Procesverloop
Eiser heeft op 21 maart 2023 een verzoek ingediend op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) om inzage in de verwerking van zijn persoonsgegevens.
Na een bezwaarprocedure heeft de rechtbank Arnhem bij uitspraak van 12 november 2025 (Voetnoot 1) het beroep van eiser gegrond verklaard en het CJIB opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.
3. Bij besluit van 22 december 2025 heeft het CJIB een nieuw besluit op het bezwaar genomen en het verzoek om inzage (verder) toegewezen.
4. Eiser heeft op 25 december 2025 beroep ingesteld tegen dit nieuwe besluit. Het CJIB heeft een verweerschrift ingediend.
5. De rechtbank heeft de zaak op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hierbij was de gemachtigde van het CJIB aanwezig. Eiser is zonder bericht niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
6. Eiser voert aan dat het besluit van het CJIB onvolledig is, aangezien diverse gevraagde gegevens, waaronder belnotities, notities MWP en persoonsnotities, nog steeds niet aan hem zijn verstrekt. Volgens eiser wordt in de verstrekte stukken wel naar deze notities verwezen, maar zijn deze nergens in de verleende inzage terug te vinden.
6.1.
Daarnaast voert eiser aan dat het lakken op bladzijde 9 van het zaakoverzicht van 15 december 2025 onvoldoende is gemotiveerd. Het betreft een alinea onder de datum 28 mei 2025 die is gelakt met de motivering "Geen persoonsgegeven(s)", wat volgens eiser onjuist is en in het besluit niet nader is onderbouwd. Deze informatie dient alsnog integraal te worden verstrekt of de weigering dient deugdelijk te worden gemotiveerd.
6.2.
Tot slot voert eiser aan dat de redelijke termijn voor de afhandeling van zijn zaak, die is aangevangen op 6 juni 2023, ruimschoots is overschreden. Op grond hiervan verzoekt hij om een immateriële schadevergoeding van € 500,- per half jaar overschrijding.
7. Het CJIB stelt zich op het standpunt dat elk ter inzage gegeven zaakoverzicht een overzicht ‘notities’ bevat. In de notities wordt verwezen naar notities Medewerkersportaal (MWP). Deze zijn terug te vinden op het persoonsoverzicht. (Voetnoot 2)
7.1.
Verder overweegt het CJIB in verweer dat het inzagerecht onder de AVG en/of Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) ziet op het verkrijgen van inzage in eisers eigen persoonsgegevens. De door eiser aangehaalde gelakte passage op pagina 9 kan niet worden aangemerkt als op eiser betrekking hebbende persoonsgegevens. Het CJIB hoeft, anders dan onder de Wet open overheid, bij toepassing van de AVG geen reden voor het lakken aan te geven en verzoekt de rechtbank om te beoordelen of de passages rechtmatig zijn gelakt.
7.2.
Met betrekking tot eisers verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn stelt het CJIB vast geen invloed te hebben op de termijn waarbinnen een zaak door de rechtbank ter zitting wordt behandeld. Het CJIB heeft telkens binnen de termijn beslist.
8. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgronden van eiser niet slagen en overweegt daartoe het volgende.
8.1.
Met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank kennis heeft genomen van de ongelakte versie van de door de Raad aan eiser verstrekte informatie. Daarbij is het de rechtbank niet gebleken dat er informatie ontbreekt, dat er notities ten onrechte niet aan eiser zijn verstrekt of dat de notities niet te vinden zouden zijn. Met betrekking tot de door eiser aangehaalde gelakte passage stelt de rechtbank vast dat het hierbij niet gaat om persoonsgegevens van eiser. De Raad had dan ook niet op grond van de AVG inzage in deze informatie hoeven geven. De enkele stelling van eiser dat het besluit onvolledig is en dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de aangehaalde passage is gelakt, is geen gemotiveerde of onderbouwde weerlegging van het standpunt van de Raad, zoals weergegeven in het bestreden besluit en het verweerschrift.
8.2.
Ten aanzien van eisers verzoek om toekenning van immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn overweegt de rechtbank als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling wordt de redelijke termijn in eerste aanleg in principe na twee jaar overschreden. Hiervan staat zes maanden voor de bezwaarfase en anderhalf jaar voor de beroepsfase. De termijn vangt aan op het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen en eindigt wanneer de rechter een einduitspraak doet.
8.2.1.
De rechtbank stelt vast dat er sinds de ontvangst van het bezwaarschrift op 6 juni 2023 twee jaren en vijf maanden waren verstreken voordat de rechtbank Arnhem op 12 november 2025 einduitspraak deed. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tot aan de onderhavige einduitspraak zijn drie jaren en een maand zijn verstreken. Daarmee is in beide situaties sprake van een overschrijding van de redelijke termijn, die geheel is toe te rekenen aan de rechtbank.
8.2.2.
Vervolgens stelt de rechtbank vast dat de rechtbank Arnhem zich in de hiervoor aangehaalde uitspraak reeds heeft uitgelaten over het verzoek om schadevergoeding van eiser. De rechtbank oordeelde dat - gelet op de specifieke omstandigheden van die zaak - moeilijk volgehouden kon worden dat eiser immateriële schade heeft geleden waarvoor hij moet worden gecompenseerd. Het verzoek om schadevergoeding is voor de periode tot 12 november 2025 dan ook afgewezen. Eiser heeft voor zover bekend geen hoger beroep ingesteld, zodat het oordeel van de rechtbank vaststaat.
8.2.3.
Thans ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of er vanaf 12 november 2025 tot heden wel aanleiding bestaat immateriële schade aan te nemen. Nu eiser zonder bericht niet is verschenen op de zitting van 7 juli 2026 en ook het dossier hierover geen enkel aanknopingspunt bevat, ziet de rechtbank geen aanleiding in de huidige situatie anders te oordelen over de door eiser gestelde geleden immateriële schade in de vorm van spanning en frustratie, dan de rechtbank Arnhem eerder deed. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding daarom ook voor de periode na 12 november 2025 af.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.