Procesverloop
Procesverloop
Bij besluit van 19 maart 2024 (het primaire besluit) heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van reclame op een overkapping van een pompeiland, het plaatsen van een prijzenbord, het veranderen van de carwash en het wijzigen van het gebruik van een deel van de gronden op het perceel Dilledyk 1 te Easterwierrum (het perceel).
In het besluit van 30 juli 2024 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 29 augustus 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens derde-partij is S.S. Sypersma verschenen.
Overwegingen
Overwegingen
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
1.1.
De aanvraag is ingediend op 22 augustus 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Feiten en omstandigheden
2. Eiser is eigenaar van het perceel [adres] , gelegen aan de overzijde van het perceel. Vanuit zijn woning heeft hij zicht op het perceel.
2.1.
Derde-partij heeft een omgevingsvergunning aangevraagd ter legalisering van een reeds bestaande carwash, de op de overkapping van het pompeiland aangebrachte reclame en een prijzenbord.
2.2.
Met het primaire besluit heeft het college deze vergunning verleend. Met het bestreden besluit heeft het college de motivering van de verleende omgevingsvergunning aangepast.
2.3.
Ten tijde van het bestreden besluit gold voor het perceel het bestemmingsplan ‘Buitengebied Súdwest Fryslân II’ (het bestemmingsplan). Op het perceel rustte , voor zover hier relevant, de bestemming ‘Bedrijf’ met ter plaatse van het prijzenbord de bouwaanduiding ‘specifiek bouwaanduiding – afwijkende bouwhoogte’.
Omvang geding
3. Eiser gaat in het beroep niet alleen in op het bestreden besluit. Hij voert ook het nodige aan over de vaststelling van het bestemmingsplan en de totstandkoming van een eerdere vergunning in 2014, over handhaving en hoe hij behandeld is door het college. In deze procedure ligt de vraag voor of het bestreden besluit rechtmatig is. De rechtbank zal daarover oordelen.
3.1.
De beroepsgronden die gaan over de vaststelling van het bestemmingsplan kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Ten tijde van het bestreden besluit gold het bestemmingsplan. Partijen hebben op zitting toegelicht dat over dat bestemmingsplan nog een beroepsprocedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) aanhangig was. Dat betekent echter niet dat het bestemmingsplan niet in werking was getreden. Het college heeft de aanvraag aan dit bestemmingsplan getoetst. Dat is ook terecht.
3.2.
De gronden die eiser aanvoert over het bestemmingsplan kunnen aan de orde komen in het beroep bij de Afdeling. De rechtbank beoordeelt deze niet in deze beroepszaak. Ook over de vergunning die in 2014 is verleend, kan de rechtbank geen oordeel geven. Daarover gaat deze beroepsprocedure niet. Dat geldt ook voor handhaving(sprocedures). Dit alles valt buiten deze beroepsprocedure over het bestreden besluit. De handelwijze van het college kan alleen aan de orde komen voor zover dit raakt aan de procedure en besluitvorming van het bestreden besluit.
4. Eiser voert enkele beroepsgronden aan die gaan over de procedure en de handelwijze van het college. Verder richt het beroep zich tegen drie onderdelen van het bestreden besluit, te weten de plaatsing van de reclamezuil, de (ver)plaatsing van de carwash en de plaatsing van de Texaco-letters op de overkapping van het pompeiland. De rechtbank zal hieronder eerste de procedurele gronden bespreken en daarna de overige gronden.
Procedure en handelwijze college
5. Eiser voert aan dat de heroverweging in bezwaar mogelijk niet volledig is geweest. Hij stelt dat de commissie bezwaarschriften zijn bezwaren samengevat heeft en dat deze niet puntsgewijs beoordeeld zijn.
5.1.
