Rechtbank Noord-Nederland, eerste aanleg - enkelvoudig bestuursrecht overig

ECLI:NL:RBNNE:2026:3279

Op 5 June 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is LEE 25/457, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNNE:2026:3279. De plaats van zitting was Groningen.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
LEE 25/457
Datum uitspraak:
5 June 2026
Datum publicatie:
7 August 2026

Indicatie

Algemene wet bestuursrecht. Verzoek om handhaving wegens gestelde geluid- en trillinghinder. Het college heeft het verzoek ten onrechte niet als handhavingsverzoek behandeld en onvoldoende onderzoek verricht naar de gestelde overtreding. Beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 25/457

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerwolde, het college

(gemachtigde: mr. J.P. Keizer).

Samenvatting

1. In deze zaak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek aan het college om de geluid- en trillinghinder aan de [locatie] te Ter Apel te laten voldoen aan de wettelijke normen en metingen te laten verrichten. Het college heeft het bezwaar primair niet-ontvankelijk verklaard, omdat een reactie op een verzoek om metingen te laten verrichten geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Subsidiair heeft het college het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard, omdat niet is gebleken van welke overtreding(en) sprake is. Eiser is het daar niet mee eens. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het bestreden besluit op goede gronden is genomen.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk dan wel kennelijk ongegrond heeft verklaard. Het college heeft de afwijzing van het verzoek om te handhaven op de geluid- en trillinghinder onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank draagt het college op om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Procesverloop

2. Eiser heeft op 30 juli 2024 het college verzocht om ‘de geluid- en trillinghinder aan de [locatie] te Ter Apel te laten voldoen aan de wettelijke normen en metingen te laten verrichten door een onafhankelijke instantie’.

2.1.

Het college heeft op 9 september 2024 gereageerd op het verzoek van eiser. Het college heeft daarin gesteld dat er geen verplichting voor het college bestaat om metingen te laten verrichten. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

2.2.

Met het bestreden besluit van 20 januari 2025 heeft het college het bezwaar van eiser primair niet-ontvankelijk en subsidiair kennelijk ongegrond verklaard.

2.3.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.4.

De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van het college en de toezichthouder van het college.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiser voert aan dat hij niet alleen een verzoek om het verrichten van metingen heeft gedaan, maar dat hij ook duidelijk heeft verzocht om handhaving van de wettelijke normen voor geluid- en trillinghinder. Uit zijn eigen metingen blijkt dat de waarde van 53db, die volgt uit adviezen van de World Health Organization, wordt overschreden. Ook uit de Wet geluidhinder en de geluidskaarten voor wegen binnen de bebouwde kom van de gemeente vloeit een maximale waarde van 58 dB voort. Verder stelt eiser dat in het kader van de nieuwe Omgevingswet de norm is bijgesteld naar 53 dB, zoals neergelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Tot slot voert eiser aan dat de gemeente aansprakelijk is voor de door hem geleden schade, bestaande uit slaapgebrek, stress en geestelijke klachten, als gevolg van de geluid- en trillinghinder.

4. Het college heeft in het bestreden besluit primair gesteld dat het bezwaar niet-ontvankelijk is, omdat het besluit om geen metingen te verrichten een feitelijke handeling betreft en daarom geen besluit is in de zin van de Awb. Subsidiair heeft het college aangevoerd dat, indien het bezwaar wél als een handhavingsverzoek wordt aangemerkt, eiser niet voldoende concreet heeft onderbouwd dat sprake is van overtredingen waartegen de gemeente handhavend kan optreden. De door eiser uitgevoerde geluidsmetingen zijn namelijk niet representatief en kunnen daarom niet dienen ter onderbouwing van een overschrijding van de geldende geluids- en trillingsnormen.

Is sprake van een handhavingsverzoek?

5. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Raad van State (de Afdeling) een verzoek om handhaving niet uitdrukkelijk als zodanig hoeft te zijn aangeduid. (Voetnoot 1) Doorslaggevend is of de indiener het bestuursorgaan heeft willen bewegen tot het optreden tegen een gestelde overtreding van wettelijke voorschriften.

5.1.

