Rechtbank Noord-Holland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBNHO:2026:8445

Op 6 July 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 15-141242-23, 15-166923-23, 15-066474-25 en 15-227, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNHO:2026:8445.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
15-141242-23, 15-166923-23, 15-066474-25 en 15-227
Datum uitspraak:
6 July 2026
Datum publicatie:
9 July 2026

Indicatie

Bewezenverklaring van zeven strafbare feiten: poging tot zware mishandeling, twee keer stalking, poging tot dwang, bedreiging, diefstal, lokaalvredebreuk. Bewijsverweren, noodweer(exces)verweer, beroep op psychische overmacht. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 weken, waarvan 15 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met bijzondere voorwaarden en DUT. Daarnaast een taakstraf van 240 uur. Oplegging van de 38v maatregel (locatie- en contactverbod) met DUT. Vorderingen van 5 benadeelde partijen. Twee benadeelde partijen zijn niet-ontvankelijk. De vorderingen van de andere benadeelde partijen zijn (gedeeltelijk) toegewezen (Rotterdamse schaal).

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15-141242-23, 15-166923-23, 15-066474-25 en 15-227470-25 (gevoegd) (P)

Uitspraakdatum: 6 juli 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 juni 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1988 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres 1]

.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. De ten laste gelegde feiten in de gevoegde zaken zijn voor de leesbaarheid doorgenummerd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R. Visser en van wat de verdachte en zijn raadsman mr. R. Jethoe, advocaat te Almere, naar voren hebben gebracht.

1
Tenlastelegging

De verdachte wordt beschuldigd van de volgende feiten:

Poging zware mishandeling van [slachtoffer 1] op 9 juni 2023 te Zandvoort

Poging dwang van [slachtoffer 2] van 7 tot en met 9 juni 2023 te Zandvoort

Diefstal van joints uit Coffeeshop [slachtoffer 3] op 1 mei 2023 te Haarlem

Lokaalvredebreuk bij coffeeshop [slachtoffer 4] op 23 februari 2025 te Zandvoort

Bedreiging [slachtoffer 5] op 23 februari 2025 te Zandvoort

Belaging van [slachtoffer 6] van 26 februari tot en met 26 juni 2025 te Haarlem

Belaging [slachtoffer 7] van 1 februari 2023 tot en met 26 juni 2025 te Haarlem

Bedreiging [slachtoffer 8] van 7 februari tot en met 26 juni 2025 te Haarlem.

De volledige tenlastelegging is als bijlage I bij dit vonnis opgenomen en maakt daarvan deel uit.

2
Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Overwegingen

3
Beoordeling van het bewijs
3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 5 ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van alle andere ten laste gelegde feiten.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van de onder 3, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. Het standpunt van de raadsman zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken. De overige verweren worden hierna onder 4 en 5 besproken.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Vrijspraak feit 5 De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de verdachte van het onder 5 ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken, omdat de verklaring van [slachtoffer 5] niet wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen.

3.3.2

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3, 4, 6, 7 en 8 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II bij dit vonnis zijn opgenomen.

3.3.3

Nadere bewijsoverweging feit 1 (poging tot zware mishandeling [slachtoffer 1] )

De raadsman heeft (in het kader van een noodweerverweer) aangevoerd dat de verklaringen van de aangever [slachtoffer 1] , en de getuigen [getuige 1] , [slachtoffer 2] , [getuige 2] , [getuige 3] en de verklaring die [getuige 4] bij de rechter-commissaris heeft afgelegd, moeten worden uitgesloten van het bewijs. Volgens de raadsman zijn deze verklaringen onbetrouwbaar, omdat deze getuigen iets anders hebben verklaard dan wat de getuige [getuige 4] op 9 juni 2023 tegen de politie heeft verteld en dan wat de verdachte zelf heeft verklaard. De getuigen hadden bij de rechter-commissaris geen zin om een verklaring af te leggen en geen enkele verklaring was volledig waarheidsgetrouw. De aangever heeft alleen bij de politie verklaringen afgelegd. De verdediging heeft hem niet nader kunnen horen, omdat hij ondanks een bevel tot medebrenging niet bij de rechter-commissaris is verschenen. Als de verklaring die de aangever bij de politie heeft afgelegd voor het bewijs wordt gebruikt, wordt het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM geschonden. Daarom moet deze verklaring volgens de raadsman van het bewijs worden uitgesloten.

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de inhoud van de verklaringen die de getuigen [getuige 1] , [slachtoffer 2] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] hebben afgelegd. De (onderdelen van de) verklaringen die de rechtbank ten aanzien van deze getuigen voor het bewijs gebruikt, vinden steun in de verklaringen die de verdachte zelf over dit feit heeft afgelegd.

Wat betreft de verklaringen van de aangever en het standpunt van de raadsman dat deze verklaring van het bewijs moet worden uitgesloten, overweegt de rechtbank het volgende.

In gevallen waarin de rechter voor het bewijs gebruik wil maken van een door een getuige afgelegde verklaring, terwijl de verdediging – ondanks het nodige initiatief – niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om ten aanzien van die getuige het ondervragingsrecht uit te oefenen, moet de rechter nagaan of het proces als geheel eerlijk is verlopen. Hierbij zijn – met het oog op de beoordeling of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces – van belang (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid (HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576).

