden als de voorwaarden die aan de tbs-maatregel zijn verbonden.

Deze schorsing van de voorlopige hechtenis acht de rechtbank noodzakelijk omdat bij een eventuele overtreding van de voorwaarden omzetting van de tbs-maatregel met voorwaarden in een tbs-maatregel met dwangverpleging niet mogelijk is zolang dit vonnis niet onherroepelijk is. Door deze schorsing kan in die situatie wel de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis worden bevolen en op die manier de algemene veiligheid van personen en goederen worden gewaarborgd. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1729). De rechtbank zal de schorsing in duur beperken tot het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is geworden.

Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven met ingang van het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is geworden.

7
Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
7.1.

De vordering van [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.353,10 ingediend tegen de verdachte wegens schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De vordering bestaat uit een bedrag van € 353,10 als vergoeding voor geleden materiële schade wegens eigen risico van de zorgverzekering (€ 277,40), parkeerkosten bij het ziekenhuis (€ 3,75) en beschadiging aan schoenen

(€ 71,95). Ook wordt een bedrag van € 3.000,00 als vergoeding voor geleden immateriële schade gevorderd.

7.1.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.1.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging betwist niet dat de benadeelde partij schade heeft geleden en evenmin de door de benadeelde partij gestelde hoogte daarvan, maar is van mening dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De verdachte wist niet wat hij deed en hoeft daarom ook niet de schade die daaruit voortvloeit te betalen.

7.1.3.

Oordeel van de rechtbank

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit door de handelingen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De omstandigheid dat de verdachte ontslagen wordt van alle rechtsvervolging brengt niet mee dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in haar vordering. Zij is ontvankelijk om zich in het strafproces te voegen als benadeelde partij, omdat, zoals hiervoor overwogen, de verdachte een tbs-maatregel krijgt opgelegd (artikel 361 lid 2 sub a van het Wetboek van Strafvordering). De vordering kan dus in het kader van dit strafproces behandeld en inhoudelijk beoordeeld worden. De daaropvolgende inhoudelijke (civielrechtelijke) vraag is of de vordering toewijsbaar is ondanks de omstandigheid dat de verdachte ontslagen wordt van alle rechtsvervolging. Artikel 6:165 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt, dat de omstandigheid dat een als een doen te beschouwen gedraging (in dit geval: het bewezenverklaarde strafbare feit) verricht is onder invloed van een geestelijke of lichamelijke tekortkoming, geen beletsel is haar als een onrechtmatige daad aan de dader toe te rekenen.

Anders dan de verdediging meent, is de omstandigheid dat de verdachte ontslagen wordt van alle rechtsvervolging op zichzelf dus geen beletsel om de vordering inhoudelijk te behandelen in het kader van dit strafproces of voor de toewijsbaarheid daarvan.

De hoogte van de gestelde materiële schade is niet betwist en de daarvoor gevorderde vergoeding zal daarom worden toegewezen.

De rechtbank is verder van oordeel dat het bewezenverklaarde handelen van de verdachte heeft geleid tot lichamelijk letsel bij de benadeelde partij, zodat de benadeelde partij recht heeft op een vergoeding van de hierdoor geleden immateriële schade (artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek). De rechtbank heeft gelet op de onderbouwing van de vordering en de aard en ernst van het letsel, waaronder een slijmvliesbeschadiging aan de onderlip en huidverkleuringen aan de hals. Ook heeft de benadeelde partij als gevolg van het feit last gehad van terugkerende beelden van het incident, ervaart zij een hoge mate van schrikachtigheid en is zij alert op verwarde personen. De hoogte van de gestelde immateriële schade is niet betwist en de gevorderde vergoeding daarvoor zal daarom worden toegewezen.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij van € 3.353,10 toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.

7.2.

De vordering van [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.221,24 ingediend tegen de verdachte wegens schade die hij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De vordering bestaat uit een bedrag van € 2.221,24 als vergoeding voor geleden materiële schade wegens kosten van de aanschaf van een hoofdkussen (€ 49,99), tegemoetkoming huishoudelijke hulp conform de richtlijn Letselschade Raad (€ 1.884,00) en tegemoetkoming zelfwerkzaamheid conform de richtlijn Letselschade Raad (€ 287,25). Ook wordt een bedrag van € 3.000,00 als vergoeding voor geleden immateriële schade gevorderd.

7.2.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging betwist niet dat de benadeelde partij schade heeft geleden en evenmin de door de benadeelde partij gestelde hoogte daarvan, maar is van mening dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De verdachte wist niet wat hij deed en hoeft daarom ook niet de schade die daaruit voortvloeit te betalen.

7.2.3.

Oordeel van de rechtbank

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde feit door de handelingen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De omstandigheid dat de verdachte ontslagen wordt van alle rechtsvervolging brengt niet mee dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in zijn vordering. Hij is ontvankelijk om zich in het strafproces te voegen als benadeelde partij, omdat, zoals hiervoor overwogen, de verdachte een tbs-maatregel krijgt opgelegd (artikel 361 lid 2 sub a van het Wetboek van Strafvordering). De vordering kan dus in het kader van dit strafproces behandeld en inhoudelijk beoordeeld worden. De daaropvolgende inhoudelijke (civielrechtelijke) vraag is of de vordering toewijsbaar is ondanks de omstandigheid dat de verdachte ontslagen wordt van alle rechtsvervolging. Artikel 6:165 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt, dat de omstandigheid dat een als een doen te beschouwen gedraging (in dit geval: het bewezenverklaarde strafbare feit) verricht is onder invloed van een geestelijke of lichamelijke tekortkoming, geen beletsel is haar als een onrechtmatige daad aan de dader toe te rekenen.

