Rechtbank Noord-Nederland, eerste aanleg - enkelvoudig bestuursrecht overig

ECLI:NL:RBNNE:2026:3478

Op 4 August 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is 25/2136, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNNE:2026:3478. De plaats van zitting was Groningen.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
25/2136
Datum uitspraak:
4 August 2026
Datum publicatie:
17 August 2026

Indicatie

Varia. Deze uitspraak gaat over het besluit van de burgemeester om een last onder dwangsom op te leggen aan eiser, vanwege het zich ophouden op een openbare plaats met het kennelijke doel om drugs te dealen. Eiser is het daar niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is.

De bestuurlijke rapportage bevat voldoende concrete informatie om de overtreding aannemelijk te maken. De niet onderbouwde ontkenning door eiser en het door hem geschetste alternatieve scenario maken niet dat er voldoende grond is voor twijfel aan de bevindingen van de politie. De burgemeester heeft mogen aannemen dat sprake was van een overtreding en is dus bevoegd. De dwangsom is terecht opgelegd aan eiser. Ook heeft de burgemeester in redelijkheid gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid. Het besluit is dus niet onevenredig.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 25/2136

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S.R. Nahar),

en

De burgemeester van de gemeente Leeuwarden, de burgemeester

(gemachtigden: L. van der Zee en J. van der Velde).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de burgemeester om een last onder dwangsom (Voetnoot 1) op te leggen aan eiser. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. In de bijlage staan wetsartikelen die in deze uitspraak van belang zijn.

Procesverloop

Procesverloop
2.1.

Met het primaire besluit van 12 september 2024 heeft de burgemeester aan eiser een last onder dwangsom voor onbepaalde tijd opgelegd, vanwege het zich ophouden op een openbare plaats met het kennelijke doel om drugs te dealen. (Voetnoot 2) Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt door eiser.

2.2.

Met het bestreden besluit van 8 mei 2025 op het bezwaar van eiser is de burgemeester bij het primaire besluit gebleven.

2.3.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.4.

De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Eloise als tolk Papiaments en de gemachtigden van de burgemeester.

Beoordeling door de rechtbank

Mocht de burgemeester de last onder dwangsom opleggen aan eiser?

3. Eiser stelt dat de last onder dwangsom aan hem niet mocht worden opgelegd. Hij voert daartoe het volgende aan.

3.1.

Een last alleen kan worden opgelegd als er een overtreding heeft plaatsgevonden, waarbij er gevaar is voor herhaling. Maar daar is volgens eiser geen sprake van. Eiser ontkent namelijk de overtreding en voert aan dat er sprake is van gebrekkig politieonderzoek. Hij verwijst daarbij naar de stukken en voert aan dat het politieonderzoek enkel is gebaseerd op aannames en interpretaties. De handeling die plaatsvond, had namelijk niets te maken met het verhandelen van drugs. Eiser leende een tientje uit aan een vriend en dat gebaar is op dat moment door de agenten geïnterpreteerd als een drugsgerelateerde transactie. Eiser stelt zich op het standpunt dat de burgemeester nader onderzoek had moeten doen om te beoordelen of de rapportage aan de besluitvorming ten grondslag kon worden gelegd. Zo hadden processen-verbaal kunnen worden opgevraagd van de doorzoekingen in eisers auto en woning. Daar zijn namelijk geen drugs aangetroffen. Verder had de getuige nader gehoord kunnen worden. Door dit nader onderzoek na te laten is de besluitvorming door de burgemeester onzorgvuldig.

3.2

Verder voert eiser aan dat het opleggen van de last onder dwangsom voor hem een onevenredige uitwerking heeft. In het openbare gebied waar de toezichthouders extra waakzaam zijn, bevindt zich de horecagelegenheid waar eiser altijd zijn vrienden ontmoet. Eiser wordt daar op dit moment dermate in de gaten gehouden, dat elke willekeurige interactie op straat voor hem verstrekkende gevolgen kan hebben als dit weer verkeerd wordt geïnterpreteerd. Eiser komt er daarom nu helemaal niet meer. De last beperkt hem dus in zijn bewegingsvrijheid en eiser ziet zijn vrienden ook niet meer. Het is daarom een erg zware sanctie in verhouding met het doel waarvoor deze is opgelegd.

3.3.

Tot slot merkt eiser op dat de mogelijkheid van het indienen van een verzoek opheffing van de last onder dwangsom (Voetnoot 3), dit alles niet anders maakt. Weliswaar biedt dit enig perspectief, maar eiser is dan wel opnieuw overgeleverd aan het bestuursorgaan dat eerder al onjuist heeft gehandeld.

4. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat hij de last onder dwangsom mocht opleggen aan eiser. Hij voert daartoe het volgende aan.

4.1.