Eiser heeft het college verzocht om de geluid- en trillinghinder te laten voldoen aan de wettelijke normen en metingen te laten verrichten door een onafhankelijke instantie. Het college heeft het verzoek uitsluitend opgevat als een verzoek om metingen te verrichten en heeft dit afgewezen met de motivering dat geen verplichting bestaat om metingen uit te voeren, omdat geen wijzigingen aan de weg hebben plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college daarmee het verzoek van eiser onjuist gekwalificeerd. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk gemaakt dat hij meent dat sprake is van een overtreding en dat hij wil dat het college daartegen optreedt. Dat eiser in zijn eerste verzoek (nog) geen specifieke wettelijke normen heeft genoemd, maakt dit niet anders. Het college had het verzoek moeten aanmerken als een verzoek om handhaving en had moeten onderzoeken of sprake is van een overtreding van wettelijke voorschriften. (Voetnoot 2) Het college heeft het verzoek van eiser te beperkt opgevat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Mocht het college het handhavingsverzoek afwijzen?

6. Ten aanzien van het subsidiaire verweer van het college ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of het college bij de voorbereiding van het besluit tot afwijzing van het handhavingsverzoek de nodige kennis heeft vergaard omtrent de relevante feiten en omstandigheden. In het bijzonder moet worden beoordeeld of het college zich op basis van voldoende zorgvuldig onderzoek op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van normoverschrijdingen.  (Voetnoot 3)

6.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is het in beginsel aan het bevoegd gezag om, naar aanleiding van een verzoek om handhaving, onderzoek te verrichten naar de gestelde overtreding. Slechts in bijzondere gevallen kan van de verzoeker worden verlangd dat hij een begin van bewijs levert van de gestelde overtreding, alvorens voor het bestuursorgaan een verplichting tot (nader) onderzoek ontstaat. (Voetnoot 4)

6.2.

De rechtbank is van oordeel dat het college de afwijzing van het handhavingsverzoek onvoldoende heeft gemotiveerd. Eiser heeft zijn eigen meetgegevens overgelegd. Daarmee heeft hij in ieder geval geprobeerd een begin van bewijs van een overtreding te leveren en niet te willen volstaan met een enkele stelling dat er sprake is van te veel geluid en/of te veel trilling. Het college heeft alleen gesteld dat deze metingen niet representatief zijn voor het aantonen van een overtreding. Niet onderbouwd is waarom eisers eigen metingen niet representatief zouden zijn. Daarbij heeft het college volstaan met de algemene stelling dat onduidelijk is of de door eiser gebruikte apparatuur geschikt is en dat sprake zou moeten zijn van overschrijdingen over een langere periode, zonder dit nader te concretiseren of te onderbouwen. De stelling van het college dat niet duidelijk is dat sprake is van een overtreding, biedt daarom geen grondslag voor het afwijzen van het handhavingsverzoek. Het college moet in deze situatie zelf onderzoeken of er sprake is van een overtreding(en).

6.3.

Door aldus te handelen heeft het college nagelaten de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en omstandigheden. Daarmee heeft het college gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het bestreden besluit is in zoverre onzorgvuldig voorbereid. Daarnaast berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

Heeft eiser recht op schadevergoeding?

7. Eiser heeft verzocht het college te veroordelen in de door hem ten gevolge van het uitblijven van handhavend optreden immateriële geleden schade.

Zoals uit overweging 6.2 blijkt moet het college in de gegeven situatie eerst nader onderzoek doen naar de geluid- en trillinghinder. Pas aan de hand kan worden vastgesteld of de normen zijn overschreden en of het college al dan niet terecht het verzoek om handhaving heeft afgewezen. Daarna kan een verzoek om schadevergoeding pas worden beoordeeld.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, omdat het aan het college is om in eerste instantie te beoordelen of sprake is van een overtreding en of handhavend optreden aangewezen is.

8.1.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken.

8.2.

Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 20 januari 2025;

- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Uitspraak van de Afdeling van 7 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3602, r.o. 4.2

Voetnoot 2

Zie artikel 3:2 van de Awb.

Voetnoot 3

Zie artikel 3:2 van de Awb.

Voetnoot 4

Uitspraak van de Afdeling van 7 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3602, r.o. 4.2