De rechtbank overweegt dat uit het beroepschrift niet blijkt wat volgens eiser niet is meegenomen in de heroverweging in bezwaar. Ook op zitting heeft eiser niet aan kunnen geven welke bezwaargronden niet door het college behandeld zijn. Deze beroepsgrond is daarmee onvoldoende concreet. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd daarom geen grond voor het oordeel dat er geen volledige heroverweging heeft plaatsgevonden.
6. Voorts meent eiser dat de aanvraag al verlopen was voordat er besloten was op de aanvraag van derde-partij.
6.1.
Anders dan eiser mogelijk veronderstelt, is er geen rechtsregel die bepaalt dat een aanvraag niet meer geldig is door tijdsverloop. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. Voor zover eiser zou willen stellen dat er een vergunning van rechtswege is verleend, is het de rechtbank niet gebleken dat daarvan sprake zou zijn.
7. Eiser voert aan dat het primaire besluit ten onrechte niet (tijdig) gepubliceerd is, waardoor potentiële bezwaarmakers gedupeerd zijn. Dat hij wel bezwaar heeft kunnen maken, komt voornamelijk doordat het primaire besluit aan hem toegezonden is.
7.1.
Het primaire besluit is bekendgemaakt door toezending aan derde-partij op 19 maart 2024. De bezwaartermijn is gaan lopen op de dag na die toezending aan de derde-partij. Dat staat in artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank constateert dat eiser tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit. Het is juist dat de mededeling van de vergunningverlening in het gemeenteblad pas op 3 mei 2024 heeft plaatsgevonden. Eiser is hierdoor echter niet benadeeld. Ook is niet gebleken dat andere belanghebbenden hierdoor zijn benadeeld. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
8. Eiser heeft het gevoel dat het gemeentebestuur hem niet serieus neemt. Het is hem niet gelukt om in gesprek te komen met de burgemeester of raadsleden, ondanks schriftelijke verzoeken. Daardoor voelt eiser zich benadeeld. Het steekt eiser bovendien hoeveel moeite het college doet om derde-partij te adviseren en te helpen zijn plannen te realiseren, terwijl omwonenden hier last van hebben.
8.1.
De rechtbank begrijpt dat eiser zich er hiermee op beroept dat het verbod van vooringenomenheid als bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, van de Awb wordt geschonden. De rechtbank is van oordeel dat uit hetgeen eiser naar voren heeft gebracht niet blijkt van vooringenomenheid van het college. Dat het college medewerking wil verlenen aan de aanvraag van derde-partij betekent niet dat het college vooringenomen is. Het college dient wel de bij het besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen en het college moet eiser in de gelegenheid stellen zijn bezwaren tegen de vergunning kenbaar te maken. Het is de rechtbank niet gebleken dat het college de belangen van derde-partij op voorhand zwaarder heeft laten wegen dan de belangen van eiser. Het is de rechtbank evenmin gebleken dat eiser niet de gelegenheid heeft gekregen om zijn bezwaren tegen het besluit kenbaar te maken. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om vooringenomenheid van het college aan te nemen.
Prijzenbord
9. De omgevingsvergunning heeft mede betrekking op de plaatsing van een prijzenbord (ook wel reclamezuil) bij het bedrijf van vergunninghouder. Eiser is het hiermee niet eens. Volgens eiser is deze hoger dan de aangevraagde 7,2 meter. Ook vindt eiser dat de toegestane hoogte onnodig is. De zuil is prominent en storend aanwezig voor eiser. De zuil is bovendien steeds zichtbaarder geworden omdat derde-partij de gesloten bomenrij die het zicht beperkte, beetje bij beetje verwijderd heeft. De gegeven motivering voor de buitenplanse afwijking snijdt volgens eiser geen hout, omdat de zuil er niet al lang staat en bovendien illegaal geplaatst is. Eiser vraagt zich bovendien af of het college gebruik heeft mogen maken van zijn buitenplanse afwijkingsbevoegdheid of dat hier voorwaarden aan verbonden zijn, zoals het dienen van het algemeen belang.
