Rechtbank Noord-Holland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBNHO:2026:9121

Op 21 July 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 15/169160-23, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNHO:2026:9121. De plaats van zitting was Alkmaar.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
15/169160-23
Datum uitspraak:
21 July 2026
Datum publicatie:
21 July 2026

Indicatie

Verkort strafvonnis. De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan bankhelpdeskfraude en daaropvolgend diefstallen met een valse sleutel door te pinnen bij geldautomaten en winkels met de afhandig gemaakte bankpassen met pincodes. De verdachte en zijn mededaders hebben op georganiseerde wijze misbruik gemaakt van het door hen gewekte vertrouwen van de bewust uitgekozen veelal oudere slachtoffers. Gevangenisstraf van 360 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar gelet op de hoogte van een nadien opgelegde straf en de overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast een taakstraf van 200 uren. Beslissingen op beslag en op vorderingen benadeelde partijen

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/169160-23

Uitspraakdatum: 21 juli 2026

Tegenspraak

verkort strafvonnis (art. 138b van het Wetboek van Strafvordering)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 7 en 8 juli 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

nu gedetineerd in P.I. Almelo en aldaar ingeschreven, op het adres:

[adres 1].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.G.T. Kramer en van wat de verdachte en zijn raadsman mr. H.L. Heemskerk, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht.

1
Tenlastelegging

De verdachte wordt beschuldigd van bankhelpdeskfraude. Samen met anderen zou hij door oplichting bankpassen hebben verkregen van de aangevers (feit 1). Met die bankpassen is contant geld opgenomen en zijn aankopen gedaan (feit 2).

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1 hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 mei 2023 tot en met 10 juli 2023 te Hengelo en/of Nijmegen en/of Hoorn en/of Enkhuizen en/of Medemblik, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 1] [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] en/of [benadeelde 7] en/of [benadeelde 8] en/of [benadeelde 9] en/of [benadeelde 10] en/of [benadeelde 11] en/of [benadeelde 12] en/of [benadeelde 13] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een of meerdere bankpassen en/of pincodes en/of (gouden en/of zilveren) sieraden en/of € 14.100,00, althans(een) geldbedrag(en) van bovengenoemde slachtoffers, door- zich (voorstellende als [naam]) voor te doen als bankmedewerker/medewerker van de fraudehelpdesk en/of- aan te geven dat er fraudeleuze handelingen zijn gepleegd op de bankrekening en/of dat iemand heeft geprobeerd om een geldbedrag van haar/hun rekening(en) af te halen/schrijven en/of- aan te geven dat voornoemde slachtoffer(s) een of meer geldbedragen naar een andere rekening moesten overmaken en/of- aan voornoemde slachtoffer(s) mede te delen dat deze hun betaalpas(sen) in een enveloppe moesten stoppen en/of een code (te weten 419)op de enveloppe moesten schrijven en/of- te zeggen dat er een bankmedewerkster langs zou komen om voornoemde slachtoffer(s) te helpen en/of hun pinpas(sen) op te halen en/of- aan voornoemde slachtoffer(s) een code te verstrekken waarmee de langskomende bankmedewerkster zich zou melden en/of- met de verkregen betaalpas(sen) en/of pincode van voornoemde slachtoffer(s) de woning van die slachtoffer(s) te verlaten om met de verkregen betaalpas(sen) en/of pincode bij een pinautomaat geld te pinnen en/of goederen te kopen en/of- voornoemde slachtoffer(s) om sieraden en/of contant geld te vragen om te verzekeren;

Feit 2 hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 mei 2023 tot en met 7 juli 2023 te Hengelo en/of Nijmegen en/of Hoorn en/of Enkhuizen en/of Medemblik, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) een of meerdere geldbedragen van (in totaal) € 30.673,00, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] en/of [benadeelde 7] en/of [benadeelde 8] en/of [benadeelde 9] en/of [benadeelde 10] en/of [benadeelde 11] en/of [benadeelde 12], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van door middel van een valse sleutel, te weten door met de betaalpas(sen) van voornoemde slachtoffers onbevoegd geldbedragen over te maken naar andere bankrekeningen en/of op te nemen bij geldautomaten en/of goederen te kopen bij A-Mac en/of goederen bij een of meer winkels te kopen door (telkens) deze betaalpas(sen) en/of vervolgens de pincode(s), welke een unieke combinatie met het nummer op voornoemde bankpas vorm(en), in te toetsen waarna de aldus gedane betaling(en) telkens ten laste van voornoemde slachtoffer(s) zijn gekomen.

2
Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier

van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

Overwegingen

3
Beoordeling van het bewijs
3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat de verdachte moet worden vrijgesproken voor zover deze feiten zien op aangeefster [benadeelde 1].

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten, voor zover deze feiten zien op aangevers [benadeelde 1] en [benadeelde 2]. Ten aanzien van de overige aangevers heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Op de verweren van de raadsman zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Inleiding

Deze zaak gaat over meerdere gevallen van een specifieke vorm van oplichting die ook wel wordt aangeduid met de term ‘bankhelpdeskfraude’. Uit de aangiften in het dossier komt in grote lijnen telkens dezelfde werkwijze naar voren, die zich in het kort als volgt laat omschrijven. De slachtoffers, meestal van gevorderde leeftijd, werden gebeld door een persoon die zich voordeed als een medewerker van de bank of van de fraudehelpdesk. De zogenaamde medewerker (die zich in veel gevallen van de naam ‘[naam]’ bediende) vertelde het slachtoffer dat er fraudeleuze handelingen waren gepleegd met de bankrekening van het slachtoffer. De medewerker gaf te kennen dat er iemand van de bank bij het slachtoffer langs zou komen om de pinpas op te halen. Deze persoon zou de aangever een code vertellen. Vervolgens verscheen er een persoon bij de woning van het slachtoffer die zei van de bank te zijn en inderdaad deze code wist te vertellen. Het slachtoffer werd zo bewogen pinpas(sen) en de bijbehorende pincode(s) af te geven en in een aantal gevallen een bedrag aan contant geld en sieraden. Kort hierna werden met de afgegeven pinpassen in veel gevallen geldbedragen opgenomen en/of aankopen gedaan, bij onder meer Coolblue, de Amac en de Mediamarkt.

3.3.2

Vrijspraak feiten 1 en 2 ten aanzien van [benadeelde 1]

Overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan voor zover deze feiten zien op aangeefster [benadeelde 1], zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

3.3.3

Vrijspraak feit 2 ten aanzien van [benadeelde 4]

Naar het oordeel van de rechtbank kan het onder 2 ten laste gelegde feit, voor zover die ziet op aangeefster [benadeelde 4], niet worden bewezenverklaard. Vastgesteld kan worden dat de bankpas van de aangeefster haar op slinkse wijze afhandig is gemaakt, maar zij maakt er geen melding van dat er met de bankpas aankopen zijn gedaan of geld is opgenomen. Het dossier bevat wel aanwijzingen dat op de betreffende dag een aankoop bij de Mediamarkt heeft plaatsgevonden en dat een telefoon in gebruik bij de verdachte rond dat tijdstip in de buurt van de Mediamarkt was. Ook bevindt zich in het dossier een vordering van de Rabobank die verband houdt met een op 4 juli 2023 door de bank uitgekeerd geldgedrag in een fraudedossier van de aangeefster. Uit deze stukken kan echter niet worden afgeleid op welke transacties zij betrekking hebben, met welk betaalmiddel die transacties zijn verricht en evenmin dat daarbij de door oplichting afhandig gemaakte bankpas is gebruikt. Dit is onvoldoende om buiten redelijke twijfel vast te stellen dat de verdachte of een medeverdachte met die bankpas heeft gepind dan wel anderszins met die pas een geldbedrag heeft weggenomen. De rechtbank zal de verdachte daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

3.3.4

Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten voor zover die zien op de overige aangevers en wat betreft aangever [benadeelde 4] voor feit 1 en grondt de beslissing dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en

omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn opgenomen.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun

inhoud betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen.

3.3.5

Bewijsoverweging feiten 1 en 2 ten aanzien van [benadeelde 2]

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om vast te kunnen stellen dat de verdachte betrokken is geweest bij de oplichting dan wel diefstal middels een babbeltruc van aangever [benadeelde 2]. De werkwijze bij de oplichting van [benadeelde 2] verschilt van de andere oplichtingen omdat de persoon die de pinpas kwam ophalen volgens [benadeelde 2] een vrouw betrof, terwijl in de andere aangiftes telkens wordt gesproken over een man. De verdachte ontkent dat hij samen met een vrouw een persoon heeft opgelicht. Dat de iPhone 7 die de verdachte gebruikte is te linken aan deze aangifte maakt niet dat hij hierbij betrokken was nu de verdachte heeft verklaard dat die telefoon in de periode van de oplichting van [benadeelde 2] ook door anderen werd gebruikt.