Uit de bestuurlijke rapportage blijkt voldoende dat eiser de overtreding heeft begaan. De waarnemingen zijn gedaan door de Criminele Interventie Groep, een specialistisch politieteam dat zich bezighoudt met opsporing van drugcriminaliteit. Uit de rapportage blijkt dat er zich drie bij het politieteam bekende harddrugsgebruikers ophielden, kennelijk in afwachting van eiser. Er is waargenomen dat er vervolgens een transactie plaatsvond tussen eiser en een van de harddrugsgebruikers. Ook voldoet eiser aan het signalement dat een van de afnemers van zijn dealer heeft gegeven. Dat eiser zich in het gebied heeft opgehouden met het kennelijke doel om drugs te dealen, is daarom voldoende aannemelijk. De burgemeester ziet niet in waarom de bestuurlijke rapportages onvoldoende grondslag bieden voor zijn besluit. Het alternatieve aangedragen scenario van eiser over het uitlenen van een tientje aan een bij de politie bekende harddrugsgebruiker, is volgens de burgemeester ongeloofwaardig.

4.2.

Verder stelt de burgemeester zich op het standpunt dat het opleggen van de last onder dwangsom geen onevenredige uitwerking heeft voor eiser. Hij wordt door de last niet beperkt in zijn bewegingsvrijheid en er volgt ook geen dwangsom, zolang eiser dezelfde overtreding niet begaat. De burgemeester licht toe dat in het geval van eiser juist de nadruk ligt op het voorkomen van herhaling, omdat al viermaal eerder is waargenomen dat eiser zich ophoudt met personen die betrokken zijn bij vermoedelijke drugshandel.

5. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgronden van eiser niet slagen. Zij overweegt daartoe als volgt.

5.1.

Wanneer het gaat om het handhaven van de openbare orde, dan is de burgemeester bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen in het geval van een overtreding. (Voetnoot 4) Deze bevoegdheid is in deze zaak nader uitgewerkt in de APV en de Beleidsregel. In het bestuursrecht geldt dat het begaan van de overtreding aannemelijk gemaakt moet worden. Daarbij moet rekening gehouden worden met vaste rechtspraak dat een bestuursorgaan in beginsel mag afgaan op de juistheid van de bevindingen die daarin zijn opgetekend. (Voetnoot 5) Als die bevindingen worden betwist, moet er wel voldoende grond bestaan voor twijfel aan die bevindingen. Alleen het tegenspreken, het opwerpen van stellingen, of het schetsen van een alternatief scenario, is dan dus niet voldoende.

5.2.

Naar het oordeel van de rechtbank bevat de bestuurlijke rapportage voldoende concrete informatie om de overtreding aannemelijk te maken. De niet onderbouwde ontkenning door eiser en het door hem geschetste alternatieve scenario maken niet dat er voldoende grond is voor twijfel aan de bevindingen van de politie. De burgemeester heeft mogen aannemen dat sprake was van een overtreding en is dus bevoegd. Hij mocht de last onder dwangsom opleggen aan eiser.

5.3.

Het besluit is ook niet onevenredig. De belangenafweging die in deze zaak moet worden gemaakt gaat over het maatschappelijk belang van het handhaven van de openbare orde, tegenover het persoonlijk belang van eiser. In hetgeen eiser heeft aangevoerd kunnen geen bijzondere omstandigheden worden gevonden die maken dat de burgemeester had moeten afzien van het besluit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester aan het doel dat met de last gediend wordt meer gewicht mogen toekennen dan aan het persoonlijk belang van eiser. Het staat eiser immers vrij zijn vrienden te ontmoeten zolang van overtredingen geen sprake is. De burgemeester heeft in redelijkheid gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. de Jonge, rechter, in aanwezigheid van

K.D. Bosklopper, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 5:31d

Onder last onder dwangsom wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a.een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b.de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Artikel 5:34

(…)

2 Het bestuursorgaan dat een last onder dwangsom heeft opgelegd, kan op verzoek van de overtreder de last opheffen indien de beschikking een jaar van kracht is geweest zonder dat de dwangsom is verbeurd.

Algemene Plaatselijke Verordening Leeuwarden

Afdeling 11 Drugsoverlast (3)

Artikel 2:74 Verzameling van personen in verband met drugs of heling

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Beleidsregel drugshandel op straat

Artikel 1 Algemeen

1. Na overtreding van artikel 2:74 APV wordt door de politie of een medewerker van de dienst ‘’Handhaving Veiligheidsdomein een bestuurlijke rapportage of een proces verbaal overlegd aan de burgemeester die vervolgens aan de betreffende overtreder een last onder dwangsom oplegt;

(…)

Voetnoot

Voetnoot 1

Artikel 5:31d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Voetnoot 2

Dit is met toepassing van artikel 1, van de Beleidsregel drugshandel op straat (de Beleidsregel), in samenhang met artikel 2:74 van de Algemene Plaatselijke Verordening Leeuwarden (APV).

Voetnoot 3

Raadpleeg hiervoor artikel 5:34, tweede lid, van de Awb.

Voetnoot 4

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) met vindplaats ECLI:NL:RVS:2022:400.

Voetnoot 5

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling met vindplaats ECLI:NL:RVS:2017:2330.