9.1.
Deze beroepsgrond van eiser slaagt niet.
9.2.
Ter plaatse van het prijzenbord geldt de ‘specifieke bouwaanduiding – afwijkende hoogte’. Op grond van artikel 5.2, onder e, onder 3, van de planregels mag de bouwhoogte van overige bouwwerken op deze locatie 6 meter hoog zijn. Uit de bij de aanvraag behorende tekeningen blijkt dat het prijzenbord 7,2 meter hoog is en dat voor het peil is uitgegaan van de vloer van het pompeiland. Het peil is in artikel 1.66, van de planregels gedefinieerd als “de bovenzijde van de afgewerkte begane grondvloer”. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval de vloer van het pompeiland terecht als peil is aangehouden. De vergunning is daarmee verleend voor een prijzenbord van 7,2 meter hoog. Voor zover eiser wil stellen dat het prijzenbord feitelijk hoger is dan de vergunde 7,2 meter, is dat een kwestie van handhaving.
9.3.
Het bouwplan is in strijd met de hiervoor in 9.2 genoemde bouwregel. Daarom heeft het college niet alleen de bouwactiviteit vergund, maar ook de activiteit “gebruik in strijd met het bestemmingsplan”. (Voetnoot 1) Het criterium voor een dergelijke afwijkingsvergunning is dat de afwijking van het bestemmingsplan niet leidt tot strijd met een goede ruimtelijke ordening. Het college komt bij deze beslissing beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
9.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft de belangen van eiser betrokken, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat die belangen niet hoefden te leiden tot weigeren van de vergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan. De rechtbank acht het standpunt van het college dat het feit dat eiser (enig) zicht heeft op het prijzenbord niet maakt dat er sprake is van een onevenredige aantasting van zijn leefomgeving, niet onredelijk. Het college heeft bij de afweging bovendien van belang mogen achten dat ter plaatse een bouwwerk van 6 meter al was toegestaan en dat het hier gaat om een relatief beperkte afwijking. De rechtbank kan het standpunt van het college bovendien volgen dat de effecten van een prijzenbord met de toegestane hoogte niet veel groter zijn dan van een prijzenbord van 6 meter door te wijzen op de geringe oppervlakte van het prijzenbord. Ook het feit dat de welstandscommissie positief heeft geoordeeld over het prijzenbord heeft het college van belang mogen achten. De rechtbank acht de conclusie van het college dat de afwijking niet leidt tot strijd met een goede ruimtelijke ordening niet onredelijk.
Wasstraat; bouwregels bestemmingsplan
10. Eiser vindt dat het gebouw van de wasstraat in strijd is met de bouwregels van het bestemmingsplan. Het is volgens eiser te hoog. Daartoe stelt eiser dat in het bestreden besluit een onjuist uitgangspunt is genomen voor het meten van de bouwhoogte. Ten onrechte zou de onderkant van een afwerkplank als goothoogte zijn genomen en niet de bovenkant van het dak.
10.1.
Het college stelt dat de carwash zowel qua bouwhoogte als qua goothoogte voldoet aan de regels van het bestemmingsplan. Het pand heeft één bouwlaag met kap. De totale hoogte van het gebouw bedraagt 4,53 meter, wat valt binnen de maximale bouwhoogte van 10 meter. De kap bestaat uit twee lage ronde bogen. De hoogte van het pand zonder kap en boeiboord, bedraagt 3,45 meter. Het college stelt zich op het standpunt dat dit de goothoogte is en dat daarmee voldaan wordt aan de maximale goothoogte van 4,5 meter.
10.2.
De rechtbank is van oordeel dat de wasstraat voldoet aan de bouwregels van het bestemmingsplan. In artikel 5.2, onder b, van de planregels is geregeld dat de bouwhoogte van een gebouw niet meer dan 10 meter mag bedragen en de goothoogte niet meer dan 4,5 meter. Niet ter discussie staat dat de bouwhoogte van de wasstraat niet hoger is dan 10 meter. De discussie spitst zich toe op de goothoogte. In artikel 2.6 de planregels is in geregeld dat de goothoogte moet worden gemeten “vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel”.