Anders dan de verdediging meent, is de omstandigheid dat de verdachte ontslagen wordt van alle rechtsvervolging op zichzelf dus geen beletsel om de vordering inhoudelijk te behandelen in het kader van dit strafproces of voor de toewijsbaarheid daarvan.

De hoogte van de gestelde materiële schade is niet betwist en de daarvoor gevorderde vergoeding zal daarom worden toegewezen.

De rechtbank is verder van oordeel dat het bewezenverklaarde handelen van de verdachte heeft geleid tot lichamelijk letsel bij de benadeelde partij, zodat de benadeelde partij recht heeft op een vergoeding van de hierdoor geleden immateriële schade (artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek). De rechtbank heeft gelet op de onderbouwing van de vordering en de aard en ernst van het letsel, waaronder (forse) krassen in de hals, verminderde mobiliteit van de hals en pijn aan halsspieren en wervels. Ook heeft de benadeelde partij als gevolg van het feit nog steeds regelmatig last van hoofdpijn en nekpijn en is hij beperkt (geweest) in zijn dagelijkse activiteiten. Daarnaast heeft hij last gehad van herbelevingen. De hoogte van de gestelde immateriële schade is niet betwist en de gevorderde vergoeding daarvoor zal daarom worden toegewezen.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij van € 5.221,24 toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.

7.3.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte [kort gezegd: poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling] aanleiding ter zake van de vorderingen van de benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8
Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36f, 38, 38a, 45, 57, 287, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

9
Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte daarvoor van alle rechtsvervolging.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden betreffende zijn gedrag:

1. Geen strafbaar feit plegen

De verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.

2. Meewerken aan reclasseringstoezicht

De verdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:

- de verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe

vaak dat nodig is;

- de verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs

zien. Dit is nodig om de identiteit van de verdachte vast te stellen;

- de verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan

aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de verdachte

te helpen bij het naleven van de voorwaarden;

- de verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht

herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;

- de verdachte werkt mee aan huisbezoeken;

- de verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of

behandeling door andere instellingen of hulpverleners;

- de verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;

- de verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties

die contact hebben met de verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.

3. Meewerken aan time-out

Als de reclassering dat nodig vindt en de verdachte daarmee instemt, kan de verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.

4. Niet naar het buitenland

De verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der

Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.

5. Opname in een zorginstelling

De verdachte laat zich opnemen in een zorginstelling dan wel in een overbruggingsplek in afwachting van plaatsing in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start aansluitend op detentie en duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

6. Ambulante behandeling

De verdachte laat zich aansluitend aan zijn klinische opname ambulant behandelen door een

forensische ggz-instelling en neemt zijn medicatie volgens voorschrift in, ook als dit toediening inhoudt. De verdachte laat zich hierop controleren.

7. Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang

Aansluitend aan zijn klinische opname zal de verdachte – indien en voor zover de reclassering dat nodig vindt – verblijven in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Het verblijf duurt zolang de reclassering en zorginstelling dat nodig vinden. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

8. Alcoholverbod

De verdachte gebruikt geen alcohol en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt

gecontroleerd.

9. Drugsverbod

De verdachte gebruikt geen drugs en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd.

10. Dagbesteding

De verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk

en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur.

Geeft opdracht aan de reclassering bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Benadeelde partijen

[slachtoffer 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij geheel toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 3.353,10 (zegge: drieduizend driehonderddrieënvijftig euro en tien cent) als vergoeding voor geleden schade bestaande uit € 353,10 materiële schade en € 3.000,00 immateriële schade.

Bepaalt dat het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de benadeelde partij, voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij van een bedrag van € 3.353,10, bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 33 dagen en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

[slachtoffer 2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij geheel toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 5.221,24 (zegge: vijfduizend tweehonderdeenentwintig euro en vierentwintig cent) als vergoeding voor geleden schade bestaande uit € 2.221,24 materiële schade en € 3.000,00 immateriële schade.

Bepaalt dat het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de benadeelde partij, voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij van een bedrag van € 5.221,24, bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 51 dagen en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voorlopige hechtenis

Schorst de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het moment waarop de verdachte in het kader van de klinische behandeling (zoals omschreven in voorwaarde 5) zal worden opgenomen in een zorginstelling, dan wel in een overbruggingsplek in afwachting van plaatsing in een zorginstelling. De schorsing van de voorlopige hechtenis duurt tot het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is.

Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis worden de hiervoor onder 1 tot en met 10 genoemde voorwaarden verbonden en de voorwaarde dat:

- de verdachte, indien de opheffing van de schorsing mocht worden bevolen, zich niet aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis zal onttrekken.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.H. de Jonge van Ellemeet, voorzitter,

mr. M.C.J. Lommen en mr. C.M.A.V. van Kleef, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.I. Hoedjes,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 januari 2026.