3.3.1
Vrijspraak bezit 630 gram metamfetamine (feit 2 partieel) en bezit wapen (feit 3)
De rechtbank is, overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een bakje met daarin 630 gram materiaal bevattende metamfetamine (feit 2 partieel) en het voorhanden hebben van een hagelgeweer met bijbehorende munitie (feit 3). De politie heeft deze voorwerpen op 3 mei 2021 aangetroffen in de bedrijfsruimte van het pand in Wormer waarin zich een drugslaboratorium bevond. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van het dossier niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte een meer of mindere mate van bewustheid had dat het bakje met drugs en het wapen in die bedrijfsruimte lagen. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van deze verwijten.
3.3.2
Vrijspraak vervaardigen en bezit metamfetamine(olie) (feiten 1 en 2)
Drugslaboratorium in bedrijfspand
Op 3 mei 2021 heeft de politie een drugslaboratorium aangetroffen in een bedrijfspand aan de [adres] in Wormer. Dat laboratorium bevond zich in de bedrijfsruimte op de begane grond van het pand. Daar stond op een werkbank een destillatieopstelling met kolven van twintig liter om vloeistoffen met daarin metamfetamine(olie) te zuiveren ten behoeve van het verdere productieproces tot het eindproduct crystal meth. Het drugslaboratorium was tijdens de politie-inval niet in werking, maar gelet op wat de politie aantrof, kan worden vastgesteld dat op enig moment voorafgaand aan de inval materiaal met daarin metamfetamine(olie) in het laboratorium is vervaardigd. Zo was de destillatieopstelling in het drugslaboratorium aangesloten op water en elektriciteit en bevond zich in één van de kolven nog ongeveer zeven liter olieachtige vloeistof met daarin metamfetamine. De politie vond in het drugslaboratorium meerdere emmers en vaten, waarin in totaal meer dan 109 liter vloeistof bevattende metamfetamine(olie) zat. Verder lagen er in het drugslaboratorium allerlei (gebruikte) laboratoriummaterialen, grondstoffen en chemicaliën die nodig zijn voor het productieproces van synthetische drugs als metamfetamine.
Bij de inval in het bedrijfspand trof de politie één persoon aan: [medeverdachte D]. Hij bevond zich in de bedrijfsruimte waar ook het drugslaboratorium werd aangetroffen. De politie deed al langer onderzoek naar [medeverdachte D]. Lopende dat onderzoek bleek dat [medeverdachte D] gebruikmaakte van een witte bestelbus en kwam in april 2021 het bedrijfspand in Wormer bij de politie in beeld. Dat was voor de politie reden om het bedrijfspand te observeren. Tijdens deze observaties in de ten laste gelegde periode heeft de politie een aantal personen bij het bedrijfspand gezien. Eén van hen was de verdachte. Hij heeft het bedrijfspand in de ten laste gelegde periode betreden.
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of op grond van het dossier kan worden bewezen dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij het vervaardigen en/of het aanwezig hebben van materiaal bevattende metamfetamine(olie) in het drugslaboratorium in het bedrijfspand, waarvan hij de eigenaar was. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. De rechtbank vindt deze feiten onvoldoende bewezen. Dit betekent dat de rechtbank de verdachte hiervan zal vrijspreken. De rechtbank zet hieronder uiteen hoe zij tot deze conclusie is gekomen.
Observaties
Op basis van de observaties bij het bedrijfspand kan worden vastgesteld dat de verdachte in de ten laste gelegde periode op twee dagen bij het bedrijfspand is geweest, namelijk op 18 april en 3 mei 2021. Op 18 april 2021 reed de verdachte rond het middaguur met de witte bestelbus naar het bedrijfspand. Zijn toenmalige vriendin zat als bijrijder in de bestelbus. De verdachte parkeerde bij het pand de bestelbus en vertrok vervolgens met zijn vriendin met de fiets. De verdachte is daarna pas op 3 mei 2021 weer bij het bedrijfspand gezien. Hij kwam die dag om 11.22 uur samen met zijn jongste zoon aan bij het bedrijfspand en ging via de algemene toegangsdeur van dat pand met zijn zoon naar binnen. Een klein uur later, om 12.17 uur, verlieten de verdachte en zijn zoon het bedrijfspand weer via de toegangsdeur.
