Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
Welk recht is van toepassing?
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 21 december 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
4. Omdat het college de besluiten van 30 oktober 2024 en 1 juli 2025 heeft ingetrokken en vervangen door het besluit van 14 april 2026, hebben partijen geen belang meer bij een beoordeling van de besluiten van 30 oktober 2024 en 1 juli 2025. Het beroep is dus gericht tegen het bestreden besluit van 14 april 2026.
5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving staat in de bijlage bij deze uitspraak.
De omgevingsvergunning voor het uitbreiden van de school
Bestemmingsplan Parapluplan parkeernormen gemeente [plaats] en aantal parkeerplaatsen
6. Eisers stellen dat het bouwplan niet voldoet aan het bestemmingsplan Parapluplan Parkeernormen gemeente [plaats] omdat niet is voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Zij hebben al lang last van parkeeroverlast in de buurt van de school en vrezen door de uitbreiding van de school voor nog meer parkeerhinder. Het college is bij de parkeerberekening uitgegaan van onjuiste uitgangspunten. Er is in dit geval sprake van een bijzondere situatie waardoor het college had moeten afwijken van de CROW-normen.
6.1.
Het college heeft aangegeven dat, gelet op de door derde-partij aangeleverde parkeerberekening, wordt voldaan aan het vereiste dat in voldoende parkeerplaatsen wordt voorzien voor de uitbreiding van de school. Conform hetgeen hierover is bepaald in artikel 3.4 van de parkeervisie is deze berekening gebaseerd op de geldende CROW-kengetallen. Het college heeft over de gekozen bandbreedte en reductienorm aangegeven dat de gekozen bandbreedte aan de hoogste waarden zit omdat de school bijzonder onderwijs geeft. Leerlingen komen niet alleen uit [plaats] maar uit de hele regio en worden vaak met de auto gebracht. De reductiefactor is gebaseerd op de feitelijke situatie rondom de school en heeft betrekking op de verwachte parkeerduur en de bezettingsgraad. De parkeerduur is bij de onderbouw langer dan bij de bovenbouw. Dat komt doordat ouders en verzorgers van kinderen in de onderbouw vaker met de leerlingen mee gaan het schoolplein op of de klas in terwijl kinderen in de bovenbouw vaker zelfstandiger zijn en de ouders en verzorgers direct vertrekken waardoor ruimte is voor een andere auto. Daarnaast ziet de reductiefactor op het feit dat regelmatig meerdere kinderen in één auto zitten omdat ze tot hetzelfde gezin behoren of omdat er gecarpoold wordt. De berekening houdt ook rekening met de parkeerplaatsen voor het personeel, de Kiss-and-Ride-parkeerplaatsen en de parkeerplaatsen voor het kinderdagverblijf. Volgens de parkeerberekening komt het aantal nieuw te realiseren parkeerplaatsen voor de uitbreiding volgens de berekening uit op 20 parkeerplaatsen. De totale behoefte van de school en de kinderopvang bedraagt 47 parkeerplaatsen, terwijl het plan voorziet in 55 parkeerplaatsen. Gelet daarop is er naar de mening van het college geen sprake van strijdigheid met de parkeernormen.
6.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank licht dat als volgt toe.
6.3.
De rechtbank overweegt dat de nadere berekening van de parkeerbehoefte van 20 februari 2025 is gebaseerd op de CROW kengetallen (publicatie 381, 2019). De kencijfers van het CROW zijn algemeen aanvaarde richtlijnen voor het bepalen van de parkeerbehoefte met verifieerbare uitgangspunten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich wat de benodigde parkeergelegenheid betreft op die kencijfers mogen baseren. Het college heeft helder toegelicht dat en hoe hij dat heeft gedaan en de rechtbank volgt het college daarin. Daarbij is van belang dat ook de integrale parkeervisie het gebruik van deze CROW kengetallen voorschrijft. Wat eisers hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Zoals het college heeft aangegeven zijn piekmomenten in halen en brengen inherent aan een school. Het CROW hanteert daarom specifieke kencijfers voor onderwijs. Het toepassen van een vermeerderingsfactor was daarom niet nodig.
6.4.
