Rechtbank Noord-Nederland, eerste aanleg - enkelvoudig bestuursrecht overig

ECLI:NL:RBNNE:2026:3295

Op 27 July 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is LEE 24/3315, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNNE:2026:3295. De plaats van zitting was Groningen.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
LEE 24/3315
Datum uitspraak:
27 July 2026
Datum publicatie:
7 August 2026

Indicatie

Kadasterwet. Afwijzing van een verzoek tot herstel van de Basisregistratie Kadaster. De bewaarder heeft het bezwaar tegen de administratieve perceelsvorming uit 2014 terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en het verzoek om herstel terecht afgewezen, omdat niet is gebleken van een onjuiste bijwerking van de Basisregistratie Kadaster. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 24/3315

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2026 in de zaak tussen [eisers] , uit [woonplaats] , eisers

en

De bewaarder van het kadaster en de openbare registers, de bewaarder

(gemachtigde: mr. M.I. Mollee-ten Hoor).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Wetterskip Fryslân uit Leeuwarden (Wetterskip).

Samenvatting
1.1.

Deze uitspraak gaat over het verzoek van eisers om herstel van de Basisregistratie Kadaster. Eisers zijn erfgenamen van een perceel dat in 2014 door de bewaarder administratief is heringedeeld. Daarbij is het oorspronkelijke kadastrale perceel [oorspronkelijke perceel] gesplitst in drie percelen ([perceel 1], [perceel 2] en [perceel 3]). Perceel [perceel 1] is daarbij administratief als perceel van het Wetterskip in de Basisregistratie Kadaster opgenomen. De perceelsgrenzen zijn uitdrukkelijk als voorlopig geregistreerd. Volgens eisers is deze administratieve perceelsvorming onjuist en zonder hun medeweten tot stand gekomen. Zij menen dat hierdoor ten onrechte de indruk ontstaat dat het Wetterskip eigenaar is van perceel [perceel 1]. Zij hebben daarom een verzoek tot herstel ingediend op grond van artikel 7t van de Kadasterwet. De bewaarder heeft het verzoek afgewezen.

1.2.

De rechtbank komt tot het oordeel dat de bewaarder het bezwaar, voor zover dat was gericht tegen de administratieve perceelsvorming uit 2014, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarnaast heeft de bewaarder het verzoek om herstel van de Basisregistratie Kadaster terecht afgewezen. Het beroep is daarom ongegrond.

Procesverloop

Procesverloop

2. Bij het primaire besluit van 26 februari 2024 heeft de bewaarder het verzoek van eisers tot herstel van de Basisregistratie Kadaster afgewezen.

2.1.

Bij het bestreden besluit van 21 juni 2024 heeft de bewaarder het bezwaar van eisers gedeeltelijk niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard. Voor zover het bezwaar was gericht tegen de administratieve perceelsvorming uit 2014, heeft de bewaarder het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Voor zover het bezwaar is opgevat als een verzoek tot herstel van de Basisregistratie Kadaster heeft de bewaarder het primaire besluit gehandhaafd.

2.2.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De bewaarder heeft een verweerschrift ingediend. Ook Wetterskip Fryslân heeft een schriftelijke reactie ingediend.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eisers deelgenomen. De gemachtigde van de bewaarder heeft door ziekte met behulp van een beeldverbinding deelgenomen. Wetterskip Fryslân is, na voorafgaande kennisgeving, niet ter zitting verschenen.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Procesbelang

3. De bewaarder heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat eisers geen procesbelang meer hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep. Volgens de bewaarder kan aan de administratieve perceelsvorming geen eigendomsrecht worden ontleend, zijn de geregistreerde grenzen slechts voorlopig en kan de voormalige deelperceelsregistratie bovendien niet meer worden hersteld. Ook indien het beroep gegrond zou worden verklaard, zou dit volgens de bewaarder daarom niet tot een voor eisers gunstiger resultaat kunnen leiden.

3.1.

De rechtbank volgt de bewaarder hierin niet. Van voldoende procesbelang is sprake indien het resultaat dat een indiener met een procedure nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en dit resultaat voor hem feitelijke betekenis kan hebben. (Voetnoot 1)

3.2.

Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in dit geval sprake. Indien zou komen vast te staan dat de administratieve perceelsvorming in 2014 niet overeenkomstig toepasselijke regelgeving of de onderliggende brondocumenten heeft plaatsgevonden, zou dat kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit en een nieuwe beslissing op het verzoek tot herstel. Daarmee kan het door eisers beoogde resultaat, te weten een heroverweging van de administratieve perceelsvorming, in beginsel worden bereikt. Dat de bewaarder zich op het standpunt stelt dat een terugkeer naar de voormalige deelperceelsregistratie technisch of juridisch niet meer mogelijk zou zijn, maakt niet dat ieder procesbelang ontbreekt. De rechtbank komt daarom toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.

Ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de perceelsvorming uit 2014

4. Voor zover het bezwaar van eisers is gericht tegen de administratieve perceelsvorming uit 2014, heeft de bewaarder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Eisers hebben op 3 augustus 2023 een bezwaarschrift ingediend tegen de administratieve perceelsvorming uit 2014 en dat is volgens de bewaarder te laat.

4.1.

Eisers voeren aan dat zij nooit een kennisgeving van de administratieve perceelsvorming in 2014 hebben ontvangen. Volgens hen zijn zij pas in de zomer van 2020 bij toeval op de hoogte geraakt van de nieuwe kadastrale indeling. Vervolgens hebben zij (telefonisch) contact opgenomen met het Kadaster en het Wetterskip om de kwestie op te lossen. Zij wijzen erop dat in maart 2021 al schriftelijk bezwaar is gemaakt tegen de ontstane situatie en dat zij niet stil hebben gezeten nadat zij achter de nieuwe indeling waren gekomen.

4.2.

De rechtbank stelt vast dat de bewaarder heeft toegelicht dat de administratieve perceelsvorming onderdeel uitmaakte van een landelijke conversie van deelpercelen. Daarbij zijn kennisgevingen geautomatiseerd aangemaakt en per post verzonden. De rechtbank kan in het midden laten of eisers de kennisgeving daadwerkelijk hebben ontvangen. Ook indien wordt uitgegaan van de lezing van eisers dat zij pas in de zomer van 2020 kennis hebben genomen van de administratieve perceelsvorming, hebben zij niet zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk bezwaar gemaakt. Uit hun eigen verklaringen ter zitting volgt dat zij in de zomer van 2020 bekend waren met de gewijzigde kadastrale situatie. Vervolgens hebben zij ervoor gekozen eerst met het Kadaster en het Wetterskip in overleg te treden. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eisers hebben geprobeerd de kwestie in goed onderling overleg op te lossen, brengt dit niet mee dat zij konden afzien van het tijdig aanwenden van een rechtsmiddel.

4.3.

Ook indien wordt uitgegaan van de door eisers genoemde brief van 19 maart 2021, waarin zij hun bezwaren tegen de nieuwe situatie kenbaar hebben gemaakt, kan dit niet leiden tot een ander oordeel. Tussen het moment dat eisers bekend raakten met de nieuwe indeling (zomer 2020) en het indienen van een bezwaarschrift (maart 2021) zitten meerdere maanden (een half jaar) en dit is te lang. Het is de rechtbank verder niet gebleken dat sprake was van (ernstige persoonlijke) omstandigheden die ervoor zouden kunnen zorgen dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De bewaarder heeft het bezwaar tegen de administratieve perceelsvorming uit 2014 daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het verzoek tot herstel

5. Voor zover het bezwaar is opgevat als een verzoek tot herstel van de Basisregistratie Kadaster op grond van artikel 7t van de Kadasterwet, overweegt de rechtbank als volgt.

5.1.

Eisers voeren aan dat de bewaarder ten onrechte heeft geweigerd de administratieve perceelsvorming uit 2014 terug te draaien. Volgens hen is de registratie van perceel [perceel 1] onjuist. Zij wijzen erop dat de voormalige consortboeking geen duidelijkheid gaf over de ligging en omvang van de afzonderlijke eigendomsdelen en dat het Kadaster ten onrechte een administratieve verdeling heeft aangebracht. Volgens eisers wordt hierdoor de indruk gewekt dat het Wetterskip eigenaar is van perceel [perceel 1]. Zij vrezen dat deze registratie in de praktijk door overheden en het Wetterskip als uitgangspunt wordt genomen en dat zij daardoor in hun rechtspositie worden benadeeld.

5.2.

Op grond van artikel 7t van de Kadasterwet kan de bewaarder een registratie slechts herstellen indien sprake is van een onjuiste bijwerking van de Basisregistratie Kadaster. Daarvan is sprake indien de gegevens in de Basisregistratie Kadaster niet overeenstemmen met de gegevens die blijken uit de onderliggende brondocumenten.

5.3.