De wasstraat is afgedekt met een gebogen kap. Die bogen zijn visueel afgeschermd door planken. Op zitting is uiteengezet dat aan de onderkant van deze planken een goot aanwezig is en dat deze planken aan de bovenkant niet afgedekt zijn met een kap maar alleen een visuele functie. Verder hebben deze geen (constructieve) functie. Vallend regenwater komt direct op de bogen, druipt van de bogen af en watert dan af in de goten. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat het college de goothoogte in dit geval op goede grond niet aan de bovenkant, maar aan de onderkant van de planken heeft genomen. Het college is dus uitgegaan van een juiste goothoogte van 3,45 meter. Het bouwplan is daarom niet in strijd met de bouwregels. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Wasstraat: Bouwbesluit 2012
11. Eiser stelt dat het bouwplan voor de wasstraat in strijd is met het Bouwbesluit 2012. Hij voert aan dat niet aan de daarin opgenomen geluidnormen wordt voldaan.
11.1.
De rechtbank oordeelt dat van strijd met het Bouwbesluit 2012 niet is gebleken. Het Bouwbesluit 2012 kent geen normen voor geluid op de woning of het perceel van eiser. Dat geldt ook voor de woning op het perceel van vergunninghouder zelf. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Wasstraat: overlast
12. Eiser voert verder aan dat hij (geluid)overlast van de wasstraat ervaart. Dit kan echter in dit geval niet leiden tot weigering van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de wasstraat. In artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo is het toetsingskader opgenomen voor een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit. Dit is een limitatief-imperatief stelsel. Dat betekent dat de vergunning verleend moet worden als de aanvraag niet in strijd is met een van de daar genoemde criteria. Eén van de toetsingscriteria is of het bouwplan past binnen de planregels van het bestemmingsplan. De wasstraat is niet in strijd met het bestemmingsplan. Op grond van lid 5.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn op het perceel bedrijven in categorie 1 en 2 van de ‘Staat van bedrijven’ toegestaan. Zowel een autoservicebedrijf, benzineservicestation (zonder LPG) als een autowasserij zijn in de ‘Staat van bedrijven’ opgenomen als bedrijf in categorie 2. Daar valt de vergunde wasstraat ook onder.
12.1.
Omdat het bouwplan in overeenstemming is met de planregels is er in dit geval geen ruimte voor het college om belangen af te wegen waarbij mogelijke overlast voor omwonenden een rol kan spelen. De gestelde overlast, wat daar verder van zij, kan in dit geval niet leiden tot de weigering van de omgevingsvergunning voor het bouwplan dat in overeenstemming is met de planregels. Voor zover eiser een beroep heeft willen doen op de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer, is van belang dat het Activiteitenbesluit milieubeheer geen toetsingskader vormt voor een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit. Ook dat blijkt uit artikel 2.10 van de Wabo. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Wasstraat: uitvoerbaarheid vergunning
13. Eiser stelt tot slot dat de wasstraat niet op deze plaats gerealiseerd kan worden, omdat in een eerdere vergunning van 2014 was bepaald dat hier een groenstrook aangelegd moest worden.
13.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De wasstraat zoals die is vergund, is in overeenstemming met de regels van het bestemmingsplan. Het bestreden besluit is daaraan getoetst. Dat er in een eerdere vergunning een groenstrook zou zijn voorgeschreven, zoals eiser stelt en wat daar verder van zij, levert geen weigeringsgrond op voor het aangevraagde bouwplan.