In de berekening is de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan berekend. De rechtbank acht de berekening van de parkeerbehoefte (en de daarbij gehanteerde uitgangspunten) voldoende inzichtelijk. Op de aangepaste tekening is zichtbaar gemaakt hoe het aantal benodigde parkeerplekken wordt gerealiseerd. Wat eisers hebben aangevoerd geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de berekening in de notitie van 20 februari 2025. Eisers hebben vanuit hun eigen ervaringen rond de school kanttekeningen en vraagtekens geplaatst bij die parkeerberekening, maar zij hebben niet met eigen onafhankelijk en deskundig verkeersonderzoek aannemelijk gemaakt dat de parkeerberekening van het college onjuist is. Uit de berekening blijkt dat er, uitgaande van 225 kinderen op de school, voor het bouwplan 20 extra parkeerplaatsen nodig zijn, met een totaal van 47 parkeerplaatsen. Nu er 55 extra parkeerplaatsen worden gerealiseerd en dus wordt voldaan aan de CROW-normen bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de parkeerbehoefte niet juist is berekend. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen grond voor het oordeel dat sprake is van een zodanig bijzondere situatie dat het college had moeten afwijken van de CROW-normen.
Borging maximum aantal leerlingen school
7. Eisers vinden dat onvoldoende is geborgd dat het aantal kinderen beperkt blijft tot 225 leerlingen in de school en 16 kinderopvangplaatsen in de noodlokalen. Als er meer kinderen zijn, is het aantal parkeerplaatsen ontoereikend. Naar aanleiding van de zitting heeft het college in het besluit van 14 april 2026 een extra voorschrift opgenomen, maar dat is volgens eisers niet duidelijk. Er staat in dat het aantal kinderen dat gelijktijdig onderwijs volgt in de school niet meer bedraagt dan 225 en dat het aantal kinderopvangplaatsen niet meer bedraagt dan 16. Eisers stellen dat het in het bestreden besluit opgenomen voorschrift slechts voldoet als de zin “gelijktijdig onderwijs volgt in de vrije school” zo moet worden uitgelegd, dat het daarbij gaat om het aantal leerlingen dat op enig moment staat ingeschreven bij de school. Als het voorschrift ook ruimte laat voor een uitleg, waarbij het gaat om het aantal leerlingen dat tegelijkertijd in de vrije school aanwezig is, dan menen eisers dat onvoldoende uitvoering is gegeven aan de zittingsafspraken. Dit zou ook onvoldoende handhaafbaar zijn. Eisers menen verder dat het maximum aantal leerlingen van 225 inclusief het aantal van 16 kinderen in de kinderopvang is.
7.1.
Het college stelt dat in het besluit van 14 april 2026 voldoende is geborgd dat het aantal leerlingen is beperkt tot 225 en het aantal kinderopvangplaatsen is beperkt tot 16. Daar van uitgaande is er met 55 parkeerplaatsen meer dan voldoende parkeergelegenheid. In het besluit van 14 april 2026 is daartoe het volgende voorschrift opgenomen:
“Het gebruik van de school, inclusief de daarbij behorende gebouwen, is uitsluitend toegestaan indien:
Het totaal aantal leerlingen dat gelijktijdig onderwijs volgt in de school niet meer bedraagt dan 225, en
Het aantal kinderopvangplaatsen niet meer bedraagt dan 16.
Vergunninghouder draagt er zorg voor dat de capaciteit en het gebruik van de school en de daarbij behorende gebouwen, blijvend in overeenstemming zijn met hierboven genoemde maxima.” In aanvulling op dit voorschrift wordt volgens het college het maximumaantal kinderdagopvangplaatsen ook gewaarborgd in het Besluit kwaliteit kinderdagopvang. Hierin is in Bijlage 1, onderdeel a en tabel 1 vastgesteld dat het aantal kinderen in een groep maximaal 16 bedraagt.
7.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank licht dat als volg toe.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat met het voorschrift voldoende wordt gewaarborgd dat het maximum aantal leerlingen in de school 225 bedraagt. De rechtbank volgt niet het standpunt van eisers dat in het voorschrift moet worden opgenomen dat het maximum aantal ingeschreven leerlingen 225 bedraagt. Voor de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen maakt het namelijk niet uit hoeveel leerlingen staan ingeschreven, maar is van belang hoeveel leerlingen op school aanwezig zijn. Leerlingen die wel staan ingeschreven, maar niet op school zijn, genereren geen parkeerbehoefte. Voorts geldt dat op grond van artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo, aan een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen slechts voorschriften kunnen worden verboden die nodig zijn met het oog op de activiteit ‘bouwen’. (Voetnoot 1) Een voorschrift dat ziet op het aantal leerlingen in het gebouw valt daar wel onder, maar een voorschrift dat ziet op het aantal bij de school ingeschreven leerlingen niet.
