Rechtbank Noord-Nederland, eerste aanleg - enkelvoudig bestuursrecht overig

ECLI:NL:RBNNE:2026:3292

Op 13 July 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is LEE 24/5009, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNNE:2026:3292. De plaats van zitting was Groningen.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
LEE 24/5009
Datum uitspraak:
13 July 2026
Datum publicatie:
7 August 2026

Indicatie

Wegenverkeerswet 1994. Oplegging van een onderzoek naar de rijgeschiktheid en schorsing van de geldigheid van het rijbewijs wegens een vermoeden van rijden onder invloed van drugs. Het CBR heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake was van een gerechtvaardigd vermoeden dat eiser niet langer beschikte over de vereiste rijgeschiktheid. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 24/5009

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR

(gemachtigde: I. Metaal).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de oplegging van een onderzoek naar de rijgeschiktheid aan eiser. Eiser is een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid opgelegd omdat hij binnen vijf jaar twee keer is aangehouden op verdenking van het rijden onder invloed van drugs. Tegelijkertijd is de geldigheid van zijn rijbewijs geschorst. Eiser is het daar niet mee eens. Hij ontkent dat hij drugs heeft gebruikt en stelt dat de aangetroffen amfetamine en de door de politie waargenomen uiterlijke kenmerken kunnen worden verklaard door zijn ADHD-medicatie en slaapmedicatie. Ook voert hij aan dat de schorsing van zijn rijbewijs voor hem ingrijpende gevolgen heeft. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het CBR het onderzoek naar de rijgeschiktheid mocht opleggen en het rijbewijs mocht schorsen.

1.1.

De rechtbank komt tot het oordeel dat het CBR terecht heeft aangenomen dat sprake was van een gerechtvaardigd vermoeden dat eiser niet langer beschikte over de vereiste rijgeschiktheid. Het opleggen van een onderzoek naar de rijgeschiktheid en de schorsing van de geldigheid van het rijbewijs zijn niet onrechtmatig. Eiser krijgt dus geen gelijk. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Procesverloop

2. Met het primaire besluit van 25 oktober 2024 heeft het CBR aan eiser een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid in verband met drugsgebruik opgelegd en de geldigheid van zijn rijbewijs geschorst.

2.1.

Met het bestreden besluit van 22 november 2024 heeft het CBR het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

2.2.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

Het CBR heeft in de procedure aangegeven dat het rijbewijs van eiser ongeldig is verklaard, omdat hij de kosten van het opgelegde onderzoek niet tijdig heeft voldaan. Tegen dat besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

2.4.

De rechtbank heeft het beroep op 18 mei 2026 op zitting behandeld. Namens het CBR is zijn gemachtigde verschenen. Eiser is niet verschenen.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Onderzoek naar de rijgeschiktheid

3. Eiser voert aan dat het CBR ten onrechte heeft besloten hem een onderzoek naar de rijgeschiktheid op te leggen. Volgens eiser heeft het CBR onvoldoende rekening gehouden met zijn medische situatie en zijn medicatiegebruik. Hij gebruikt dexamfetamine voor ADHD en quetiapine vanwege slaapproblemen. Volgens eiser verklaren deze medicijnen zowel de aangetroffen amfetamine als het overmatig transpireren. Hij stelt dat hij ten tijde van de aanhoudingen niet onder invloed van drugs verkeerde en dat zijn rijvaardigheid niet was verminderd.

3.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

3.2.

Op grond van artikel 131 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), gelezen in samenhang met artikel 23, eerste lid, aanhef en onder g, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling), legt het CBR een onderzoek naar de rijgeschiktheid op indien binnen vijf jaar ten minste tweemaal proces-verbaal is opgemaakt wegens een verdenking van overtreding van artikel 8 van de WVW 1994 en de processen-verbaal aanvullende gegevens bevatten die leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen.

3.3.

De rechtbank stelt vast dat op 13 maart 2024 en op 1 september 2024 tegen eiser proces-verbaal is opgemaakt wegens een verdenking van rijden onder invloed van drugs. Beide processen-verbaal bevatten aanvullende gegevens over eisers gedrag en uiterlijke kenmerken. De politie heeft onder meer geconstateerd dat eiser overmatig transpireerde, wijd opengesperde ogen had, veel slikte, zijn lippen bevochtigde en sloom dan wel geagiteerd gedrag vertoonde.

3.4.

De rechtbank overweegt dat een positieve speekseltest kan worden aangemerkt als een aanvullend gegeven als bedoeld in artikel 23, eerste lid, aanhef en onder g, van de Regeling. (Voetnoot 1) Een positieve speekseltest vormt, in samenhang met de door de politie waargenomen uiterlijke kenmerken en gedragingen, een objectieve aanwijzing die het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen ondersteunt. (Voetnoot 2) Anders dan eiser lijkt te veronderstellen, is voor het opleggen van een onderzoek naar de rijgeschiktheid niet vereist dat reeds uit bloedonderzoek blijkt dat een grenswaarde is overschreden.

3.5.

