Rechtbank Noord-Nederland, eerste aanleg - enkelvoudig bestuursprocesrecht
ECLI:NL:RBNNE:2026:1001
Op 25 March 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van bestuursprocesrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is LEE 25/4279, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNNE:2026:1001. De plaats van zitting was Groningen.
Indicatie
Beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang. Eiseres is erkend slachtoffer van de kinderopvangtoeslagenaffaire. Eiseres en Dienst Toeslagen hebben tegen finale kwijting een vaststellingsovereenkomst gesloten. Er is overeengekomen een einde te maken aan alle lopende procedures tussen eiseres en de Dienst. Feitelijk ligt daarin besloten dat Dienst Toeslagen niet meer hoefde te beslissen op het bezwaar van eiseres.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit Wagenborgen, eiseres
(gemachtigden: mrs. S. Arakelyan en F. Heinink),
de Dienst Toeslagen
(gemachtigden: mrs. I. Mulder en M. Krari).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat Dienst Toeslagen volgens haar niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 12 december 2024.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 9 maart 2026 op zitting behandeld. De zitting heeft plaatsgevonden via een video-verbinding. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigden en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift tegelijk met een afschrift van deze uitspraak aan partijen wordt gezonden.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk is.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
2. Eiseres is erkend slachtoffer van de kinderopvangtoeslagenaffaire. Nadat namens eiseres op 12 december 2024 een bezwaarschrift is ingediend, heeft eiseres zich aangemeld bij Stichting Gelijkwaardig Herstel (SGH). Op 24 april 2025 is tussen eiseres en SGH een vaststellingsovereenkomst (vso) gesloten. Namens eiseres is vervolgens op 13 juni 2025 een ingebrekestelling verstuurd en is Dienst Toeslagen verzocht om binnen twee weken een besluit te nemen. Toen na het verstrijken van deze termijn een besluit uitbleef, is op 28 oktober 2025 beroep ingesteld.
2.1.
Dienst Toeslagen heeft erop gewezen dat eiseres in april 2025 al een vso had ondertekend, dus ruim voordat zij in oktober 2025 het beroep instelde. In deze vso is expliciet opgenomen dat lopende bezwaarprocedures worden beëindigd en dat geen verdere bezwaar- of beroepsprocedures zullen worden gevoerd.
2.2.
Namens eiseres is gesteld dat de totstandkoming van de vso niet correct verlopen is. Eiseres heeft niet begrepen wat de gevolgen van de ondertekening van de vso waren en haar gemachtigden zijn niet geïnformeerd voordat de vso is gesloten. In de visie van eiseres moet de rechtbank daarom creatief oordelen in deze zaak, zodat er toch inhoudelijk naar het bezwaar van eiseres gekeken kan worden.
3. De rechtbank oordeelt als volgt. Om de inhoud van de vso en de wijze waarop die tot stand gekomen is te kunnen aanvechten kan de vso door eiseres buitengerechtelijk vernietigd worden of kan via de civiele rechter vernietiging aangevraagd worden. Hoe frustrerend het ook is dat ze daarvoor nóg een procedure moet starten, de bestuursrechter kan niet de (geldigheid van de) vso beoordelen. Dat betekent dat de bestuursrechter van de geldigheid van de vso moet uitgaan.
3.1.
Uit de vso blijkt dat partijen hebben afgesproken dat ze na de vso over en weer geen aanspraken meer hebben. Ook is overeengekomen een einde te maken aan alle lopende procedures tussen eiseres en de Dienst. Feitelijk ligt daarin besloten dat Dienst Toeslagen niet meer hoefde te beslissen op het bezwaar van eiseres. Dat betekent dat eiseres geen procesbelang had op het moment van het instellen van het beroep tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank zal het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3.2.
Omdat eiseres het beroep heeft ingesteld nadat partijen de vso hebben gesloten, ziet de rechtbank geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. de Jonge, rechter, in aanwezigheid van O.T. Smit, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.