7.4.
In het aantal van 225 leerlingen is, anders dan eisers menen, het aantal van 16 kinderen voor de kinderdagopvang niet begrepen. Dit blijkt ook uit de door het college gemaakte parkeerberekening van 20 februari 2025. Daaruit blijkt dat de uitbreiding alleen betrekking heeft op de school. Dat sluit ook aan bij het uitgangspunt dat bij de beoordeling van de vraag of een plan voorziet in voldoende parkeercapaciteit alleen rekening wordt gehouden met de toename van de behoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. De juridische toets van het bouwplan aan het Paraplubestemmingsplan blijft dan ook beperkt tot de vraag of voor de uitbreiding van de school (met 75 leerlingen tot in totaal 225) voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Dat is het geval en met het besluit van 14 april 2026 is dat maximum aantal leerlingen ook voldoende geborgd. De aanvraag om omgevingsvergunning voor de verlenging van de noodlokalen voor kinderopvang betreft geen uitbreiding van de school maar een verlenging van een reeds bestaande situatie. Dat valt buiten de aanvraag om omgevingsvergunning voor uitbreiding van de school met de bijbehorende parkeerberekening. Dit is ter zitting door het college bevestigd.
Omgevingsvergunning voor het verlengen van het gebruik van tijdelijke noodlokalen met tien jaar
Parkeerbehoefte tijdelijke noodlokalen
8. Eisers hebben aangevoerd dat de omgevingsvergunning voor verlenging van de tijdelijke noodlokalen opnieuw moet worden getoetst aan het bestemmingsplan Parapluplan Parkeernormen gemeente [plaats] . Uit het bestreden besluit blijkt niet dat deze toets heeft plaatsgevonden.
8.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat er geen noodzaak is om een nieuwe parkeerberekening op te stellen, omdat het een verlenging van een reeds bestaande situatie betreft en die situatie niet gewijzigd is. Het college wijst voor de uitwerking van de parkeerbehoefte naar de eerste uitbreiding, waar de parkeerbehoefte voor de kinderdagopvang expliciet is geborgd. Volgens het college is een aanvullende parkeerberekening slechts noodzakelijk bij een toename van de parkeerbehoefte. Dat is voor de noodlokalen niet het geval.
8.2.
Deze beroepsgrond slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank moet de aanvraag om omgevingsvergunning voor het verlengen van het gebruik van tijdelijke noodlokalen als een nieuwe aanvraag om omgevingsvergunning worden aangemerkt die (opnieuw) moet worden getoetst aan de daarop betrekking hebbende regelgeving, waaronder het bestemmingsplan Parapluplan Parkeernormen gemeente [plaats] . Feitelijk is sprake van een verlenging, maar juridisch is de omgevingsvergunning een nieuwe vergunning, verleend naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, voor een nieuwe periode van 10 jaar. Die nieuwe aanvraag moet opnieuw worden getoetst aan de weigeringsgronden van artikel 2.10 van de Wabo. Dat geen sprake is van toename van de parkeerbehoefte doet daar niet aan af.
8.3.
De rechtbank ziet echter aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb te passeren. Uit de parkeerberekening van 20 februari 2025 volgt namelijk dat uitgaande van 225 leerlingen op de school en 16 kinderen in de noodlokalen 47 parkeerplaatsen nodig zijn. Er worden 55 parkeerplaatsen gerealiseerd. Als voldoende wordt geborgd dat het maximum aantal kinderen in de school 225 bedraagt (zie hiervoor r.o. 7 t/m 7.4) en het maximum aantal kinderen in de kinderopvang 16 (zie hierna), is voorzien in voldoende parkeergelegenheid en voldoen beide aanvragen aan het bestemmingsplan Parapluplan Parkeernormen gemeente [plaats] .
Borging maximum aantal leerlingen noodlokalen
8.4.
Eisers hebben aangevoerd dat het maximum aantal van 16 kinderen in de noodlokalen waar de kinderopvang plaatsvindt in het besluit van 14 april 2026 onvoldoende is geborgd, tenzij met de zinsnede ‘daarbij behorende gebouwen’ ook de tijdelijke noodunits worden bedoeld (hoewel die in principe geen deel uit maken van de omgevingsvergunning voor de uitbreiding van de school). Volgens eisers kunnen niet in de omgevingsvergunning voor de uitbreiding van de school voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning voor de noodlokalen. De (enkele) verwijzing naar het Besluit kwaliteit kinderopvang maakt volgens eisers evenmin dat hiermee het maximaal aantal van 16 kinderen in de kinderopvang is geborgd. Volgens eisers moet het aantal van 16 kinderen in de kinderopvang vastgelegd worden in de betreffende vergunning voor de kinderopvang.