Er zijn door de rechter-commissaris drie pogingen gedaan om de aangever als getuige te horen, laatstelijk met een bevel medebrenging, maar de getuige is steeds niet verschenen. Daarmee waren volgens de rechter-commissaris de dwangmiddelen om de getuige te doen verschijnen, uitgeput. Dat vormt de reden dat het ondervragingsrecht niet door de verdediging kon worden uitgeoefend. Voor wat betreft het gewicht van de verklaring van de aangever in het geheel van de bewijsvoering, merkt de rechtbank op dat het bewijs voor een belangrijk deel wordt gebaseerd op de eigen verklaring van de verdachte. Hij heeft immers bekend dat hij de aangever heeft geslagen met een stanleymes in zijn handen. De verdachte heeft daarbij verklaard dat hij zich moest verweren tegen de aangever en anderen. De wens van de verdediging heeft ook niet (primair) betrekking op de bewijsvraag, maar meer om ondersteuning te bieden aan het te voeren noodweerverweer. De verdediging heeft bovendien wel de gelegenheid gehad om een vijftal andere getuigen bij de rechter-commissaris te ondervragen over hetzelfde incident. Deze getuigen zijn door de verdediging daarbij onder meer bevraagd over de inhoud van de verklaring van de aangever. Daarmee is in belangrijke mate compensatie geboden voor de onmogelijkheid van de verdediging om de aangever zelf te ondervragen.

Gelet op al het voorgaande is er geen sprake van een oneerlijk proces als de verklaring van de aangever voor het bewijs wordt gebruikt.

De rechtbank acht op grond van de aangifte en het nadere verhoor van de aangever, de verklaring van de getuige [getuige 2] en de bekennende verklaring van de verdachte, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft geprobeerd om aangever zwaar te mishandelen.

3.3.4

Nadere bewijsoverweging feit 3 (diefstal joints)

De raadsman heeft aangevoerd dat de diefstal van de joints niet kan worden bewezen, omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte het oogmerk had van wederrechtelijke toe-eigening van de joints. De verdachte heeft tegen de aangever gezegd dat hij de volgende dag zou betalen en heeft dit ook gedaan.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De aangever heeft verklaard dat de verdachte de joints van de toonbank pakte, wegliep en zei: ‘ik betaal de volgende keer wel’. Toen de aangever tegen de verdachte zei dat hij de joints moest betalen, zei de verdachte: ‘ik betaal helemaal niks, krijg de tering maar’. De verdachte heeft op de zitting bevestigd dat hij heeft gezegd dat hij niet wilde betalen, omdat hij door de aangever werd uitgescholden. Uit deze bewijsmiddelen volgt dat de verdachte tijdens het wegnemen van de joints het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening had. De rechtbank acht de diefstal dan ook wettig en overtuigend bewezen.

3.3.5

Nadere bewijsoverweging feit 6 (belaging [slachtoffer 6] )

De raadsman heeft ten aanzien van de tenlastegelegde belaging van [slachtoffer 6] in de periode van 26 februari 2025 tot en met 26 juni 2025 aangevoerd dat geen sprake is van stelselmatigheid en dat het oogmerk tot stalking ontbreekt.

De rechtbank overweegt het volgende. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zijn van belang de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Een geringe duur en frequentie van de gedragingen hoeft het bestaan van de vereiste stelselmatigheid van de inbreuk niet uit te sluiten.

De rechtbank stelt op grond van de tot het bewijs gebruikte bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 26 februari 2025 en 3 maart 2025 heeft de aangeefster kaarten in haar brievenbus gekregen, afkomstig van de verdachte, waarin hij haar mee uit gevraagd heeft. Op 24 maart 2025 kreeg ze een brief van de verdachte die aan haar ouders was gericht. Ook haar vader heeft die dag een brief ontvangen. Op 23 april 2025 kreeg de aangeefster een smsje van de verdachte. Op 6 mei 2025 kreeg zij een whatsapp-bericht. Ook heeft zij verschillende brieven ontvangen. Op 17 mei 2025 heeft de politie een stopgesprek gehouden met de verdachte. Daarna was het even rustig, maar vanaf half juni 2025 heeft de verdachte zich weer opgehouden voor de woning van de aangeefster en heeft hij briefjes in de brievenbus gegooid. De aangeefster heeft verklaard dat zij bang is voor de verdachte, omdat hij onvoorspelbaar is. Ook de ouders van de aangeefster hebben verklaard dat de verdachte vaak door de straat loopt, bloemen stuurt en briefjes in de brievenbus gooit en dat hun dochter erg bang is voor de verdachte.

De verdachte heeft bekend dat hij in de door de aangeefster genoemde periode briefjes bij de aangeefster in de brievenbus heeft gedaan, dat hij in vaak in haar straat is geweest en dat hij na het stopgesprek is doorgegaan, omdat hij de aangeefster leuk vond.

Uit de aangifte van [slachtoffer 6] , de verklaringen van haar ouders en de bekennende verklaring van de verdachte volgt dat de verdachte de aangeefster op obsessieve en indringende wijze heeft belaagd. De aangeefster heeft zich belemmerd gevoeld in haar persoonlijke vrijheid. De aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer zijn zodanig geweest dat van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer sprake is geweest.

Uit de hiervoor genoemde handelingen van de verdachte volgt ook dat de verdachte bij de aangeefster het oogmerk had om te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen. Hij heeft de aangeefster feitelijk gedwongen om te dulden dat stelselmatig contact met haar werd gezocht en daarmee inbreuk werd gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. Uit de intimiderende aard van de briefjes en het feit dat de verdachte doorging na het stopgesprek, leidt de rechtbank af dat de verdachte ook het oogmerk had om de aangeefster vrees aan te jagen.

De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde belaging van [slachtoffer 6] .

3.3.6

Nadere bewijsoverweging feit 7 (belaging [slachtoffer 7] )

De raadsman heeft aangevoerd dat er geen sprake is van een stelselmatige belaging van aangeefster [slachtoffer 7] in de tenlastegelegde periode. Er zijn lange periodes geweest waarin zij geen hinder had van de verdachte. Daarnaast had de verdachte geen oogmerk om haar te stalken. De aangeefster heeft verklaard dat de verdachte het had over dingen waar zij niets mee te maken had en waarvan zij niet eens wist wat het was. De verdachte zat in die periode in een psychose en weet ook niet wat hij met de briefjes bedoelde. Nu het voor belaging vereiste oogmerk niet kan worden aangenomen, moet de verdachte van dit feit worden vrijgesproken.