De verdachte heeft bij de politie en op de zitting (kort samengevat) verklaard dat hij sinds 2018 de eigenaar was van het bedrijfspand en de bedrijfsruimte samen met zijn zoons gebruikte voor opslag en om een klassieke Mercedes en een speedboot op te knappen. Op de bovenverdieping van het pand bevond zich een woongedeelte. In de ten laste gelegde periode werd daar nog geklust door onder andere [medeverdachte D]. Hij mocht in dat woongedeelte ook verblijven. De verdachte heeft erkend dat hij op de twee dagen bij zijn pand is geweest. Op 18 april 2021 had hij de bestelbus van [medeverdachte D] geleend om de scooter van zijn vriendin te vervoeren. Op 3 mei 2021 was de verdachte samen met zijn jongste zoon in het woongedeelte, om te klussen of om [medeverdachte D] te bezoeken. De verdachte heeft ontkend dat hij deze dagen in de bedrijfsruimte is geweest en dat hij wetenschap had van het drugslaboratorium daar.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte als eigenaar van het bedrijfspand een legitieme reden had om daar in de ten laste gelegde periode te zijn. Zijn enkele aanwezigheid bij dat pand op slechts twee korte momenten acht de rechtbank daarom niet zonder meer redengevend voor het bewijs van de wetenschap van de verdachte van het drugslaboratorium in het pand en zijn betrokkenheid bij het productieproces in dat laboratorium. De rechtbank betrekt hierbij ook dat de verdachte tijdens de observaties gebruik heeft gemaakt van de algemene toegangsdeur van het pand en niet tevens van de roldeur die direct toegang gaf tot de bedrijfsruimte. De algemene toegangsdeur van het bedrijfspand leidde (via een kleine hal) naar zowel het woongedeelte op de bovenverdieping als de bedrijfsruimte op de begane grond. Omdat er geen bewijs is dat de verdachte ook de roldeur heeft gebruikt, geeft dit geen uitsluitsel over de vraag of de verdachte zich in de ten laste gelegde periode in de bedrijfsruimte heeft bevonden. In die zin kan het door de verdediging geschetste scenario, dat de verdachte alleen op de bovenverdieping is geweest, naar het oordeel van de rechtbank niet als onaannemelijk terzijde worden geschoven.
DNA-bewijs
Dit leidt tot de vraag of het dossier ander bewijs bevat op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van het drugslaboratorium en bij het productieproces in dat drugslaboratorium betrokken was. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
De politie heeft in een prullenbak in de bedrijfsruimte een werkhandschoen aangetroffen. Hierop zijn sporen van metamfetamine gevonden. Uit de bemonstering van deze handschoen is een DNA-mengprofiel van minimaal drie donoren verkregen. Daaruit is een hoofdprofiel afgeleid, met een frequentie van kleiner dan één op één miljard. Het DNA-profiel van de verdachte komt overeen met dit DNA-hoofdprofiel. Hieruit concludeert de rechtbank dat de verdachte donor is geweest van het DNA op de werkhandschoen en die handschoen op enig moment heeft gedragen. De verdachte heeft dit niet ontkend. Hij heeft over de aanwezigheid van zijn DNA op de handschoen verklaard dat hij meerdere paren werkhandschoenen bezat, die in het bedrijfspand lagen en hij vaak gebruikte bij het klussen en als stratenmaker. De verdachte vermoedt dat een ander de handschoen in het pand heeft gepakt en gebruikt. De rechtbank is van oordeel dat nu het in dit geval niet gaat om een wegwerphandschoen, maar een werkhandschoen, die in het pand van de verdachte is aangetroffen, met daarop bovendien een mengprofiel met ook DNA van anderen, niet buiten redelijke twijfel kan worden uitgesloten dat een ander die werkhandschoen in het bedrijfspand heeft gevonden en heeft gedragen bij het productieproces in het drugslaboratorium. De rechtbank acht het aantreffen van het DNA van de verdachte in dit geval daarom van onvoldoende gewicht om hem in het drugslaboratorium te plaatsen en voor het bewijs van zijn wetenschap en zijn betrokkenheid.
Slotsom
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat op grond van het dossier niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van het drugslaboratorium en als medepleger betrokken was bij het vervaardigen van metamfetamine(olie) in dat drugslaboratorium (feit 1) of het daar aanwezig hebben van meer dan 100 liter vloeistof met daarin metamfetamine(olie) (feit 2). De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden geven weliswaar te denken en kunnen belastend worden uitgelegd, maar zonder nader bewijs, dat ontbreekt, zijn deze feiten en omstandigheden onvoldoende specifiek om daaruit conclusies te kunnen trekken over de wetenschap en (de mate van) de betrokkenheid van de verdachte. Dat geldt ook voor het tapgesprek van 19 april 2021 van een (eerder vrijgesproken) medeverdachte, waarin hij vertelt dat hij die dag met “[X]” is geweest en heeft geholpen in [X’] loods. De officier van justitie is ervan uitgegaan dat dit gesprek betrekking heeft op de verdachte, omdat het zou gaan om een bijnaam, afgeleid van zijn tweede naam, en dat de inhoud van het gesprek duidt op zijn betrokkenheid bij het laboratorium. De rechtbank vindt de inhoud van dit gesprek echter van onvoldoende gewicht om als bewijs te dienen. Dit alles leidt ertoe dat de rechtbank de verdachte van de feiten 1 en 2 zal vrijspreken.