De rechtbank volgt de raadsman niet in dit verweer en overweegt als volgt. Uit de aangifte van [benadeelde 2] volgt dat hij op 14 juni 2023 slachtoffer is geworden van oplichting en dat er is gepind met de door oplichting verkregen pinpas. [benadeelde 2] werd die dag gebeld door het telefoonnummer [telefoonnummer]. Het telefoonnummer [telefoonnummer] werd gedurende de oplichting gebruikt in een telefoon met IMEI-nummer [Imeinummer] (de iPhone 7). Uit onderzoek naar de historische gegevens van dit telefoonnummer blijkt dat dit nummer van 13 juni 2023 tot en met 2 juli 2023 in de avonduren en de nachtelijke uren verbinding maakt met de zendmast [adres 2] te Rotterdam. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dit zijn verblijfplaats was in die periode. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de telefoon in die periode door een ander is gebruikt. Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de iPhone 7 gedurende die periode, en dus ook gedurende de oplichting en diefstal van geldbedragen van [benadeelde 2], in gebruik was bij de verdachte. De rechtbank acht daarmee bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting en diefstal door middel van een valse sleutel in de zaak van [benadeelde 2].

3.3.6

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1 hij in de periode van 27 mei 2023 tot en met 10 juli 2023 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en [benadeelde 4] en [benadeelde 5] en [benadeelde 6] en [benadeelde 7] en [benadeelde 8] en [benadeelde 9] en [benadeelde 10] en [benadeelde 11] en [benadeelde 12] en [benadeelde 13] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het ter beschikking stellen van gegevens, te weten een of meerdere bankpassen en/of pincodes en/of sieraden en/of geldbedragen van bovengenoemde slachtoffers, door- zich voor te doen als bankmedewerker/medewerker van de fraudehelpdesk en/of- aan te geven dat er fraudeleuze handelingen zijn gepleegd op de bankrekening en/of dat iemand heeft geprobeerd om een geldbedrag van haar/hun rekening(en) af te halen en/of- aan te geven dat voornoemde slachtoffer(s) een of meer geldbedragen naar een andere rekening moesten overmaken en/of- aan voornoemde slachtoffers mede te delen dat deze hun betaalpas(sen) in een enveloppe moesten stoppen en/of een code op de enveloppe moesten schrijven en/of- te zeggen dat er een bankmedewerkster langs zou komen om voornoemde slachtoffers te helpen en/of hun pinpas(sen) op te halen en/of- aan voornoemde slachtoffers een code te verstrekken waarmee de langskomende bankmedewerker zich zou melden en/of- met de verkregen betaalpas(sen) en/of pincode van voornoemde slachtoffers bij een pinautomaat geld te pinnen en/of goederen te kopen en/of- voornoemde slachtoffers om sieraden en/of contant geld te vragen om te verzekeren;

Feit 2 hij in de periode van 27 mei 2023 tot en met 7 juli 2023 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen geldbedragen die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] en [benadeelde 3] of en [benadeelde 5] en of [benadeelde 6] en [benadeelde 7] en [benadeelde 8] en [benadeelde 9] en [benadeelde 10] en [benadeelde 11] en [benadeelde 12] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) die weg te nemen geldbedragen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door met de betaalpas(sen) van voornoemde slachtoffers onbevoegd geldbedragen op te nemen bij geldautomaten en/of goederen te kopen bij A-Mac en/of goederen bij een of meer winkels te kopen door deze betaalpas(sen) en vervolgens de pincode(s) in te toetsen waarna de aldus gedane betalingen telkens ten laste van voornoemde slachtoffers zijn gekomen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4
Kwalificatie en strafbaarheid de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