De rechtbank verwijst ten aanzien van het juridisch kader voor belaging naar de hiervoor onder 3.3.5 opgenomen overweging bij feit 6.

De rechtbank stelt op grond van de tot het bewijs gebruikte bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast. De aangeefster heeft op 17 juni 2025 en op 26 juni 2025 aangifte gedaan van stalking door de verdachte. Op 1 februari 2023 heeft zij een briefje in haar brievenbus gevonden met de tekst: "Next time we come we kill snakes, greets from volje", met daarbij een plastic slang. Begin april 2023 stond de verdachte bij aangeefster aan de deur. Een paar weken later is de verdachte op het werk van de vader van aangeefster langsgegaan en heeft daar briefjes afgegeven. In april en mei 2023 kwam de verdachte bijna dagelijks aan haar deur en sprak dan onder meer over een schuld die aangeefster bij hem zou hebben. Hij kwam met briefjes met vreemde en soms ook bedreigende teksten, zoals dat hij haar graag met een boerka wilde zien en zij voor hem als hoer zou moeten werken. Van juni 2023 tot oktober 2024 heeft ze niets van de verdachte gehoord. De verdachte zat in deze periode gedetineerd en is daarna onder verschillende voorwaarden geschorst, waaronder elektronisch toezicht. In oktober 2024 heeft de verdachte de aangeefster aangesproken in haar woonwijk en een week later stond de verdachte aan haar deur. In december 2024 lag er weer een briefje op de deurmat met daarin de mededeling dat hij zijn slang kwam ophalen. Van maart tot 16 april 2025 liep de verdachte weer meerdere keren per dag door de straat en deed hij weer briefjes door de brievenbus. Vanaf 16 mei 2025 heeft zij weer briefjes met allerlei onduidelijke teksten in de brievenbus ontvangen.

Op 10 juni 2025 stond de verdachte voor de deur en zei tegen haar: ‘Je hoort bij ons, jij gaat voor mij werken, ik heb al 80 vrouwen en jij wordt de 81ste, als ik nu in me vingers knip wordt er nu geschoten’. Diezelfde dag ontving ze een briefje met de tekst: ‘Eng, he net, laat staan als ik je martel voor 3 dagen’. De stalking van de aangeefster ging door totdat de verdachte is aangehouden. De aangeefster heeft verklaard dat zij jarenlang in angst heeft geleefd en dat de verdachte agressief en bedreigend was.

De verdachte heeft bekend dat hij in de door de aangeefster genoemde periode briefjes bij aangeefster in de brievenbus heeft gedaan, dat hij soms wel drie keer per dag door de straat liep of fietste en dat hij bij haar aan de deur heeft gestaan.

Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte de aangeefster op obsessieve en indringende wijze heeft belaagd. De aangeefster heeft zich zeer belemmerd gevoeld in haar persoonlijke vrijheid.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer sprake is geweest.

Uit de hiervoor genoemde handelingen van de verdachte volgt dat de verdachte ook bij deze aangeefster het oogmerk had om te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen. Hij heeft de aangeefster feitelijk gedwongen om te dulden dat stelselmatig contact met haar werd gezocht en daarmee inbreuk werd gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. De hiervoor genoemde teksten op de briefjes kunnen niet anders worden opgevat dan bedoeld om de aangeefster bang te maken.

De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde belaging van [slachtoffer 7] .

3.3.7

Nadere bewijsoverweging feit 8 (bedreiging [slachtoffer 8] )

De raadsman heeft aangevoerd dat er geen overtuigend bewijs is voor de tenlastegelegde bedreiging van [slachtoffer 8] op 7 februari 2025 (waarbij de verdachte de eerste twee ten laste gelegde zinnen zou hebben uitgesproken). De verdachte ontkent deze bedreiging. Op de camerabeelden is te zien dat de verdachte een handbeweging maakt, maar er is geen geluid bij de beelden. Er zijn twee personen op de camerabeelden te zien die geen verklaring over de bedreiging hebben afgelegd. Voor de tenlastegelegde bedreiging op 2 april 2025 (waarbij de verdachte de derde ten laste gelegde zin zou hebben uitgesproken) is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De laatste zin in de tenlastelegging: ‘intimiderend in de nabijheid van die [slachtoffer 8] en/of diens werknemers en/of diens partner te verkeren’ is onvoldoende feitelijk en daarom is dit onderdeel van de tenlastelegging nietig. Voor het overige moet de verdachte volgens de raadsman van dit feit worden vrijgesproken.

De rechtbank acht de bedreiging van [slachtoffer 8] op 7 februari 2025 wettig en overtuigend bewezen. Dit baseert de rechtbank op de aangifte van [slachtoffer 8] , de beschrijving van de camerabeelden en de verklaring van de verdachte dat hij de persoon op de camerabeelden is. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van de bedreiging op 2 april 2025, omdat de aangifte van [slachtoffer 8] op dit punt niet wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. De rechtbank spreekt de verdachte ook vrij van het ‘intimiderend in de nabijheid van de aangever, zijn partner en werknemers verkeren’. Deze handeling kan op grond van de bewijsmiddelen wel worden bewezen, maar kan niet worden gekwalificeerd als een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling. Van deze onderdelen van de tenlastelegging wordt de verdachte vrijgesproken.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4, 6, 7 en 8 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

15-141242-23

1.

hij op 9 juni 2023 te Zandvoort, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een mes in zijn hand heeft geslagen nabij het oog en tegen de bovenarm, en tegen het bovenlichaam van die [slachtoffer 1] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 .

hij in de periode van 7 juni 2023 tot en met 9 juni 2023 te Zandvoort, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] , telkens door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 2] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen,

te weten het vertrekken/verhuizen uit zijn woning [woonplaats] door naar de woning van voornoemde [slachtoffer 2] toe te gaan en handgeschreven briefjes in de brievenbus van de woning van die [slachtoffer 2] te stoppen met de volgende teksten:

- ‘ je hebt tot 1 juli om op te kankeren van het vak. Je hebt 80.000 euro gestolen van Turkse mensen word ook gestuurd ga nou anders oorlog!’ en

- ‘ jo pik ben nog flexibel is een paar keer ook wat gestolen op het kamp mensen hebben kleine kinderen. Ze lopen speed te snuiven waar kinderen bij zijn die zien het dus 1 juli eruit! Anders help ik je een handje en doe het nou! Zoek wat anders opkankeren! Plus dat andere verhaal! Kom 1 juli terug ben jij weg anders gaat het helemaal fout!’