8.5.
Deze beroepsgrond slaagt. Met eisers is de rechtbank van oordeel dat het maximum aantal kinderen in de kinderopvang in de noodlokalen onvoldoende is geborgd. In de omgevingsvergunning voor uitbreiding van de school kunnen geen voorschriften worden gesteld die gaan over de verlenging van het gebruik van de tijdelijke noodlokalen. De enkele verwijzing naar het Besluit kwaliteit kinderopvang leidt niet tot een ander oordeel. In tabel 1 van Bijlage 1 bij dat besluit is het aantal kinderen in een groep gemaximeerd tot 16, maar daarmee is niet geborgd dat er maximaal één groep in de noodlokalen wordt gehuisvest. Bovendien gaat die tabel alleen over dagopvang van kinderen van 0 tot 4 jaar, terwijl in de noodlokalen mogelijk ook buitenschoolse opvang plaatsvindt. Nu het bestreden besluit op dit punt niet duidelijk is, maar partijen het er wel over eens zijn dat in de noodlokalen maximaal 16 kinderen mogen zijn, zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door hiervoor een voorschrift in de omgevingsvergunning voor de verlenging van de tijdelijke noodlokalen op te nemen.
9. Eisers stellen dat er geen rekening is gehouden met een fietsenstalling voor ouders die kinderen met de fiets naar de school brengen. Er is niet inzichtelijk gemaakt om hoeveel ouders het gaat en hoe de ouders veilig de school kunnen bereiken. Er is slechts een verslag waaruit blijkt dat er plek is voor een kleine fietsenstalling voor de medewerkers van de school. De fietsen worden nu vooral geparkeerd aan de Huizingsbrinkweg nabij een smalle doorgang naar de school. Dat zorgt voor veel overlast en onveiligheid. Het bouwplan voldoet daarom niet aan de Integrale parkeervisie gemeente [plaats] .
9.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In het bestemmingsplan Parapluplan parkeernormen gemeente [plaats] zijn geen normen of planregels opgenomen over fietsparkeren. Een eventueel gebrek aan parkeervoorzieningen voor fietsen leidt dus niet tot strijdigheid met dit bestemmingsplan en kan daarom niet leiden tot het weigeren van de gevraagde omgevingsvergunningen. In de Integrale Parkeervisie gemeente [plaats] staat dat er voldoende fietsenstallingen moeten zijn voor bezoekers, op plaatsen waar de noodzaak is aangetoond. De rechtbank beschouwt dit als een aansporing aan initiatiefnemers, maar gelet op het limitatief-imperatieve karakter van artikel 2.10 van de Wabo is het geen weigeringsgrond voor omgevingsvergunningen. In dit geval wordt er overigens wel een fietsenstalling gerealiseerd. Deze staat ingetekend op de terreintekening, bijlage 12b van de gedingstukken. Daarom lijkt te worden voldaan aan de Integrale Parkeervisie. Dat het fietsverkeer langs een smalle inrit aan de Huizingsbrinkweg gaat maakt niet dat de omgevingsvergunning niet kon worden verleend.
10. Eisers stellen dat zij voorafgaand aan de besluitvorming niet gehoord zijn. Zij zijn ineens op een bijeenkomst in december 2023 geconfronteerd met de definitieve uitbreidingsplannen van de school.
10.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat participatie op grond van de Wabo niet is vereist. Een eventueel gebrek aan participatie kan niet leiden tot weigering van een omgevingsvergunning. De rechtbank is overigens anders dan eisers van oordeel dat er voorafgaand aan de vergunningverlening voldoende mogelijkheden voor participatie zijn geboden. Uit de gedingstukken blijkt dat voorafgaand aan de vergunningverlening een informatieavond en gesprekken met de school zijn gehouden. Dat met de verleende omgevingsvergunningen niet aan de wensen van eisers tegemoet is gekomen, betekent niet dat onvoldoende mogelijkheden voor participatie zijn geboden.
