RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/024126-26 en 15/109272-25 (ttz gev) (P)
Uitspraakdatum: 14 april 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 31 maart 2026 in de zaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1] ,
thans gedetineerd in [detentieadres] .
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. J. Zwinkels en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.C. Pedrotti, advocaat te Hoorn, naar voren hebben gebracht.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 november 2025 tot en met 2 december 2025 te Hoorn en/of Heerhugowaard en/of (elders) in Nederland, enig goed, dat geheel of ten dele aan een andere toebehoorde, te weten- een hoeveelheid geld (te weten 9,98 euro), toebehorende aan [slachtoffer 1] , en/of- een hoeveelheid geld (te weten 17,88 euro), toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , en/of - een hoeveelheid geld (te weten 5,90 euro) en/of een rijbewijs en/of één of meer bankpassen en/of een vaarbewijs, toebehorende aan [slachtoffer 4] , en/of- een hoeveelheid geld (te weten 4,99 euro), toebehorende aan [slachtoffer 5] ,(telkens) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door (telkens) onbevoegd en zonder toestemming gebruik te maken van een (wederrechtelijk verkregen) bankpas.
Feit 2:
hij op of omstreeks 30 september 2025 te Hoorn in/uit een pand/bedrijf (gelegen aan [adres 2] ) een kluis met inhoud (te weten een identiteitsbewijs en/of contant geld (50 euro) en/of drie bankpassen en/of een slof sigaretten en/of sleutels), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Feit 3:
hij op of omstreeks 3 december 2025 te Zwaag, gemeente Hoorn in/uit een pand/bedrijf (gelegen aan [adres 3] ) een hoeveelheid (contant) geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 7] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Feit 4:
hij op of omstreeks 27 december 2024 te Hoorn een kassalade en/of het daarin aanwezige geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 8] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, te weten door het inslaan van een raam.
Feit 5:
hij op of omstreeks 15 december 2024 te Hoorn opzettelijk en wederrechtelijk een raam, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 9] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4
Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1:
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.
Feit 5:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
7
Vordering benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft als wettelijk vertegenwoordiger namens [slachtoffer 3] een vordering tot schadevergoeding van € 171,35,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.
De gestelde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- Een nieuwe identiteitskaart à € 42,35;
- Een nieuwe telefoon à € 129,00.
7.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, omdat enkel kan worden vastgesteld dat de verdachte geld met de pinpas van [slachtoffer 3] heeft gestolen.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schade niet rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit en de benadeelde partij daarom niet in de vordering zal kunnen worden ontvangen. Immers, de bewezenverklaring houdt in dat de verdachte (enkel) een hoeveelheid geld (te weten 16,88 euro) heeft weggenomen. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering.
8
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 63, 310, 311, 350 Sr.
Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.K. Korteweg, voorzitter,
mr. N. Rogmans en mr. A.H. Tiemens, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.B.A.F. Burggraaf,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 april 2026.