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

15-166923-23

3.

hij op 1 mei 2023 te Haarlem voorgedraaide joints die aan Coffeeshop [slachtoffer 3] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen;

15-066474-25

4.

hij op 23 februari 2025 te Zandvoort in het besloten lokaal gelegen aan [adres 2] , bij coffeeshop [slachtoffer 4] , meermalen wederrechtelijk is binnengedrongen, immers was hem, verdachte, met ingang van 6 februari 2025 schriftelijk de toegang tot voornoemde coffeeshop ontzegd voor de duur van één jaar;

15-227470-25

6.

hij in de periode van 26 februari 2025 tot en met 26 juni 2025 te Haarlem, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 6] , door

- meermalen die [slachtoffer 6] briefjes en berichten te sturen en

- meermalen langs de woning van die [slachtoffer 6] te gaan en

- die [slachtoffer 6] indirect, via familieleden te benaderen

met het oogmerk die [slachtoffer 6] te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen;

7.

hij in de periode van 1 februari 2023 tot en met 26 juni 2025 te Haarlem, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 7] , door

- meermalen die [slachtoffer 7] briefjes te sturen en

- meermalen langs de woning van die [slachtoffer 7] te gaan en

- meermalen die [slachtoffer 7] aan te spreken en

- meermalen die [slachtoffer 7] indirect, via familieleden te benaderen

met het oogmerk die [slachtoffer 7] te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen;

8.

hij op 7 februari 2025 te Haarlem [slachtoffer 8] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 8] dreigend de woorden toe te voegen

- ' ik ga je zagen' terwijl hij, verdachte, daarbij een zagende handbeweging maakte en

- ' jij gaat onder de grond', terwijl hij, verdachte, daarbij een handbeweging maakte al wijzend naar de grond.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de zitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Wat aan de verdachte onder 1, 2, 3, 4, 6, 7 en 8 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4
Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
4.1

Beroep op noodweer ten aanzien van feit 1 (poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] )

De raadsman heeft een beroep gedaan op noodweer. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte op zijn scooter naar het woonwagenkamp is gereden om te praten. Toen hij op het woonwagenkamp aankwam, werd hij gelijk door vijf personen met wapens aangevallen en de sleutel van zijn scooter werd uit zijn scooter getrokken. Er was dus direct sprake van een wederrechtelijke aanranding. De verdachte heeft zich eerst verdedigd met zijn vuisten, maar moest wel een stanleymesje pakken om zich adequaat te verdedigen. Hij heeft in de noodweersituatie niet vaker met het mesje gestoken dan dat noodzakelijk was voor zijn verdediging. Nadat hij het mesje kwijtraakte, is hij nog een aantal keer geslagen. Nu sprake is van noodweer, moet de verdachte volgens de raadsman worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank overweegt het volgende. Voor een geslaagd beroep op noodweer is het nodig dat het begaan van het ten laste gelegde was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die de raadsman aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk zijn geworden. De door de raadsman gegeven lezing van de gebeurtenissen vindt zijn weerlegging in de gebruikte bewijsmiddelen waaruit de rechtbank afleidt dat de verdachte de eerste geweldshandelingen heeft verricht door met het stanleymes de confrontatie op te zoeken.

De verdachte heeft verder bekend dat hij in de dagen daarvoor heeft geprobeerd om [slachtoffer 2] te dwingen zijn woonwagen en het woonwagenkamp te verlaten en € 80.000,- te betalen. De verdachte had dit telefonisch aan hem meegedeeld en op 7 en 8 juni 2025 briefjes bij de woonwagen van [slachtoffer 2] in de brievenbus gedaan. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op 9 juni 2025 naar het woonwagenkamp is gegaan, omdat hij werd bedreigd door familieleden van [slachtoffer 2] en daarom ‘verhaal wilde halen’ op het woonwagenkamp. Bij de rechter-commissaris heeft de verdachte verklaard dat hij erheen ging om ‘te praten en ze onder druk te zetten’.

Gelet op deze feiten en omstandigheden kunnen de gedragingen van de verdachte op 9 juni 2025 op geen enkele wijze worden gezien als verdedigend. De verdachte was, tegen de achtergrond van de door hem gepoogde afpersing en dwang, uit op een vijandige en gewelddadige confrontatie met zijn slachtoffers. Zowel zijn bedoeling als de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedragingen, waren in de kern aanvallend, zodat hem geen beroep op noodweer toekomt.

Het noodweerverweer wordt daarom verworpen.

4.2

Kwalificatie van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

poging tot zware mishandeling

feit 2:

poging tot dwang, meermalen gepleegd

feit 3:

diefstal

feit 4:

in het besloten lokaal, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, meermalen gepleegd

feit 6, feit 7 (telkens):

belaging

feit 8:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5
Strafbaarheid van de verdachte
5.1.