In dit geval testte eiser bij beide aanhoudingen positief op een speekseltest voor onder meer amfetamine. Uit het later verrichte bloedonderzoek bleek bovendien dat bij beide aanhoudingen amfetamine boven de toepasselijke grenswaarde aanwezig was. Bij de aanhouding op 13 maart 2024 werd daarnaast GHB boven de grenswaarde aangetroffen. Deze resultaten bevestigen het eerder op basis van de processen-verbaal ontstane vermoeden, maar zijn geen voorwaarde voor het opleggen van het onderzoek.

3.6.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de bevindingen uitsluitend door zijn medicatiegebruik kunnen worden verklaard. Eiser heeft geen medische stukken of medicatieoverzicht overgelegd waaruit blijkt welke medicatie hij gebruikte en in welke dosering. Het CBR heeft bovendien voldoende gemotiveerd dat de aangetroffen concentraties amfetamine niet passen bij een gemiddelde therapeutische dosering van dexamfetamine. Daarbij komt dat het vermoeden niet uitsluitend is gebaseerd op het overmatig transpireren, maar op het geheel van de uiterlijke kenmerken, de positieve speekseltesten en de resultaten van het bloedonderzoek.

3.7.

Voor het opleggen van een onderzoek naar de rijgeschiktheid hoeft niet vast te staan dat eiser daadwerkelijk ongeschikt is om een motorrijtuig te besturen. Voldoende is dat een gerechtvaardigd vermoeden bestaat dat hij niet langer beschikt over de vereiste rijgeschiktheid. Juist het opgelegde onderzoek is bedoeld om hierover uitsluitsel te geven. De rechtbank is daarom van oordeel dat het CBR terecht heeft aangenomen dat sprake was van een dergelijk vermoeden en gehouden was een onderzoek naar de rijgeschiktheid op te leggen.

Schorsing van het rijbewijs

4. Eiser voert aan dat de schorsing van zijn rijbewijs onterecht is.

4.1.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

4.2.

Op grond van artikel 6 van de Regeling, schorst het CBR de geldigheid van het rijbewijs wanneer een onderzoek naar de rijgeschiktheid wordt opgelegd in een geval als bedoeld in artikel 23 van die Regeling. Nu het CBR terecht een onderzoek naar de rijgeschiktheid heeft opgelegd, was hij ook gehouden de geldigheid van het rijbewijs te schorsen.

Belangenafweging

5. Eiser voert aan dat de schorsing van zijn rijbewijs voor hem onevenredig zware gevolgen heeft. Hij is voor zijn dagelijkse verplichtingen afhankelijk van zijn rijbewijs.

5.1.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

5.2.

De rechtbank begrijpt dat de gevolgen van de schorsing voor eiser ingrijpend zijn. De toepasselijke bepalingen van de WVW 1994 en de Regeling laten het CBR echter geen ruimte om op grond van persoonlijke omstandigheden af te zien van het opleggen van een onderzoek of van de schorsing van het rijbewijs.

5.3.

Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kan aanleiding bestaan de Regeling wegens onevenredige gevolgen buiten toepassing te laten. Van een dergelijk uitzonderlijk geval is in dit geval niet gebleken. De door eiser aangevoerde omstandigheden onderscheiden zich niet wezenlijk van die van andere bestuurders die als gevolg van een schorsing hun rijbewijs tijdelijk niet kunnen gebruiken.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Het CBR heeft terecht een onderzoek naar de rijgeschiktheid opgelegd en de geldigheid van het rijbewijs geschorst. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ook krijgt hij geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 81. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, […], terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen of tot behoorlijk te begeleiden in staat moet worden geacht.

[…]

5. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, […] na gebruik van een of meer van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen als bedoeld in het eerste lid, waardoor het gehalte in zijn bloed van de bij de stof vermelde meetbare stof, of in geval van gebruik van meer stoffen als bedoeld in het eerste lid die bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zijn als groep, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen, bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan de daarbij vermelde grenswaarde. […].

[…].

Artikel 1301. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

[…].

Artikel 1311. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot:a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, ofb. een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid.[…].

Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Artikel 23Het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid, bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet indien:[…]g. ten aanzien van betrokkene binnen vijf jaar ten minste twee keer proces-verbaal is opgemaakt wegens verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de wet of wegens het weigeren mee te werken aan een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, en de politie in het proces-verbaal aanvullende gegevens heeft opgenomen betreffende het gedrag of de uiterlijke kenmerken van de betrokkene, diens rijgedrag, dan wel andere omstandigheden, die leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen.

Bijlage I

[…]

B. Geschiktheid

[…].

III. Drogerende stoffen

[…]Andere drogerende stoffen of een combinatie van drogerende stoffen- ten aanzien van betrokkene is binnen vijf jaar ten minste twee keer proces-verbaal opgemaakt wegens verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de wet of wegens het weigeren mee te werken aan een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, en de politie in het proces-verbaal aanvullende gegevens heeft opgenomen betreffende het gedrag of de uiterlijke kenmerken van de betrokkene, diens rijgedrag, dan wel andere omstandigheden, die leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1696.

Voetnoot 2

Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2638.