Reclame
14. Met het primaire besluit heeft het college onder meer de reclame op de overkapping van het pompeiland vergund. Eiser voert aan dat niet alleen de letters TEXACO vergund zijn, maar ook de overkapping omdat deze ook op de tekening staat. Daarbij noemt hij dat de overkapping anders geplaatst is dan vergund. Verder stelt eiser dat de reclame in strijd is met redelijke eisen van welstand. Hij verwijst daarvoor naar het welstandsadvies van 9 december 2022. Eiser stelt dat het college ten onrechte geconcludeerd heeft dat de reclame ondergeschikt is aan de overkapping. Dat wordt volgens eiser ook versterkt door de verlichting.
14.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de reclame onderdeel is van en ondergeschikt is aan de overkapping en als zodanig vergund is. De overkapping inclusief reclame voldoet volgens het college ook aan de regels van het bestemmingsplan. In het verweerschrift vult het college daarop aan dat reclame-uitingen op een tankeiland normaliter groter zijn dan de dakrand van een tankeiland en is van mening dat afgeweken kan worden van het welstandsadvies omdat het vergunnen van de reclameletters geen onevenredige afbreuk doet aan de omgeving.
14.2.
De rechtbank volgt eisers stelling niet dat de vergunning ook is verleend voor de overkapping waarop de reclame is aangebracht. De vergunning is aangevraagd voor de reclame (de letters en het logo van TEXACO) op de overkapping. Dat blijkt uit het aanvraagformulier. Uit het primaire besluit blijkt vervolgens dat ook alleen hiervoor omgevingsvergunning is verleend. In het primaire besluit is aangegeven dat de overkapping van het pompeiland al eerder was vergund. Dat de overkapping zou zijn gerealiseerd in afwijking van de daarvoor eerder verleende vergunning, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Indien dat echter zo zou zijn, dan maakt dat niet dat de overkapping onderdeel is van het primaire besluit. De tekst van de aanvraag en het primaire besluit zijn daarover voldoende duidelijk.
14.3.
Eiser heeft de welstandstoets bestreden. De rechtbank komt hierover tot het oordeel dat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft. De rechtbank licht dat hierna verder toe.
14.3.1.
De omgevingsvergunning is mede verleend voor de bouw van de reclame-uitingen op de overkapping van het pompeiland. (Voetnoot 2) De omgevingsvergunning hiervoor moet worden geweigerd indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand. Dat is alleen anders indien het college tot het oordeel komt dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend. (Voetnoot 3)
14.3.2.
Hûs en Hiem Welstandsadvisering en Monumentenzorg (de welstandscommissie) heeft op 9 december 2022 aan het college een welstandsadvies uitgebracht. De conclusie van dit advies is dat de aanvraag niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Over de reclame-uitingen heeft Hûs en Hiem geconcludeerd dat deze door hun in verhouding tot de overkapping forse afmetingen een nadrukkelijk en onvoldoende ondergeschikt beeld opleveren. De lichtuitstraling versterkt de kritiek, aldus het advies. Het college heeft met het primaire besluit vergunning verleend ondanks dit welstandsadvies. In het bestreden besluit is het college daar niet van teruggekomen.
14.3.3.
De rechtbank overweegt dat het college niet gebonden is aan het (negatieve) advies van de welstandscommissie. Het college kan op twee manieren tot de conclusie komen dat toch een omgevingsvergunning moet worden verleend. Het college kan in de eerste plaats van het advies afwijken indien het college tot het oordeel komt dat het advies van de welstandscommissie over redelijke eisen van welstand niet deugdelijk is. Het college stelt dan zijn eigen (gemotiveerde) welstandsoordeel in de plaats van die van de welstandscommissie, waarbij het college zich op het standpunt stelt dat wel aan redelijke eisen van welstand wordt voldaan. Indien het college het wel eens is met het advies van de welstandscommissie, kan in de tweede plaats een omgevingsvergunning worden verleend indien het college van oordeel is dat de vergunning toch moet worden verleend. Het college kan dan een vergunning verlenen, ondanks dat niet voldaan wordt aan redelijke eisen van welstand. Dat kan op grond van overwegingen van algemeen belang, zoals economische of maatschappelijke belangen, maar ook op overwegingen die niet zien op het algemeen belang, zoals individuele omstandigheden die de aanvrager betreffen. (Voetnoot 4)
14.3.4.