Beroep op noodweerexces ten aanzien van feit 1 (poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] )

De raadsman heeft een beroep gedaan op noodweerexces. Het is volgens de raadsman aannemelijk dat de aanval op de verdachte tot een hevige gemoedsbeweging heeft geleid, als gevolg waarvan hij te ver is gegaan in zijn verdediging.

Omdat de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld dat geen sprake was van een noodweersituatie, kan het beroep op noodweerexces reeds daarom niet slagen.

5.2

Beroep op psychische overmacht ten aanzien van feit 2 (poging tot dwang van [slachtoffer 2] )

De raadsman heeft een beroep gedaan op psychische overmacht. De verdachte is door zijn dealer onder druk gezet om zijn schuld in te lossen. De schuld zou worden kwijtgescholden als de verdachte ervoor zou zorgen dat [slachtoffer 2] het woonwagenkamp zou verlaten. De verdachte had geen andere keuze dan te bezwijken onder deze druk, gelet op zijn psychische gesteldheid op dat moment. De verdachte moet daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging voor dit feit.

De rechtbank overweegt het volgende. Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet hoeft te bieden. Daarnaast kan onder omstandigheden het feit dat de verdachte zich heeft gebracht in de situatie waarin die drang op hem is uitgeoefend, in de weg staan aan het slagen van het beroep op psychische overmacht.

De rechtbank is van oordeel dat op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat de verdachte onder zodanige psychische druk heeft gestaan dat redelijkerwijs niet van hem gevergd kon worden dat hij anders zou handelen dan dat hij heeft gedaan. Het kan zijn dat er sprake was van een situatie waarin de verdachte zich onder druk gezet voelde, maar deze omstandigheid hoeft nog niet direct te betekenen dat de enige uitweg was om [slachtoffer 2] te dwingen het woonwagenkamp te verlaten. Het beroep op psychische overmacht kan dan ook niet slagen.

5.3

Beroep op volledige ontoerekeningsvatbaarheid ten aanzien van feit 4 (lokaalvredebreuk coffeeshop [slachtoffer 4] )

De raadsman heeft ten aanzien van de bewezen verklaarde lokaalvredebreuk in coffeeshop [slachtoffer 4] aangevoerd dat dit feit de verdachte niet kan worden toegerekend, omdat hij op dat moment in een psychose verkeerde. De verdachte moet daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging voor dit feit.

De rechtbank is van oordeel dat de raadsman dit verweer niet heeft onderbouwd. Het is dan ook niet aannemelijk geworden dat het feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend vanwege een psychische stoornis. Dit verweer wordt daarom verworpen.

Er is ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6
Voorwaardelijke onderzoekswens ten aanzien van feit 1 en 2

De raadsman heeft verzocht om, als het beroep op noodweer dan wel noodweerexces (feit 1) en het beroep op psychische overmacht (feit 2) niet zouden slagen, de verbalisant te horen die een aanvullend proces-verbaal heeft opgemaakt over het niet-verrichte onderzoek aan de telefoon van de verdachte. Volgens de verdachte staan de appjes met de bedreigingen in zijn telefoon. De telefoon van de verdachte is nooit uitgelezen, terwijl de verbalisanten tegen de verdachte hebben gezegd dat de telefoon zou worden onderzocht. De verbalisanten hebben de verdachte ook naar zijn wachtwoord gevraagd. Gelet op de verklaringen van de getuigen, die de camerabeelden hebben weggemaakt en de manier waarop de getuigenverhoren bij de rechter-commissaris zijn verlopen, is het volgens de raadsman noodzakelijk dat de [verbalisanten] als getuigen worden gehoord.

De rechtbank wijst dit verzoek af. Naar aanleiding van eerdere verzoeken door de raadsman is er door de verbalisanten een aanvullend proces-verbaal opgesteld. In dit proces-verbaal is gerelateerd dat de telefoon van de verdachte niet in beslag is genomen en ook niet is onderzocht. De rechtbank ziet niet in wat een verhoor van de verbalisanten nog voor toegevoegde waarde heeft. Het horen van de verbalisanten is dan ook niet noodzakelijk voor enige in de zaak te nemen beslissing.

7
Motivering van de sancties
7.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 weken, waarvan 15 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, met daarbij de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De officier van justitie heeft verzocht om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om een taakstraf van 240 uur op te leggen, bij niet voldoen te vervangen door 120 dagen hechtenis.

De officier van justitie heeft verder gevorderd om een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr voor de duur van drie jaar op te leggen, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer 2] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] en een locatieverbod voor de [adres 3] , [adres 4] en een cirkel van 50 meter rondom [adres 5] . Bij elke overtreding van deze maatregelen moet de verdachte één week hechtenis ondergaan, met een maximum van zes maanden. Het contact- en locatieverbod moeten dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

De officier van justitie heeft tot slot gevorderd om het al geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.

7.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om rekening te houden met het feit dat de verdachte twee keer zwaar letsel heeft opgelopen ten tijde van het plegen van de feiten. Door het gevecht op het woonwagenkamp had hij een gebroken arm. Ook is hij mishandeld door de broer en vader van [slachtoffer 6] . Verder moet de psychische gesteldheid van de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten worden meegewogen bij het bepalen van de straf.

7.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en door de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich in een periode van twee jaar schuldig gemaakt van zeven strafbare feiten die elk afzonderlijk veel overlast, pijn of angstgevoelens bij de verschillende slachtoffers hebben veroorzaakt.

Van 7 tot 9 juni 2023 heeft de verdachte geprobeerd om aangever [slachtoffer 2] te dwingen uit zijn woning [woonplaats] te vertrekken, door briefjes met dreigende teksten bij hem in de brievenbus te gooien. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij [slachtoffer 2] op deze manier angst heeft aangejaagd.