feit 2:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5
Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6
Motivering van de sanctie
6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij een bewezenverklaring, meer dan de officier van justitie, acht te slaan op de samenloopbepalingen die op grond van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing zijn en de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in deze zaak. Gelet hierop heeft de raadsman verzocht af te zien van oplegging van een gevangenisstraf die de duur van de in voorarrest doorgebrachte tijd overstijgt.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan bankhelpdeskfraude. De verdachte en zijn mededaders hebben zich in telefoongesprekken die volgens een vast script verliepen voorgedaan als een bankmedewerker. Zij hebben de veelal oudere slachtoffers bang gemaakt met de mededeling dat hun bankrekeningen het doelwit waren van fraudeurs, om vervolgens hulp aan te bieden door iemand langs te sturen om hun pinpassen op te halen en eventueel aanwezig contant geld en waardevolle sieraden in veiligheid te brengen. Als gevolg van dit geraffineerde en listige verhaal hebben de slachtoffers in goed vertrouwen hun pinpassen en bijbehorende pincodes afgegeven en dierbare sieraden en contant geld meegegeven. Met de aldus verkregen pinpassen en pincodes zijn vervolgens geldbedragen van de bankrekeningen van de slachtoffers opgenomen en zijn dure aankopen gedaan. De daders hadden hierbij maar één doel voor ogen: zoveel mogelijk geld buitmaken.

De verdachte en zijn mededaders hebben op georganiseerde wijze misbruik gemaakt van het door hen gewekte vertrouwen van de bewust uitgekozen veelal oudere slachtoffers. Daarmee hebben zij niet alleen financiële schade veroorzaakt, maar ook gevoelens van angst en onzekerheid teweeggebracht. Door hun handelen hebben zij bovendien het vertrouwen geschaad dat burgers moeten kunnen stellen in banken en bankmedewerkers. De verdachte heeft geen oog gehad voor de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers.

Persoon van de verdachte

Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van 26 mei 2026 van de verdachte blijkt dat de verdachte ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten nog niet eerder voor vermogensdelicten onherroepelijk was veroordeeld. Wel is hij hierna, bij vonnis van 26 januari 2024, door de rechtbank Rotterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren voor onder meer soortgelijke vermogensdelicten.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 30 juni 2026. Daaruit volgt, kort samengevat, dat er een gemiddeld risico op recidive is. De verdachte zit momenteel een gevangenisstraf uit die hem in voornoemde zaak is opgelegd. De verdachte heeft bij de reclassering verteld dat onderhavige feiten samenhangen met die zaak. Volgens de reclassering past dit in het delictpatroon en delictgedrag destijds. Thans lijkt hij een andere houding aan te nemen. Kijkend naar zijn lange detentie en de pro criminele houding voor zijn detentieperiode, die verweven was in meerdere leefgebieden van de verdachte, maakt dat door de reclassering een langere periode van begeleiding wenselijk wordt geacht. Die begeleiding zal zijn gericht op re-integreren en nazorg in algemene zin, wat direct invloed heeft op het verlagen van de kans op recidive. Het toekennen van een (deels) voorwaardelijke straf maakt dat er na de periode van voorlopige invrijheidsstelling begeleiding kan worden voortgezet. Indien de rechtbank een (deels) voorwaardelijke straf oplegt, adviseert de reclassering aan het voorwaardelijk deel bijzondere voorwaarden te verbinden.

Op de terechtzitting heeft de rechtbank geconstateerd dat de verdachte verantwoordelijkheid neemt voor hetgeen hij heeft gedaan en meer inzicht lijkt te hebben in de effecten van zijn handelen op de slachtoffers.

Redelijke termijn

Bij het opleggen van de straf moet de rechtbank ook beoordelen of de zaak van de verdachte binnen een redelijke termijn wordt afgedaan. In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen op 10 juli 2023. Op die dag is de verdachte in verzekering gesteld en kon hij de redelijke verwachting hebben dat tegen hem een strafvervolging zou worden ingesteld. Als uitgangspunt geldt dat de rechtbank binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn een beslissing in de zaak van de verdachte moet nemen. De rechtbank doet uitspraak op 21 juli 2026. Dit betekent dat de redelijke termijn met 12 maanden is overschreden. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. De rechtbank zal als gevolg hiervan een lagere (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf aan de verdachte opleggen.

Op te leggen straf

De ernst van de feiten rechtvaardigt in beginsel een flinke onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft voor de duur daarvan aansluiting gezocht bij straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Vanwege de hoogte van de in 2024 opgelegde gevangenisstraf, de proceshouding van de verdachte en de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf met een groot voorwaardelijk deel en een taakstraf passend is.