Bestemmingsplan Emmen, Noordbarge verouderd
11. Eisers stellen dat het bestemmingsplan "Emmen, Noordbarge" is verouderd en daardoor niet meer in lijn is met de huidige tijd. In dit verband wijzen eisers erop dat de wettelijke geldigheidsduur van een bestemmingsplan tien jaar is. Daarbij achten eisers van belang dat in dit bestemmingsplan geen rekening is gehouden met de groei van de school en het effect daarvan op de omgeving.
11.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft terecht aan het bestemmingsplan “Emmen, Noordbarge” getoetst, nu dit in werking is getreden en onherroepelijk is. Dat het bestemmingsplan mogelijk verouderd is doet niet aan de rechtskracht daarvan af. Dat bestemmingsplan geldt en het college kon en moest de aanvragen aan dat bestemmingsplan toetsen.
Redelijke eisen van welstand
12. Eisers stellen dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Volgens de welstandsnota moet sprake zijn van een goede omgevingskwaliteit. Daarvan is geen sprake. Eisers hebben geen deskundig tegenadvies ingediend maar wel een verzoek gedaan tot het nemen van een verkeersbesluit en afspraken gemaakt met de school om een einde te maken aan de overlast en onveiligheid.
12.1.
Het college stelt zich onder verwijzing naar het positieve advies van de welstandscommissie op het standpunt dat het bouwplan voor het uitbreiden van de school voldoet aan redelijke eisen van welstand.
12.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat het college het positieve welstandsadvies van 15 januari 2024 aan de besluitvorming ten grondslag heeft gelegd. In dit advies heeft de welstandscommissie aangegeven dat het bouwplan, getoetst aan de criteria van de welstandsnota, voldoet aan redelijke eisen van welstand. Eisers hebben geen contra-expertise aan hun standpunten ten grondslag gelegd. Ook hebben zij geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de zorgvuldigheid, begrijpelijkheid of conclusies van het welstandsadvies.
Gelet op het voorgaande doet de weigeringsgrond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo zich niet voor. Het college kon en mocht de aanvraag om omgevingsvergunning niet weigeren op grond van redelijke eisen van welstand.
Rechtszekerheids-en vertrouwensbeginsel
13. Eisers stellen dat sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Het college heeft voor de door eisers ondervonden overlast verwezen naar afspraken tussen de school en eisers die in 2022 gemaakt zijn. Volgens eisers zou het college zich nu ook aan deze afspraken moeten houden. Verder is toegezegd dat eisers voorafgaand aan de definitieve besluitvorming ten aanzien van de uitbreiding van de school zouden worden gehoord. Dat is niet gebeurd. Zij zijn in december 2023 op een bijeenkomst geconfronteerd met de definitieve uitbreidingsplannen van de school. Eisers stellen verder dat de aanleg van een K&R plaats aan de Siebrandsweg niet overeenkomstig de afspraken is.
13.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de stukken niet van toezeggingen waar het college zich niet aan gehouden heeft. Daarbij geldt dat het college niet gehouden is om toezeggingen na te komen die door de school zijn gedaan. Het college moest de aanvragen toetsen aan het limitatief-imperatieve stelsel van artikel 2.10, van de Wabo en heeft dat ook gedaan.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond omdat daarin het aantal kinderen in de kinderopvang in de noodlokalen niet voldoende geborgd. De omissie van het niet toetsen aan het Paraplubestemmingsplan passeert de rechtbank, omdat inmiddels is gebleken dat de beide omgevingsvergunningen niet met dat bestemmingsplan in strijd zijn. Voor wat betreft het maximum aantal kinderen in de kinderopvang zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door een daartoe strekkend vergunningvoorschrift op te nemen. Voor het overige is het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand.
15. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten in beroep.
Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-.
16. Dit leidt ertoe dat het college in alle zaken eisers het betaalde griffierecht terug betaalt. In de zaken 24/4686 en 24/4814 is geen sprake van door een derde verleende rechtsbijstand. In de zaak 25/2491 heeft de gemachtigde een (aanvullend) beroepschrift ingediend en daarmee een betekenisvolle aanvulling gedaan op een door eiser zelf ingediend beroepschrift. Verder heeft hij aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,- (twee punten á € 934,- per punt).
Bijlage
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:81
1. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningen-rechter van de bestuursrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
(…).
1. Indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de bestuursrechter is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. (…)
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
(…)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (…).
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
(…)
c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan (…);
d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend.