Op 9 juni 2023 is hij naar het [woonplaats] toegegaan en heeft hij aangever [slachtoffer 1] meerdere keren geslagen terwijl hij een stanleymes in zijn hand had, waardoor [slachtoffer 1] snijwonden aan zijn oog, arm en bovenlichaam heeft opgelopen. Uit het dossier blijkt dat [slachtoffer 1] nog langere tijd problemen met zijn zicht heeft gehad. De ervaring leert verder dat dergelijk geweld psychische en emotionele gevolgen kan hebben voor het slachtoffer.

Daarnaast heeft de verdachte bijna 2,5 jaar lang [slachtoffer 7] gestalkt. De verdachte deed veelvuldig briefjes in haar brievenbus, reed regelmatig langs haar huis en belde bij haar aan. De verdachte vertoonde daarbij intimiderend en agressief gedrag.

Op dezelfde wijze heeft de verdachte ook [slachtoffer 6] drie maanden lang gestalkt. Deze vrouwen hebben veel last gehad van het gedrag van de verdachte. De verdachte heeft een zeer ernstige inbreuk gemaakt op hun persoonlijke levenssfeer en hen angst aangejaagd. Dit neemt de rechtbank de verdachte kwalijk.

In februari 2025 heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan lokaalvredebreuk door meerdere keren een coffeeshop in Zandvoort binnen te gaan terwijl hij een winkelverbod had. In dezelfde maand heeft de verdachte een medewerker van een coffeeshop in Haarlem, [slachtoffer 8] , met de dood bedreigd, waardoor hij deze medewerker veel angst heeft aangejaagd.

Op 1 mei 2023, tenslotte, heeft de verdachte twee joints gestolen uit een coffeeshop. Diefstal is een overlastgevend feit, dat doorgaans veel overlast en financiële schade geeft voor de betrokkene.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon van de verdachte gelet op het strafblad van de verdachte van 13 mei 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder wegens met name vermogensfeiten is veroordeeld.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de over de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapporten van 24 september 2025 en 15 juni 2026. Uit het rapport van 24 september 2025 volgt dat de verdachte kampt met psychische problematiek en verslavingsproblematiek. De verdachte is inmiddels enkele jaren ingesteld op medicatie in de vorm van een antipsychoticum, maar is niet medicatietrouw. De verdachte heeft het gebruik van de medicatie meermaals gestaakt om vervolgens over te gaan tot het gebruik van cannabis. Deze factoren liggen ten grondslag aan psychotische belevingen bij de verdachte. Als hiervan sprake is, gaat de verdachte over tot grensoverschrijdend, overlastgevend gedrag.

De reclassering concludeert in het rapport van 15 juni 2026 dat de verdachte sinds zijn schorsing van de voorlopige hechtenis op 24 september 2025 positieve stappen heeft gezet. Hij werkt mee aan een maandelijkse depotmedicatie om de psychotische episodes te laten afnemen en houdt zich aan het contact- en locatieverbod. De reclassering heeft geadviseerd om een gedeeltelijk voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling en het meewerken aan middelencontrole.

Straf

De aard en ernst van de gepleegde feiten en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers en de maatschappij rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank zonder meer de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste straf passend is. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf aan de verdachte opleggen van 30 weken, waarvan 15 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar met daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Dit betekent dat de verdachte niet meer terug hoeft naar de gevangenis. De bijzondere voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar. Immers, op grond van de inhoud van de reclasseringsrapportages moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Daarnaast zal de rechtbank een taakstraf van 240 uur opleggen.

Vrijheidsbeperkende maatregel

De rechtbank legt aan de verdachte vrijheidsbeperkende maatregel op (38v Sr), inhoudende een contactverbod met [slachtoffer 2] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] en een locatieverbod voor de [adres 3] , [adres 4] en [adres 5] , voor zover het betreft het deel gelegen tussen de [straatnamen] . De maatregel wordt voor de duur van drie jaar opgelegd. Daarbij zal de rechtbank bevelen dat iedere keer dat de verdachte één van deze verboden overtreedt vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van zeven dagen, met een maximum van zes maanden.

Gelet op de bewezenverklaarde feiten en het recidiverisico houdt de rechtbank er ernstig rekening mee dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit kan plegen of zich belastend kan gaan gedragen. Om die reden beveelt de rechtbank op grond van artikel 38v, vierde lid, Sr dat de maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn.

Voorlopige hechtenis

De rechtbank zal het al geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

8
Vorderingen benadeelde partijen

De benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] hebben een vordering tot schadevergoeding ingediend. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen gedeeltelijk moeten worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vorderingen moeten worden afgewezen.

8.1

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1)

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 34.140,-, ingediend wegens schade die hij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit zou hebben geleden. De schade bestaat uit € 140,- aan materiële en € 34.000,- aan immateriële schade.

Materiële schade

De gestelde materiële schade bestaat uit € 90,- voor een korte broek en € 50,- voor een

T-shirt. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.

Immateriële schade

De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij is gebaseerd op artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW). De vergoeding van immateriële schade op grond van dit artikel is ?mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer of goede naam of 'op andere wijze' in zijn persoon is aangetast.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit.

De immateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt.

Bij letselschade moet daarbij worden gedacht aan de aard en de ernst (waaronder de duur en de intensiteit) van het letsel, de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Verder wordt bij de begroting, zoveel als mogelijk, gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Naast de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, heeft de rechtbank bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen.

De rechtbank zoekt ten aanzien van het letsel aan de arm aansluiting bij categorie 13b met bandbreedte € 725,- tot € 2.175,- en ten aanzien van het letsel aan het oog categorie 9.2 onder b met bandbreedte € 1.000,- tot € 2.500,-. De rechtbank gaat uit van deze categorieën omdat de vordering summier is onderbouwd. Zo is onduidelijk hoe de littekens er nu uitzien en is niet bekend of het zicht van de benadeelde partij zich al dan niet heeft hersteld. De rechtbank heeft verder gekeken naar de ‘Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van artikel 6:106 BW’ van de Rechtspraak.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 3.000,- billijk is. De rechtbank wijst dit de vordering tot immateriële schade daarom tot dat bedrag toe.