Alles afwegende vindt de rechtbank dat een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen, met aftrek van het voorarrest moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan, 180 dagen, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaar om de verdachte ervan te weerhouden zich schuldig te maken aan een strafbaar feit. Aan het voorwaardelijk deel zal de rechtbank, met het oog op het terugdringen van het recidiverisico, de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering is geadviseerd, te weten een meldplicht bij de reclassering, het volgen van een ambulante behandeling, ambulante begeleiding, het hebben van een dagbesteding en het meewerken aan schuldhulpverlening.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 200 uren passend en geboden is.

7
Beslag

Onder de verdachte zijn, volgens de beslaglijst van 26 mei 2026 en blijkens de mededeling van de officier van justitie op de zitting, de volgende voorwerpen in beslag genomen en niet

teruggegeven:

1. 125 EUR (omschrijving: PL1100-2023146990-1505227); 2. 1 STK Pet (omschrijving: bruin, merk: gucci).

De rechtbank is van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedrag (item 1) en de pet (item 2) moeten worden teruggegeven aan de verdachte. Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, is de rechtbank van oordeel dat de pet niet kan worden verbeurd verklaard, aangezien niet is gebleken van een relatie tussen de pet en de door de verdachte gepleegde strafbare feiten.

8
Vorderingen benadeelde partijen
8.1

Vordering benadeelde partij [benadeelde 12]

De benadeelde partij [benadeelde 12] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 29.500,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de bewezen verklaarde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De gestelde materiële schade bedraagt € 26.500,- en bestaat uit de waarde van de door haar als gevolg van de oplichting afgegeven sieraden en miniaturen (ad. € 25.000,-), het door haar als gevolg van de oplichting afgegeven contante geldbedrag (ad. € 1.000,-) en het geldbedrag dat met behulp van de door oplichting verkregen bankpas en pincode van haar ING-bankrekening is opgenomen (ad. € 500,-).

De gestelde immateriële schade bedraagt € 3.000,- en wordt gevorderd wegens de psychische gevolgen die de benadeelde partij door het handelen van de verdachte zou hebben opgelopen.

8.1.1

Standpunten van partijen

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot schadevergoeding geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de gevorderde materiële schade primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering voor zover deze ziet op de sieraden en miniaturen, omdat niet objectief kan worden vastgesteld dat deze goederen door de benadeelde partij zijn afgegeven bij de oplichting. Subsidiair heeft hij aangevoerd dat de vordering op dit punt moet worden gematigd tot de waarde van de manchetknopen en gouden munten, omdat daarvoor wel objectieve vaststellingen bestaan dat deze zijn afgegeven bij de oplichting.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsman verzocht de vordering te matigen.

8.1.2

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Ten aanzien van de gestelde materiële schade van de afgegeven sieraden en miniaturen (€ 25.000,-) is de rechtbank van oordeel dat gelet op de betwisting van de hoeveelheid en waarde van de sieraden door de verdediging, het vaststellen van de exacte omvang van de gestelde schade nader onderzoek vergt. Dit vormt een onevenredige belasting van het strafgeding, zodat de benadeelde partij niet in haar vordering zal kunnen worden ontvangen. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor die schade niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan de vordering bij de civiele rechter aanbrengen.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade voor het overige (geldbedragen van € 1.000,- en € 500,-) rechtstreeks voortvloeit uit de bewezen verklaarde feiten. Deze kosten zijn door de benadeelde partij voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist. De vordering zal in zoverre dan ook worden toegewezen.

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is

aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. Van aantasting in de persoon "op andere wijze" is in ieder geval sprake indien de benadeelde

partij geestelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank stelt voorop dat het goed voorstelbaar is dat de benadeelde partij, mede gelet op haar leeftijd, leed heeft ondervonden door de bewezen verklaarde feiten. Voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding moet de benadeelde partij echter (in beginsel) voldoende concrete en objectieve gegevens aanvoeren waaruit de gestelde psychische schade blijkt. De benadeelde partij heeft onvoldoende concrete gegevens verstrekt waaruit kan volgen dat als gevolg van het bewezenverklaarde geestelijk letsel is ontstaan of dat zij op andere wijze in de persoon is aangetast. Ook zijn de gestelde persoonlijke gevolgen onvoldoende geconcretiseerd om, in samenhang met de aard en de ernst van de normschending, een aantasting in de persoon aan te nemen. Hoewel het bewezenverklaarde als ernstig moet worden beschouwd, zijn de aard en ernst van deze normschending niet zodanig dat relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat ze zonder nadere onderbouwing kunnen worden verondersteld. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij behoudt de mogelijkheid om haar vordering voor immateriële schade bij de civiele rechter aan te brengen.

