Rechtbank Noord-Nederland, eerste aanleg - enkelvoudig socialezekerheidsrecht

ECLI:NL:RBNNE:2026:2737

Op 1 July 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van socialezekerheidsrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is 25/3127, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNNE:2026:2737. De plaats van zitting was Groningen.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
25/3127
Datum uitspraak:
1 July 2026
Datum publicatie:
10 July 2026

Indicatie

WIA-uitkering, verrekening van een terugvordering door het Uwv en derdenbeslag door een deurwaarder. Bezwaar tegen betaalspecificaties. De beslagvrije voet en vakantiebijslag. Artikel 4:125 Awb - geconcentreerde rechtsbescherming. Artikel 475 Rv. Het beroep is ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 25/3127

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen [naam], uit [plaats], eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv

(gemachtigde: mr. D. de Jong).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het besluit van het Uwv om maandelijks € 130,00 te verrekenen met eisers uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en over het derdenbeslag door een deurwaarder waar ook eisers vakantiebijslag onder viel. Eiser is het daarmee niet eens. Hij voert een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand daarvan beoordeelt de rechtbank het beroep.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

Inleiding en procesverloop

1. Eiser ontvangt vanaf 3 november 2014 een WIA-uitkering. Daarnaast heeft hij in 2021 en 2022 inkomsten ontvangen. Naar aanleiding van deze inkomsten heeft het Uwv eisers uitkering herzien en zijn terugvorderingen ontstaan.

1.1.

Met het besluit van 19 februari 2025 (het verrekeningsbesluit) heeft het Uwv aan eiser meegedeeld dat het vanaf 1 april 2025 maandelijks € 130,00 zal verrekenen met zijn WIA-uitkering om openstaande terugvorderingen van het Uwv te voldoen.

1.2.

Met het besluit van 26 maart 2025 heeft het Uwv aan eiser meegedeeld dat Jongejan & Wisseborn Gerechtsdeurwaarders (de deurwaarder) op 19 maart 2025 executoriaal beslag op zijn WIA-uitkering heeft gelegd. De deurwaarder heeft de beslagvrije voet vastgesteld op € 2.482,00 per maand. Het bedrag boven de beslagvrije voet moet het Uwv aan de deurwaarder betalen.

1.3.

Uit de betaalspecificaties van april, mei en juni 2025 blijkt dat het Uwv telkens € 130,00 heeft verrekend en het deel van de aan eiser toegekende WIA-uitkering boven de beslagvrije voet aan de deurwaarder heeft betaald.

2. Met het bestreden besluit van 14 augustus 2025 zijn eisers bezwaren tegen de beslagvrije voet en de betaalspecificatie van mei 2025 ongegrond, en zijn bezwaren tegen de betaalspecificaties van april en juni 2025 niet-ontvankelijk verklaard.

3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

3.1.

Eiser heeft een wrakingsverzoek ingediend, dat de wrakingskamer van de rechtbank bij beslissing van 1 april 2026 kennelijk ongegrond heeft verklaard.

3.2.

Eiser heeft vervolgens opnieuw een wrakingsverzoek ingediend, dat de wrakingskamer van de rechtbank bij beslissing van 8 april 2026 ongegrond heeft verklaard. De wrakingskamer heeft daarbij bepaald dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.

3.3.

De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het Uwv.

Standpunten van partijen
Wat vindt eiser?

4. Eiser is het niet eens met de geldigheid en de omvang van het beslag, in samenloop met de verrekening. Het Uwv had rekening moeten houden met onder meer zorg-, reis- en studiekosten van hem en zijn partner. Het inkomen van zijn partner is een stagevergoeding en telt dus niet mee voor de hoogte van de beslagvrije voet. Hij betoogt daarnaast dat het beslag op de vakantiebijslag ongeldig is als in de maand van opbouw van vakantiebijslag geen beslag lag. De tot 19 maart 2025 opgebouwde vakantiebijslag valt daarom buiten het beslag. Bepalend is namelijk het moment waarop beslag is gelegd. Zo moet volgens eiser het arrest van de Hoge Raad van 31 oktober 2014 (Voetnoot 1) worden uitgelegd. Verder betoogt eiser dat het Uwv voor elke maand waarin vakantiebijslag opgebouwd is een berekening van de beslagvrije voet had moeten maken. Hij heeft voorts aangevoerd dat artikel 4:125 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is. Op de zitting heeft eiser verklaard dat zijn beroep ook ziet op de bezwaren die hij gemaakt heeft tegen de betaalspecificaties van juli en augustus 2025 als bijkomende beschikkingen bij het verrekeningsbesluit. Anderzijds stelt eiser dat uitsluitend de Centrale Raad van Beroep (CRvB) bevoegd is het verrekeningsbesluit te behandelen, omdat de CRvB zijn hoger beroepen tegen de terugvorderingsbesluiten over 2021 (Voetnoot 2) en 2022 (Voetnoot 3) in behandeling heeft. Eiser heeft tot slot verzocht om schadevergoeding.

Wat vindt het Uwv?

5. Het Uwv heeft de beslagvrije voet uitgerekend voorafgaand aan het verrekeningsbesluit en uit coulance € 130,00 per maand verrekend, aanzienlijk lager dan eisers aflossingscapaciteit van € 339,00. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat het eisers bezwaarschriften al zoveel mogelijk gezamenlijk heeft behandeld. Het heeft eiser erop gewezen dat de deurwaarder de hoogte van de beslagvrije voet heeft vastgesteld. Als eiser het daarmee niet eens is, dient hij zich te wenden tot de deurwaarder. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat het moment van het beslag niet bepalend is. Bepalend is of de hoogte van eisers inkomen tijdens de maanden waarin de vakantiebijslag werd opgebouwd boven of onder de beslagvrije voet lag. Als het inkomen in de opbouwperiode boven de beslagvrije voet lag, valt de vakantiebijslag onder het bereik van het beslag. Voor een schadevergoeding is ten slotte geen reden.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank moet beoordelen of het Uwv maandelijks € 130,00 mocht verrekenen en of het Uwv op correcte wijze uitvoering heeft gegeven aan het op 19 maart 2025 gelegde beslag. De rechtbank doet dat mede aan de hand van de beroepsgronden van eiser, die hierna zullen worden besproken.

Vakantiebijslag

7. Het Uwv betaalt jaarlijks in mei vakantiebijslag over de aan die maand voorafgaande twaalf kalendermaanden. (Voetnoot 4) De jaarlijkse uitbetaling van vakantiebijslag is geheel voor beslag vatbaar als het maandelijks inkomen in de maanden waarin de vakantiebijslag werd opgebouwd, steeds boven de beslagvrije voet uitkwam, ‘ongeacht of in die maanden het beslag al lag’. (Voetnoot 5) In dit geval is dus niet van belang of het beslag er ook in de maanden vóór 19 maart 2025 al lag. Daarbij komt dat de hoogte van eisers WIA-uitkering gebaseerd is op het maximumdagloon. Dit betekent dat eisers inkomen in de maanden waarin de in mei 2025 uitbetaalde vakantiebijslag werd opgebouwd, steeds boven de beslagvrije voet uitkwam. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.

Derdenbeslag en de beslagvrije voet

8. Executoriaal beslag onder derden is geregeld in de artikelen 475 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Hierin zijn onder meer voorschriften gegeven over de wijze waarop een deugdelijk beslag wordt gelegd, de omvang daarvan en de gevolgen voor de daarbij betrokkenen. Het Uwv moet meewerken aan het door de deurwaarder gelegde beslag. Het ligt niet op zijn weg om de geldigheid van het door de deurwaarder gelegde beslag te beoordelen. Die beoordeling is voorbehouden aan de civiele rechter. De bestuursrechter komt een oordeel daarover niet toe. (Voetnoot 6)

8.1.

De samenloop van verrekening door het Uwv en inhouding in het kader van het derdenbeslag heeft er niet toe geleid dat eiser slechts kan beschikken over een bedrag dat onder de door de deurwaarde vastgestelde beslagvrije voet ligt. Het Uwv is binnen het kader van het beslag is gebleven. Zijn argumenten tegen de beslissing om beslag te leggen en de vaststelling van de beslagvrije voet kan eiser aan de deurwaarder en, zo nodig, aan de civiele rechter voorleggen. (Voetnoot 7)

Verrekening

9. De rechtbank volgt ook eisers betoog niet dat het Uwv bij de verrekening rekening had moeten houden met door eiser aangevoerde kosten en inkomsten van hem en zijn partner. Deze spelen geen rol in de vaststelling van de beslagvrije voet. Voor het inkomen van eisers partner mocht het Uwv afgaan op de polisadministratie. (Voetnoot 8) Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gegevens in de polisadministratie over het inkomen van zijn partner niet juist zijn. In het midden kan blijven of de stagevergoeding van eisers partner als netto-inkomen kwalificeert, omdat zijn aflossingscapaciteit ook zonder die stagevergoeding hoger is dan € 130,00. Van een kennelijk onevenredige hardheid door de verrekening van € 130,00 per maand is niet gebleken.

Betaalspecificaties van april en juni 2025

10. Het Uwv heeft eisers bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard voor zover gericht tegen de betaalspecificaties van april en juni 2015. Een betaalspecificatie is geen besluit als die niet verschilt van een eerdere betaalspecificatie. (Voetnoot 9)

Geconcentreerde rechtsbescherming

11. Een grondslag ontbreekt om de betaalspecificaties van juli en augustus 2025 in de omvang van dit geding te betrekken. Daargelaten of deze betaalspecificaties besluiten in de zin van de Awb zijn, zijn deze namelijk geen bijkomende beschikkingen in de zin van artikel 4:125, eerste lid, van de Awb. Uit deze bepaling volgt dat een verrekeningsbesluit alleen een bijkomende beschikking kan zijn. Een verrekeningsbesluit als bedoeld in artikel 4:125, eerste lid, van de Awb is dus niet de beschikking die in deze zaak aan de orde is en waarbij de verplichting tot betaling van een geldsom is vastgesteld met eventueel betaalspecificaties als bijkomende beschikkingen.

11.1.

Het verrekeningsbesluit zou wel als bijkomende beschikking bij de terugvorderingsbesluiten uit 2021 en 2022 kunnen worden aangemerkt. Het bestreden besluit ziet echter niet uitsluitend op het verrekeningsbesluit, maar ook op het derdenbeslag. De rechtbank heeft daarom geen reden gezien om het beroep door te sturen naar de CRvB.

Schadevergoeding

12. Nu het beroep ongegrond is, is er geen sprake van een onrechtmatig genomen besluit. Van een andere onrechtmatigheid op basis waarvan het Uwv schadeplichtig is, is niet gebleken. De rechtbank wijst het verzoek om een schadevergoeding dan ook af.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt ook geen schadevergoeding. Daarom hoeft het Uwv het griffierecht niet aan eiser te vergoeden en krijgt hij ook geen vergoeding voor zijn proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

Artikel 438

1. Geschillen die in verband met een executie rijzen, worden gebracht voor de rechtbank die naar de gewone regels bevoegd zou zijn, of in welker rechtsgebied de inbeslagneming plaatsvindt, zich een of meer van de betrokken zaken bevinden of de executie zal geschieden. In afwijking van de vorige zin worden geschillen die rijzen in verband met de executie van een door de kantonrechter afgegeven executoriale titel voor de kantonrechter gebracht die de executoriale titel heeft afgegeven.

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 4:125

1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking waarbij de verplichting tot betaling van een geldsom is vastgesteld, heeft mede betrekking op een bijkomende beschikking van hetzelfde bestuursorgaan omtrent verrekening, uitstel van betaling, verlening van een voorschot, vaststelling van de rente of gehele of gedeeltelijke kwijtschelding, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

Artikel 68

1. In afwijking van artikel 67, eerste lid, betaalt het UWV een gedeelte van de uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat als vakantiebijslag jaarlijks in de maand mei over de aan die maand voorafgaande kalendermaanden, of, indien het recht op uitkering eerder dan in de maand mei geheel eindigt, in de desbetreffende kalendermaand. De vakantiebijslag bedraagt 8/108 van de uitkering.

Voetnoot

Voetnoot 1

ECLI:NL:HR:2014:3068.

Voetnoot 2

Hoger beroep tegen de uitspraak van deze rechtbank van 27 juni 2025, LEE 24/1384.

Voetnoot 3

Hoger beroep tegen de uitspraak van deze rechtbank van 17 maart 2026, LEE 25/1277 en 25/1680.

Voetnoot 4

Artikel 68, eerste lid, van de WIA.

Voetnoot 5

Arrest van de Hoge Raad van 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3068. Zie de uitspraak van de CRvB van 14 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1022.

Voetnoot 6

Zie de uitspraken van de CRvB van 27 juli 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD9586, en van 8 juli 2015, ECLI:NL:CRVB: 2015:2511, ECLI:NL:CRVB:2015:2512 en ECLI:NL:CRVB:2015:2513.

Voetnoot 7

Artikel 438 Rv.

Voetnoot 8

Kamerstukken II 2016/17, 34 628, nr. 3, p. 1-13.

Voetnoot 9

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 13 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1710.