De rechtbank bepaalt dat het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

8.2

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 2)

Mr. D. Klock heeft namens de benadeelde partij [slachtoffer 2] een vordering tot schadevergoeding van € 250,- ingediend wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde gelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank verwijst ten aanzien van het juridisch kader bij immateriële schade naar de hiervoor onder 8.1 opgenomen overweging bij de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

De benadeelde partij heeft de vordering tot immateriële schade gebaseerd op artikel 6:106, aanhef en onder b, BW, te weten een aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’.

Van een aantasting in de persoon 'op andere wijze' is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven zijn of kunnen worden vastgesteld.

De rechtbank kan niet vaststellen dat de benadeelde partij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank kan evenmin vaststellen dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat de benadeelde partij door het strafbare feit op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De benadeelde partij heeft geen stukken overgelegd op basis waarvan de persoonsaantasting kan worden vastgesteld. Het enkele gevoel van onbehagen is daarvoor onvoldoende. De ernst en aard van de normschending van het bewezenverklaarde feit zijn niet zodanig dat een aantasting in de persoon ook zonder onderbouwing voor de hand ligt.

De rechtbank verklaart de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

8.3

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 6] (feit 6)

Mr. M. de Klerk heeft namens de benadeelde partij [slachtoffer 6] een vordering tot schadevergoeding van € 2.000,- ingediend wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 6 bewezen verklaarde gelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank verwijst ten aanzien van het juridisch kader bij immateriële schade naar de hiervoor onder 8.1 opgenomen overweging bij de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

Van aantasting in de persoon 'op andere wijze' is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven zijn of kunnen worden vastgesteld.

Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De verdachte heeft met zijn gedrag een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van de benadeelde partij. Uit de slachtofferverklaring van de benadeelde partij en de onderbouwing van de vordering op de zitting volgt dat de benadeelde partij maandenlang erg bang is geweest voor de verdachte. Zij voelde zich niet meer veilig in haar eigen huis, wat grote gevolgen heeft gehad op haar persoonlijke vrijheid.

De immateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt.

Verder wordt bij de begroting, zoveel als mogelijk, gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Naast de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, heeft de rechtbank bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen.

De rechtbank zoekt ten aanzien van de belaging aansluiting bij categorie 17b (ernstige belaging) met bandbreedte € 2.000-,- tot € 5.000,-.

De rechtbank heeft verder gekeken naar de ‘Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van artikel 6:106 BW’ van de Rechtspraak.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde vergoeding van

€ 2.000,- billijk is. De rechtbank wijst de vordering tot immateriële schade daarom toe.

8.4

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 7] (feit 7)

Mr. J. Mekkes heeft namens de benadeelde partij [slachtoffer 7] een vordering tot schadevergoeding van € 17.000,- ingediend wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 7 bewezen verklaarde gelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank verwijst ten aanzien van het juridisch kader bij immateriële schade naar de hiervoor onder 8.1 opgenomen overweging bij de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

Van aantasting in de persoon 'op andere wijze' is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven zijn of kunnen worden vastgesteld.

Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De verdachte heeft met zijn gedrag een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van de benadeelde partij. Uit de slachtofferverklaring van de benadeelde partij en de onderbouwing van de vordering op de zitting volgt dat de benadeelde partij 2,5 jaar lang door de verdachte is gestalkt. Zij is erg bang is geweest voor de verdachte en voelde zich niet meer veilig in haar eigen huis. De benadeelde partij heeft aanhoudende angstklachten en slaapproblemen.

De immateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt.

Verder wordt bij de begroting, zoveel als mogelijk, gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Naast de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, heeft de rechtbank bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen.

De rechtbank zoekt ten aanzien van de belaging aansluiting bij categorie 17a (meest ernstige belaging) met bandbreedte € 5.000,- tot € 8.000,-.

De rechtbank heeft verder gekeken naar de ‘Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van artikel 6:106 BW’ van de Rechtspraak.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van

€ 5.000,- billijk is. De rechtbank wijst dit de vordering tot immateriële schade daarom tot dat bedrag toe.

De rechtbank bepaalt dat het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

8.5

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 8] (feit 8)

Mr. M. Veldman heeft namens de benadeelde partij [slachtoffer 8] een vordering tot schadevergoeding van € 9.630,- ingediend wegens schade die hij als gevolg van het onder 8 bewezen verklaarde gelegde feit zou hebben geleden. De schade bestaat uit € 6.000,- aan immateriële schade en € 3.630,- aan proceskosten.

De rechtbank verwijst ten aanzien van het juridisch kader bij immateriële schade naar de hiervoor onder 8.1 opgenomen overweging bij de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

De benadeelde partij heeft de vordering tot immateriële schade gebaseerd op artikel 6:106 sub b BW, te weten aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’.

Van aantasting in de persoon 'op andere wijze' is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven zijn of kunnen worden vastgesteld.

De rechtbank kan niet vaststellen dat de benadeelde partij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank kan evenmin vaststellen dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat de benadeelde partij door het strafbare feit op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De benadeelde partij heeft geen stukken overgelegd op basis waarvan de persoonsaantasting kan worden vastgesteld. Het enkele gevoel van onbehagen is daarvoor onvoldoende. De ernst en aard van de normschending van het bewezenverklaarde feit zijn niet zodanig dat een aantasting in de persoon ook zonder onderbouwing voor de hand ligt.

