Rechtbank Noord-Nederland, eerste aanleg - enkelvoudig bestuursrecht overig

ECLI:NL:RBNNE:2026:3294

Op 27 July 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is LEE 24/4326 en LEE 24/4327, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNNE:2026:3294. De plaats van zitting was Groningen.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
LEE 24/4326 en LEE 24/4327
Datum uitspraak:
27 July 2026
Datum publicatie:
7 August 2026

Indicatie

Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Niet-ontvankelijkverklaring van bezwaren tegen brieven met de mededeling ‘inkomenswijziging ontvangen’. Deze brieven zijn geen besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb, omdat zij niet zijn gericht op rechtsgevolg. Beroepen ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 24/4326 en 24/4327

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2026 in de zaken tussen [eisers] , uit [woonplaats] , eisers

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de minister

(gemachtigde: mr. G.J.M. Naber).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren van eisers. Eisers hebben bezwaren ingediend tegen besluiten van de minister van 4 juni 2024, met daarin de mededeling ‘inkomenswijziging ontvangen’, waarvan één brief aan [eiser] is gericht en één aan [eiseres] . De minister heeft deze bezwaren niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze brieven geen besluiten zijn in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eisers zijn het daar niet mee eens. Zij voeren aan dat de minister onjuiste inkomensgegevens heeft gebruikt en zich niet aan de wettelijke bepalingen voor het gebruik van die gegevens heeft gehouden. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

1.1.

De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De brieven met de mededeling ‘inkomenswijziging ontvangen’ zijn geen besluiten in de zin van de Awb, omdat zij niet zijn gericht op enig rechtsgevolg. Voor zover eisers menen dat de minister van onjuiste inkomensgegevens is uitgegaan, kunnen zij dat aan de orde stellen in een procedure tegen het besluit waarin die gegevens daadwerkelijk aan een beslissing ten grondslag zijn gelegd. Eisers krijgen daarom geen gelijk en de beroepen zijn ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Procesverloop

2. Met de bestreden besluiten van 31 juli 2024 heeft de minister de bezwaren van eisers tegen de brieven van 4 juni 2024 met de mededeling ‘inkomenswijziging ontvangen’ niet-ontvankelijk verklaard.

2.1.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.

2.2.

De rechtbank heeft de beroepen op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

3. Eisers voeren aan dat de minister onjuiste ouderinkomens heeft gebruikt en zich niet heeft gehouden aan de wettelijke bepalingen voor het gebruik van de inkomensgegevens van de Belastingdienst. De brieven van 4 juni 2024 hebben volgens eisers wel rechtsgevolgen, omdat daarin staat dat hun inkomens zijn gewijzigd.

3.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

3.2.

Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Daarvan is alleen sprake indien de handeling is gericht op een rechtsgevolg. Dat betekent dat de handeling is gericht op het doen ontstaan, wijzigen of beëindigen van rechten of verplichtingen.

3.3.

De rechtbank is van oordeel dat de brieven van 4 juni 2024 met de mededeling ‘inkomenswijziging ontvangen’ geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De brieven bevatten uitsluitend de mededeling dat de minister gewijzigde inkomensgegevens heeft ontvangen van de Belastingdienst. De brieven zijn slechts een administratieve bevestiging van de ontvangst van gewijzigde gegevens van de Belastingdienst. In de brieven van 4 juni 2024 wordt verder geen enkel besluit genomen in de zin van de Awb over bijvoorbeeld de vaststelling of herziening van de studiefinanciering van de kinderen van eisers.

3.4.

De rechtbank begrijpt dat het eisers te doen is om de juistheid van de door de minister gehanteerde inkomensgegevens te bestrijden. Deze procedure is daarvoor echter niet bedoeld. In deze procedure ligt uitsluitend de vraag voor of de brieven van 4 juni 2024 besluiten zijn waartegen bezwaar openstaat. Dat is dus niet het geval. Als eisers de juistheid van de inkomensgegevens willen bestrijden, zullen zij zich moeten richten tegen besluiten in de zin van de Awb. In dit geval dus bijvoorbeeld de besluiten waarin de inkomensgegevens daadwerkelijk aan de besluitvorming over de vaststelling of herziening van de studiefinanciering van de kinderen ten grondslag zijn gelegd. Eisers kunnen zich ook wenden tot de Belastingdienst en daar bezwaar maken tegen besluiten over de vaststelling van hun inkomensgegevens.

3.5.

Voor zover eisers hebben verzocht de onderhavige zaken als samenhangende zaken aan te merken in verband met het verschuldigde griffierecht, ziet de rechtbank daarvoor geen aanleiding. Het betreft twee afzonderlijke besluiten die ieder zijn gericht tot een andere belanghebbende. Dat de zaken tegelijk op zitting zijn behandeld, maakt dit niet anders.

Conclusie en gevolgen

4. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Broere, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.