Uit het primaire besluit en uit het bestreden besluit blijkt niet of het college van het welstandsadvies is afgeweken omdat het college het advies onjuist vond of dat het college het advies kon volgen, maar toch op basis van een belangenafweging een omgevingsvergunning heeft willen verlenen. Het college heeft aangegeven dat is afgeweken van het advies. Verder is aangegeven dat de reclame-uitingen niet storend zijn voor de omgeving. Het college geeft daarbij aan dat er onderzoek is gedaan naar de lichtuitstoot van de reclame en dat de lichtuitstoot is afgestemd op de regelgeving. Ook zou het effect op de omgeving niet geringer worden met een kleinere reclame-uitingen. Met deze motivering in de bestreden besluitvorming wordt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende duidelijk op welke grond het college vergunning heeft verleend ondanks het negatieve welstandsadvies. Daarmee kleeft aan het besluit een motiveringsgebrek.
14.3.5.
Ter zitting heeft het college toegelicht dat is beoogd een belangenafweging te maken en dat daarbij het belang van vergunninghouder zwaarder woog dan eisers belang. In dat verband heeft het college het van belang geacht dat er een onderzoek heeft plaatsgevonden naar de lichtuitstoot, waarin geconcludeerd is dat de lichtuitstoot is afgestemd op de wet- en regelgeving hieromtrent. Dit rapport maakt echter geen onderdeel uit van het procesdossier. Wat het college aanvoert over de lichtuitstoot kan zonder nadere toelichting, die vooralsnog ontbreekt, niet leiden tot het oordeel dat in dit geval kan worden afgeweken van het negatieve welstandsadvies. Het college heeft bovendien niet toegelicht hoe de verschillende belangen, waaronder het belang van derde-partij, het belang van eiser, en ook het welstandsbelang, zijn afgewogen. Hiermee is ook de ter zitting gegeven motivering nog onvoldoende draagkrachtig om het besluit te kunnen dragen. De rechtbank ziet daarom in de ter zitting gegeven nadere toelichting geen grond om het hiervoor geconstateerde motiveringsgebrek te passeren.
Conclusie en gevolgen
15. Zoals hiervoor is overwogen onder 14.3 – 14.3.5 is het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb genomen. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.
15.1.
Om het gebrek te herstellen, moet het college eerst motiveren wat de grond is om ondanks het negatieve welstandsadvies toch de omgevingsvergunning te verlenen voor de reclame op de overkapping. Vervolgens dient het college te motiveren waarom van die grond gebruik wordt gemaakt. Indien het college het welstandsadvies om welstandsredenen onjuist acht, dient het college te motiveren waarom het bouwplan toch niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Indien het college meent dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand maar op grond van een belangenafweging toch een vergunning wordt verleend, dient het college dat deugdelijk te motiveren. Daarbij dient het college inzichtelijk te maken welke belangen een rol spelen, hoe die zijn gewogen en tot welk resultaat dat leidt. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
16. Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
17. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2013. (Voetnoot 5)
18. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
Beslissing
- draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Dijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht:
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel an het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet;
de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet;
de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;
(…)
Bestemmingsplan ‘Buitengebied Súdwest Fryslân II’
Lid 2.6 de goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
Lid 5.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. bedrijven welke genoemd zijn in categorie 1 en 2 van de bij deze regels opgenomen bijlage 5 ‘Staat van Bedrijven’;
voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
(…)
3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde ter plaatse van de ‘specifieke bouwaanduiding – afwijkende bouwhoogte’ mag niet meer dan 6 m bedragen;