Nu de benadeelde partij ongelijk krijgt, hoeft de verdachte de gestelde proceskosten niet te vergoeden. De rechtbank verklaart de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

8.6

Wettelijke rente

De toegewezen schadevergoedingen dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente daarover. Bij de schadevergoeding aan benadeelde partij [slachtoffer 1] is de ingangsdatum van de wettelijke rente de pleegdatum van het feit (9 juni 2023). Bij de schadevergoeding aan de benadeelde partijen [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] is de ingangsdatum van de wettelijke rente halverwege de pleegperiode (respectievelijk 7 april 2025 en 1 april 2024).

8.7

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1, 6 en 7 bewezen verklaarde handelen aanleiding ter zake van de vorderingen van de benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

9
Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 38v, 38w, 45, 57, 63, 138, 284, 285, 285b, 302 en 310 Sr.

Beslissing

10
Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 5 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4, 6, 7 en 8 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 1, 2, 3, 4, 6, 7 en 8 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 WEKEN.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 15 WEKEN niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaar.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

de veroordeelde zich gedurende de proeftijd van twee jaar meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;

de veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door het Ambulant Centrum van Fivoor (ACF) of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;

de veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controle van het gebruik van drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 240 uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 dagen hechtenis.

Legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van drie jaar zich niet zal ophouden in de navolgende gebieden:

[adres 3] ;

[adres 4] ;

[adres 5] , voor zover het betreft het deel gelegen tussen de [straatnamen] .

Legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van drie jaar op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 2] ( [geboortedatum 2] ), [slachtoffer 6] ( [geboortedatum 3] ), [slachtoffer 7] ( [geboortedatum 4] ) en [slachtoffer 8] ( [geboortedatum 5] ).

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan één van de maatregelen wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt zeven dagen voor iedere keer dat niet aan één van de maatregelen wordt voldaan, met een maximum van zes maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregelen, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade tot een bedrag van € 3.140,- bestaande uit € 140,- als vergoeding voor de materiële en € 3.000,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 1] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.140,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 31 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 6] geleden schade tot een bedrag van € 2.000,-, als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 6] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 6] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 7] geleden schade tot een bedrag van € 5.000,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 7] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 7] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 50 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. H. Bakker, voorzitter,

mr. A. Buiskool en mr. E.L. Hoogstraate, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.L. de Vries,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 juli 2026.

Bijlage I

De tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

15-141242-23

1.

hij op of omstreeks 9 juni 2023 te Zandvoort, in elk geval in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in/nabij het oog, althans in het gezicht en/of in de bovenarm en/of in het (boven)lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of gesneden en/of met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in zijn, verdachtes hand, heeft geslagen tegen/nabij het oog, althans het gezicht en/of tegen de bovenarm en/of tegen het (boven)lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 .

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 juni 2023 tot en met 9 juni 2023 te Zandvoort, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een ander en/of anderen, te weten [slachtoffer 2] , (telkens)

door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander en/of derden, wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden,

te weten het vertrekken/verhuizen uit zijn woning [woonplaats] door naar de woning van voornoemde [slachtoffer 2] toe te gaan en/of handgeschreven briefjes in de brievenbus van de woning van die [slachtoffer 2] te stoppen met de volgende teksten:

- ‘ je hebt tot 1 juli om op te kankeren van het vak. Je hebt 80.000 euro gestolen van Turkse mensen word ook gestuurd ga nou anders oorlog! En/of

- jo pik ben nog flexibel is een paar keer ook wat gestolen op het kamp mensen hebben kleine kinderen. Ze lopen speed te snuiven waar kinderen bij zijn die zien het dus 1 juli eruit! Anders help ik je een handje en doe het nou! Zoek wat anders opkankeren! Plus dat andere verhaal! Kom 1 juli terug ben jij weg anders gaat het helemaal fout!

Terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

15-166923-23

3.

hij op of omstreeks 1 mei 2023 te Haarlem (voorgedraaide) joint(s) en/of wiet, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Coffeeshop [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

15-066474-25

4.

hij op of omstreeks 23 februari 2025 te Zandvoort in het besloten lokaal gelegen aan [adres 2] , bij coffeeshop [slachtoffer 4] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik meermalen wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 6 februari 2025 schriftelijk de toegang tot voornoemde coffeeshop ontzegd voor de duur van één jaar;

5.

hij op of omstreeks 23 februari 2025 te Zandvoort, in elk geval in Nederland [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 5] dreigend de woorden toe te voegen

- ' je laatste dagen zijn geteld' en/of

- ' je komt aan de beurt' en/of

- ' ik kom binnenkort terug met een bom en dan blaas ik hier alles op' althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

15-227470-25

6.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 februari 2025 tot en met 26 juni 2025 te Haarlem, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 6] , door

- meermalen die [slachtoffer 6] briefjes en/of app-berichten en/of SMS-berichten te sturen en/of

- meermalen langs de woning van die [slachtoffer 6] te gaan en/of

- die [slachtoffer 6] indirect, via familieleden te benaderen

met het oogmerk die [slachtoffer 6] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

7.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2023 tot en met 26 juni 2025 te Haarlem, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 7] , door

- meermalen die [slachtoffer 7] briefjes te sturen en/of

- meermalen langs de woning van die [slachtoffer 7] te gaan en/of

- meermalen die [slachtoffer 7] aan te spreken en/of

- meermalen die [slachtoffer 7] indirect, via familieleden en haar (ex-) werkgever te benaderen

met het oogmerk die [slachtoffer 7] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

8.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 februari 2025 tot en met 26 juni 2025 te Haarlem [slachtoffer 8] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 8] (telkens) dreigend de woorden toe te voegen

- ' ik ga je zagen' terwijl hij, verdachte, daarbij een zagende handebweging maakte en/of

- ' jij gaat onder de grond', terwijl hij, verdachte, daarbij een handbeweging maakte al wijzend naar de grond en/of

- ' als je nog één keer naar de politie gaat steek ik je neer'

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- intimiderend in de nabijheid van die [slachtoffer 8] en/of diens werknemers en/of diens partner te verkeren.