Rechtbank Noord-Nederland, eerste aanleg - enkelvoudig bestuursrecht overig

ECLI:NL:RBNNE:2025:5921

Op 16 April 2025 heeft de Rechtbank Noord-Nederland een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is LEE 25/2083, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNNE:2025:5921.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
LEE 25/2083
Datum uitspraak:
16 April 2025
Datum publicatie:
28 April 2026
Verwijzingen:
Algemene wet bestuursrecht

Indicatie

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het gebruik van adviesrecht door het college als bedoeld in artikel 6.1 van het Bor. Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat op grond van artikel 6:3 van de Awb geen bezwaar openstaat tegen een beslissing inzake de procedure tot voorbereiding van een besluit. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. In deze mondelinge uitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk had moeten verklaren omdat het niet gericht was tegen een besluit.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 25/2083

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tytsjerksteradiel

(gemachtigden: D.R. Kloosterman en F.J. de Jong).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van het college 28 april 2025.

1.1.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het gebruik van adviesrecht door het college als bedoeld in artikel 6.1 van het Besluit omgevingsrecht (het Bor). Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat op grond van artikel 6:3 van de Awb geen bezwaar openstaat tegen een beslissing inzake de procedure tot voorbereiding van een besluit.

1.2.

Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van het college op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van het college.

1.4.

De rechtbank heeft na sluiting van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank is van oordeel dat bij advisering van het college op grond van artikel 6.1 van het Bor geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb), omdat een advies niet gericht is op een rechtsgevolg. Gelet op artikel 8.1 van de Awb, in samenhang met artikel 7.1, eerste lid, van de Awb, moest het college het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaren.

3. Het college heeft zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt gesteld dat sprake is van een voorbereidingsbeslissing in de zin van artikel 6:3 van de Awb, waartegen om die reden geen bezwaar open zou staan. Het bestreden besluit is daarom in strijd met het motiveringsbeginsel in artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb omdat het aannemelijk is dat de belanghebbende door de schending van het motiveringsbeginsel niet is benadeeld.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Gelet op het geconstateerde motiveringsgebrek moet het college wel het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

5. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart beroep ongegrond;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026 door mr. G. Knuttel, rechter, in aanwezigheid van E.D.M. Nijbroek, griffier.

Griffier

rechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.