De rechtbank is niet gebleken dat daarvan sprake is. Uit de openbare registers volgt dat het voormalige perceel reeds lange tijd betrekking heeft op een situatie waarin twee gerechtigden aanspraken hebben op verschillende delen van het perceel. De administratieve splitsing in 2014 is het gevolg van een wijziging van de regelgeving waarbij deelpercelen niet langer in de Basisregistratie Kadaster konden worden opgenomen. De bewaarder heeft toegelicht dat daarbij is aangesloten bij de historische gegevens waarover het Kadaster beschikte, waaronder de aanwezige relazen van bevindingen en eerdere aanwijzingen van partijen. Eisers hebben geen eigendomsakten of andere stukken overgelegd waaruit onomstotelijk blijkt dat de registratie van perceel [perceel 1] niet overeenstemt met de onderliggende brondocumenten.

5.4.

De rechtbank begrijpt dat eisers menen dat de voormalige consortboeking had moeten worden hersteld. Uit de stukken blijkt echter dat een consortboeking een historisch registratiesysteem betrof dat inmiddels is uitgefaseerd. Nog daargelaten welke betekenis aan die registratie precies moet worden toegekend, volgt daaruit niet dat de huidige registratie onjuist is of dat de bewaarder gehouden was de administratieve perceelsvorming ongedaan te maken.

5.5.

Voor zover eisers zich op het standpunt stellen dat zij eigenaar zijn van perceel [perceel 1] of dat zij dit deel door verjaring hebben verkregen, overweegt de rechtbank dat dit een privaatrechtelijk geschil betreft. Het is niet aan de bewaarder en ook niet aan de bestuursrechter om de eigendom van de grond of de ligging van de perceelsgrenzen vast te stellen. Dat oordeel is voorbehouden aan de civiele rechter.

5.6.

De rechtbank ziet de zorgen van eisers dat de administratieve registratie in de praktijk kan worden gebruikt door andere overheidsinstanties en invloed kan hebben op de onderhandelingen met het Wetterskip. Eisers hebben ter zitting toegelicht dat het Wetterskip zich tijdens de onderhandelingen heeft opgesteld alsof het eigenaar is van perceel [perceel 1] en dat het aankoopvoorstel daarop was gebaseerd.

5.7.

De rechtbank benadrukt dat uit de Basisregistratie Kadaster en de daarbij behorende stukken blijkt dat sprake is van voorlopige administratieve grenzen en dat geen definitieve grensvaststelling heeft plaatsgevonden. De administratieve registratie strekt daarom niet tot vaststelling van de eigendom. Dat blijkt ook uit het relaas van bevindingen, waaruit volgt dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de begrenzing van hun eigendommen. Voor zover het Wetterskip zich dus opstelt als (volledig) eigenaar van perceel [perceel 1] merkt de rechtbank dan ook op dat dit niet het geval is. Het Wetterskip kan perceel [perceel 1] dan ook niet verkopen. De eigendom en de definitieve begrenzing van dat perceel staan namelijk niet vast. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de registratie de rechtspositie van eisers op zichzelf aantast.

5.8.

De rechtbank heeft eisers ter zitting in overweging gegeven opnieuw met het Wetterskip in gesprek te gaan over de eigendom en de definitieve vaststelling van de perceelsgrenzen. Daarbij merkt de rechtbank opnieuw op dat het Wetterskip zich in die onderhandelingen dus niet zonder meer op het standpunt kan stellen dat heel perceel [perceel 1] definitief aan hem toebehoort. De eigendom en de begrenzing daarvan zijn juist onderwerp van geschil zijn. Dit staat ook zo in de gegevens van de Basisregistratie Kadaster. Indien eisers en het Wetterskip wederom geen overeenstemming bereiken over de perceelsgrenzen, ligt het op hun weg het geschil aan de civiele rechter voor te leggen.

5.9.

Wanneer eisers en het Wetterskip samen tot overeenstemming komen of als de civiele rechter de eigendom of de perceelsgrenzen vaststelt, dan kunnen eisers de bewaarder verzoeken de Basisregistratie Kadaster daarmee in overeenstemming te brengen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. De bewaarder heeft het bezwaar van eisers, voor zover dat was gericht tegen de administratieve perceelsvorming uit 2014, terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Daarnaast heeft de bewaarder het verzoek van eisers om herstel van de Basisregistratie Kadaster terecht afgewezen, omdat niet is gebleken van een onjuiste bijwerking van de registratie.

6.1.

Omdat het beroep ongegrond is, krijgen eisers het betaalde griffierecht niet terug. Ook krijgen zij geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Broere, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4404, r.o. 4.1.