RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. drs. C.R. Jansen),
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats] , het college
(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] uit [plaats] (derde-partij).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de bij besluit van 3 juni 2026 aan derde-partij opgelegde last onder bestuursdwang. Die last houdt in dat derde-partij het stallen van een bus achter zijn woning aan de [adres] in [plaats] moet beëindigen, omdat dat in strijd is met het omgevingsplan. Het college heeft de begunstigingstermijn gesteld op drie maanden. Verzoekster is het niet eens met die begunstigingstermijn. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter treft in deze uitspraak een voorlopige voorziening. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
Procesverloop
2. Bij brief van 26 september 2025 heeft verzoekster het college verzocht handhavend op te treden tegen een permanent gestalde bus op het perceel achter de woning aan de [adres] in [plaats] .
2.1.
Op 10 november 2025 heeft het college een controle verricht.
2.2.
Bij brief van 20 november 2025 heeft het college de beslistermijn verdaagd.
2.3.
Op 2 februari 2026 heeft verzoekster het college in gebreke gesteld. Op 23 februari 2026 heeft verzoekster beroep ingesteld wegens niet tijdig beslissen.
2.4.
Bij brief van 19 maart 2026 heeft het college derde-partij bericht voornemens te zijn om handhavend op te treden.
2.5.
Bij besluit van 17 april 2026 heeft het college vastgesteld dat het aan verzoekster een dwangsom verschuldigd is wegens niet tijdig beslissen..
2.6.
Bij brief van 5 mei 2026 heeft verzoekster een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening.
2.7.
In de uitspraak van 8 mei 2026 heeft de rechtbank het beroep wegens niet tijdig beslissen gegrond verklaard. Verzoekster heeft het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken.
2.8.
Op 28 mei 2026 heeft een zienswijzegesprek plaatsgevonden tussen het college en derde-partij.
2.9.
Bij het primaire besluit heeft het college derde-partij gelast om binnen drie maanden en uiterlijk op 2 augustus 2026 de overtreding te beëindigen.
2.10.
Verzoekster heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Voorts heeft zij een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening.
2.11.
Bij besluit van 14 juli 2026 heeft het college een herstelbesluit genomen, waarbij derde-partij is gelast om uiterlijk 2 september 2026 de overtreding te beëindigen.
2.12.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens verzoekster haar gemachtigde (via teams) en J. Arbouw en namens het college de genoemde gemachtigden.
Overwegingen
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Als tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3.1.
Verzoekster stelt dat het spoedeisend belang er in is gelegen dat zij veel overlast heeft van de bus en het gebruik daarvan. Derde-partij start de bus regelmatig. Dat leidt tot geluid- en stankoverlast, waardoor de leefbaarheid van haar woning en tuin wordt aangetast. Zeker nu het zomer is wil zij buiten kunnen leven, wat door de overlast van de onmogelijk is. Weliswaar is de gegeven begunstigingstermijn van drie maanden bijna voorbij, maar het is de vraag of het college na afloop van de begunstigingstermijn daadwerkelijk gaat handhaven. Verzoekster heeft daar gelet op de voorgeschiedenis een hard hoofd in.
3.2.
Het college stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van spoedeisend belang. Verzoekster heeft na het bestuursdwangbesluit van 3 juni 2026 meer dan vier weken gewacht met het vragen om een voorlopige voorziening. Bovendien heeft verzoekster vervolgens verzocht om met het plannen van een zitting rekening te houden met drie en een halve week vakantie van haar gemachtigde.
3.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster voldoende spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Weliswaar is al een groot deel van de begunstigingstermijn verstreken, maar dat neemt niet weg dat er nog een aantal weken resteren tot het einde van de begunstigingstermijn. Bovendien betekent het einde van de begunstigingstermijn nog niet noodzakelijkerwijs dat de bus dan ook echt weg is. Gelet op de omvang van de door verzoekster ervaren overlast kan verzoekster baat hebben bij een voorlopige voorziening.
Ten aanzien van de inhoud
4. Ter zitting is aangevoerd dat verzoekster het verzoek om voorlopige voorziening heeft ingediend, niet alleen omdat de bus is gestald in strijd met het geldende bestemmingsplan, maar ook omdat zij overlast ervaart van het dagelijks starten van de bus en de daarin geplaatste racewagen, het stallen in de bus van crossmotoren, en het rijden daarmee op het pad naast het perceel van verzoekster en het stallen van bedrijfsvoertuigen en campers op het weiland. De voorzieningenrechter stelt vast dat het oorspronkelijke verzoek om handhaving slechts betrekking heeft op het stallen van de bus in strijd met het omgevingsplan. Ook het besluit van 3 juni 2026 gaat alleen over het stallen van de bus en niet over het gebruik daarvan en ook niet over andere voertuigen. Het is vaste rechtspraak dat de reikwijdte van een verzoek om handhaving na het primaire besluit niet meer kan worden uitgebreid. De voorzieningenrechter wijst hiervoor op de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2022 (Voetnoot 1).
Is de begunstigingstermijn te lang?
5. Niet in geschil is dat sprake is van een overtreding nu het stallen van de bus niet past binnen de voorschriften van het geldende omgevingsplan. Derde-partij heeft geen bezwaar gemaakt tegen het bestuursdwangbesluit van 3 juni 2026. Het college was bevoegd om handhavend op te treden. Aan de orde is slechts de vraag of de begunstigingstermijn niet onredelijk lang is.