2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. (…)
Bestemmingsplan “ [plaats] , Noordbarge”
Artikel 17 Maatschappelijk - Onderwijs
Artikel 17.1 Bestemmingsomschrijving
De voor “Maatschappelijk - Onderwijs” aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. basis- en voortgezet onderwijs, peuterspeelzaal, kinderdagopvang, buitenschoolse opvang;
met bijbehorende:
b. andere bouwwerken;
c. sport- en speelgelegenheden;
d. fiets- en voetpaden;
e. toegangswegen, in- en uitritten;
f. parkeervoorzieningen;
g. groenvoorzieningen;
h. nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.
17.2.1
Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:
a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
b. de afstand van een gebouw tot de zijerfscheiding dient minimaal 3 m te bedragen, dan wel indien sprake is van een kleinere afstand, de reeds bestaande afstand;
c. ter plaatse van de maatvoeringaanduiding bebouwingspercentage terrein (%) staat per bouwvlak het maximale bebouwingspercentage aangegeven, indien geen bebouwingspercentage is aangegeven mag het bouwvlak 100% bebouwd worden;
d. ter plaatse van de maatvoeringaanduiding bouwhoogte mag de bouwhoogte van het (hoofd)gebouw niet meer bedragen dan is aangegeven.
(…)
Artikel 17.5 Specifieke gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend:
a. het bewonen van vrijstaande bijbehorende bouwwerken;
b. het gebruik van niet - geluidsgevoelige objecten als geluidsgevoelige ruimte.
Bestemmingsplan “Parapluplan Parkeernormen gemeente [plaats] ”
Naast het bestemmingsplan “ [plaats] , Noordbarge” is op het perceel ook het bestemmingsplan “Parapluplan Parkeernormen gemeente [plaats] ” van toepassing.
Artikel 3 Algemene gebruiksregels
3.1
Parkeerregeling gebruik
a. gronden en bouwwerken mogen niet worden gebruikt ten behoeve van het veranderen en/of wijzigen van het gebruik van bouwwerken waardoor op het bijbehorende bouwperceel of in de directe omgeving niet in voldoende parkeergelegenheid en laad- en losplaatsen kan worden voorzien.
Integrale parkeervisie Gemeente [plaats]
3.4
Parkeernormen
Parkeernormen gaan over parkeervoorzieningen die nodig zijn bij nieuwbouw en verbouw van vastgoed. Om een omgevingsvergunning te krijgen, moet de aanvrager onder meer voldoen aan de parkeerbehoefte. De parkeerbehoefte geeft aan welke parkeercapaciteit er in theorie beschikbaar moet zijn binnen het bouwplan. De gemeente beoordeelt dit op basis van parkeernormen.
In het nieuwe parkeerbeleid gelden bij het invullen van de parkeerbehoefte de kengetallen zoals deze zijn vervat in de landelijke kencijfers parkeren van het CROW. Deze parkeerkerncijfers hebben een bandbreedte: in overleg met de initiatiefnemer wordt de parkeernorm bepaald.
Uitgangspunten:
• Bij woningbouw baseren we de parkeercapaciteit op autobezit;
• Bij (ver-)bouw van kantoren, bedrijven en voorzieningen baseren we de parkeercapaciteit op autogebruik;
• Leidraad bij het bepalen van de parkeercapaciteit zijn de landelijke kencijfers parkeren van het CROW.
Met deze aanpak wil de gemeente voorkomen dat een te strak gehanteerde parkeernorm een belemmerende factor vormt bij nieuwbouw of de transformatie-opgave van leegstaande winkelpanden. De gemeente doet hierbij een beroep op de initiatiefnemers van verbouw en nieuwbouwprojecten om het invullen van de parkeerbehoefte te zien als een gezamenlijke opgave.
Wij voegen daaraan toe dat de gemeente alleen in zeer bijzonder gevallen kan afwijken/ afzien van de landelijke kerncijfers parkeren.
7. Fietsparkeren
De gemeente wil het fietsgebruik stimuleren. Mede daarom zorgen we voor voldoende, veilige, comfortabele en goede faciliteiten om de fiets te parkeren op plaatsen waar het nodig is. Dit zijn de uitgangspunten:
Voldoende stallingbehoefte
Op plaatsen waar de noodzaak is aangetoond, zijn voldoende fietsenstallingen voor bezoekers. Voldoende betekent dat er voor elke fietser op redelijke afstand van de voorziening of het te bezoeken evenement een fietsparkeerplaats beschikbaar is.