Conclusie

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van € 1.500,- vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.

Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij

heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden

begroot op nihil.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet.

8.2

Vordering benadeelde partij [benadeelde 14]

De benadeelde partij [benadeelde 14] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.500,-

ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij zou hebben geleden als

gevolg van een poging tot oplichting op 10 juli 2023, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

8.2.1

Standpunten van partijen

De officier van justitie en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de

benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering.

8.2.2

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een rechtstreeks verband tussen de

ingediende vordering en de bewezenverklaarde feiten, omdat de gevorderde schade ziet op

een feit dat de verdachte niet wordt verweten. De rechtbank zal daarom bepalen dat de

benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

8.3

Vordering benadeelde partij Rabobank

Namens de benadeelde partij Rabobank heeft [gemachtigde] een vordering tot schadevergoeding van € 17.711,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die de Rabobank als gevolg van de bewezen verklaarde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit de onderzoekskosten (ad. € 840,-) en de schadeloosstelling (ad. € 16.871,-) van de volgende personen:

[benadeelde 2] à € 3.268,-

[benadeelde 15] à € 2.798,-

[benadeelde 5] à € 2.359,-

[benadeelde 10] à € 1.000,-

[benadeelde 16] eo [benadeelde 11] à € 2.200,-

[benadeelde 4] à € 2.298,-

[benadeelde 12] à € 2.200,-

8.3.1

Standpunten van partijen

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot schadevergoeding geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het bedrag van € 2.298,- aan schadeloosstelling aan [benadeelde 4] niet uit haar aangifte volgt, waardoor dit gedeelte van de vordering moet worden afgewezen.

8.3.2

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, voor wat betreft het deel dat ziet op de schadeloosstelling van [benadeelde 4] (€ 2.298,-). Hoewel uit de onderbouwing van de vordering blijkt dat het door de Rabobank gevorderde bedrag bestaat uit een bedrag dat door de bank is vergoed aan [benadeelde 4] is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende vast komen te staan dat deze schade rechtstreeks voortvloeit uit de bewezen verklaarde oplichting. Dit bedrag kan daarom niet worden toegewezen. De vordering zal wel worden toegewezen tot een bedrag van € 15.413,- nu uit het dossier voldoende blijkt dat de door de Rabobank gevorderde bedragen door de bank zijn vergoed aan de overige in de vordering genoemde aangevers en deze schade rechtstreeks voortvloeit uit de bewezen verklaarde feiten.

De vordering zal dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 15.413,- vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.

Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij

heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden

begroot op nihil.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel niet op. De benadeelde partij moet in staat worden geacht zelf de incasso van de toegewezen vordering ter hand te nemen.

9
Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 63, 311 en 326 Sr.

10
Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3.6 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 360 [driehonderdzestig] dagen. Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 180 [honderdtachtig] dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en

zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;

- zich, indien geïndiceerd, gedurende de proeftijd laat behandelen door Transfore of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op delict preventie, psychische problematiek, schuldenproblematiek;

- zich, indien geïndiceerd, gedurende de proeftijd laat begeleiden door een nader te bepalen zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de begeleiding nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van begeleiding;

- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk en/of een opleiding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 200 [tweehonderd] uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 100 [honderd] dagen hechtenis.

Beslag

Gelast de teruggave aan de verdachte van:

1. EUR (omschrijving: PL1100-2023146990-1505227);2. 1 STK Pet (omschrijving: bruin, merk: gucci met voorwerpnummer 1505225).

Vordering benadeelde partij [benadeelde 12]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 1.500,- (vijftienhonderd euro) als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 12], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 12] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.500,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) de medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Vordering benadeelde partij [benadeelde 14]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 14] niet-ontvankelijk in de vordering.

Vordering benadeelde partij Rabobank

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij Rabobank geleden schade tot een bedrag van € 15.413,- (vijftienduizendvierhonderddertien euro) als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan Rabobank, voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. L.M. Nieuwenhuijs, voorzitter,

mr. M.C.J. Lommen en mr. N.M.L. Rogmans, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Maerman,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 juli 2026.