5.1.
Verzoekster stelt dat de begunstigingstermijn te lang is, gelet op de aard van de overtreding en het feit dat deze eenvoudig kan worden beëindigd. De bus kan worden gestart en daarmee kan – in ieder geval een korte afstand – worden gereden, dus het verplaatsen daarvan hoeft geen drie maanden te kosten. Zo nodig kan derde-partij een sleepbedrijf bellen om de bus weg te slepen. Ook dat duurt geen drie maanden. Niet duidelijk is waarop de begunstigingstermijn is gebaseerd. Zij heeft veel overlast van de illegaal gestalde bus.
5.2.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat een begunstigingstermijn ertoe strekt de overtreder de gelegenheid te bieden de overtreding te beëindigen zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Als uitgangspunt geldt dat de begunstigingstermijn niet wezenlijk langer mag zijn dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn komt het bestuursorgaan enige vrijheid toe (Voetnoot 2). Voor de vraag of een begunstigingstermijn in redelijkheid kan worden gesteld, is slechts van belang of binnen die termijn aan de last kan worden voldaan. (Voetnoot 3)
5.3.
Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college onvoldoende onderbouwd waarom is gekozen voor een termijn van drie maanden. Gelet op de aard van de last, het verwijderen van de bus, valt niet in te zien dat deze niet binnen een kortere termijn kan worden uitgevoerd. Het college heeft dit ook niet onderbouwd. Evenmin is de zekerheid verkregen dat direct na afloop van de begunstigingstermijn gehandhaafd wordt als de overtreding niet is beëindigd. De voorzieningenrechter kan zich voorstellen dat verzoekster daar weinig vertrouwen in heeft, nu na haar handhavingsverzoek circa negen maanden, een ingebrekestelling en een beroep-niet-tijdig nodig waren voor een handhavingsbesluit, terwijl al op 12 november 2025 door de toezichthouder was vastgesteld dat het stallen van de bus in strijd was met het omgevingsplan.
5.4.
Op de zitting heeft het college, na telefonisch overleg, desgevraagd toegezegd dat op 3 september 2026 zal worden gecontroleerd of de overtreding is beëindigd. Als de overtreding dan niet is beëindigd wordt in een veiligheidsoverleg besproken wat er voor nodig is om tot verwijdering van de bus te komen. Dit zou er toe moeten leiden dat binnen maximaal 14 dagen na 3 september 2026 feitelijk bestuursdwang wordt toegepast door het verwijderen van de bus. Dat betekent dat de bus ofwel voor 3 september 2026 door derde-partij zelf wordt verplaatst, ofwel, als dat niet gebeurt, het college dat bij wijze van bestuursdwang zal doen op uiterlijk 17 september 2026.
5.5.
Gelet op de langdurige voorgeschiedenis en het feit dat niet in geschil is dát de bus verwijderd moet worden, ziet de voorzieningenrechter aanleiding deze toezegging van het college over te nemen in een voorlopige voorziening en daaraan een dwangsom te verbinden. Die dwangsom houdt in dat het college aan verzoekster een dwangsom verbeurt van € 100,- voor iedere dag na 17 september 2026 dat het college geen uitvoering geeft aan het bestuursdwangbesluit van 3 juni 2026. Voor wat betreft de hoogte van de dwangsom sluit de voorzieningenrechter aan bij de dwangsom die door de bestuursrechter wordt opgelegd bij niet-tijdig beslissen. Na de ingebrekestelling en het beroep-niet-tijdig (om te komen tot een handhavingsbesluit) en de lange begunstigingstermijn zou het namelijk onwenselijk zijn als verzoekster om te komen tot uitvoering van dat bestuursdwangbesluit eerst nog een verzoek om toepassing van bestuursdwang (als bedoeld in artikel 5:31a, van de Awb), zou moeten doen.
5.6
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het treffen van een voorziening op kortere termijn. Daarbij speelt een rol dat verzoekster meer dan vier weken heeft gewacht met het vragen van een voorlopige voorziening en vervolgens heeft verzocht om bij het plannen van de zitting rekening te houden met drie en een halve week vakantie van haar gemachtigde. Anders dan het college stelt, betekent dat niet dat het spoedeisend belang helemaal is verdwenen, maar wel dat geen reden bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening op een kortere termijn dan in r.o. 5.5 omschreven.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek deels toe en gelast het college, voor het geval op 3 september 2026 de bus niet is verwijderd van de betreffende locatie, om uiterlijk op 17 september 2026 met toepassing van bestuursdwang de overtreding te beëindigen en de bus te verwijderen. Doet het college dat niet, dan verbeurt het college vanaf 18 september 2026 aan verzoekster een dwangsom van € 100,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 15.000,-.
6.1.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat het college het griffierecht moet vergoeden en dat verzoekster ook een vergoeding krijgt van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt in totaal € 1.868,-.
Beslissing
Beslissing
- gelast het college, voor het geval de bus op 3 september 2026 niet is verwijderd van de betreffende locatie, om uiterlijk op 17 september 2026 met toepassing van bestuursdwang de overtreding te beëindigen en de bus te verwijderen;
- bepaalt dat het college vanaf 18 september 2026 aan verzoekster een dwangsom verbeurt van € 100,- voor iedere dag dat de overtreding uit de last van 3 juni 2026 voortduurt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R. van der Velde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.K. Heiting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een kopie van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: