Rechtbank Noord-Nederland, kort geding civiel recht overig

ECLI:NL:RBNNE:2026:441

Op 18 February 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland een kort geding procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/18/251812 / KG ZA 26-23, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNNE:2026:441. De plaats van zitting was Leeuwarden.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
C/18/251812 / KG ZA 26-23
Datum uitspraak:
18 February 2026
Datum publicatie:
19 February 2026
Advocaat:
mr. M Dijkstra;mr. R.H. Kegtering

Indicatie

Overname bedrijf, onenigheid definitieve koopovereenkomst

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer: C/18/251812 / KG ZA 26-23 Vonnis in kort geding van 18 februari 2026 in de zaak van

[eiser] B.V.,

te Leeuwarden, eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. M. Dijkstra,

tegen

1
[gedaagde sub 1] V.O.F.,

te Leeuwarden,

2. [gedaagde sub 2] ,

te Leeuwarden,

3. [gedaagde sub 3] ,

te Leeuwarden, gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. R.H. Kegtering.

1
De procedure
1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding

de conclusie van antwoord

de nadere producties van [eiser]

de nadere producties van [gedaagde]

de mondelinge behandeling van 11 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt

de pleitnota van [eiser]

de pleitnota van [gedaagde] .

2
De feiten
2.1.

[eiser] exploiteerde als eigenaar het eetcafé [eetcafé] (hierna te noemen: [eetcafé] ), gevestigd in een gehuurd pand aan [adres]

. Bestuurder van [eiser] is [bestuurder] (hierna: [bestuurder] ). [bestuurder] exploiteert naast de [eetcafé] nog een horecabedrijf in Leeuwarden. [gedaagde] v.o.f. exploiteert een bakstudio. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn haar vennoten.

2.2.

In september 2025 zijn tussen partijen gesprekken gestart over de overname door [gedaagde] van [eetcafé] . In dit verband hebben partijen op 11 november 2025 een Non-Disclosure Agreement (NDA) gesloten waarin, kort gezegd, een geheimhoudingsplicht voor de ontvanger van vertrouwelijke informatie is vastgelegd.

2.3.

Op 19 november 2025 heeft [bestuurder] de navolgende e-mail naar [gedaagde] gestuurd, met daarbij een bijlage 'financieel overzicht 2025'. Deze bijlage betrof een door [bestuurder] zelf opgesteld Excelbestand.

Leuk dat jullie gisteren samen met mij door de zaak zijn gelopen.

Zoals beloofd heb ik hier het overzicht van 2025. Even een korte uitleg.

Ik heb bij de personele lasten de 2 vaste medewerkers eruit gehaald want die hebben jullie meer. Zoals je kan zien zijn het erg gezonde cijfers en kan het alleen maar meer worden.

• De inkoop gemiddeld in de horeca ligt op 30 %. Bij [eetcafé] op 27 %. Dit is erg gezond.

• De totale lasten in de horeca zitten tussen de 70 en 80 %. Bij [eetcafé] op 69 %. Ook dit is gezond

• De personeel ligt op 30 tot 35 % gemiddeld. Bij [eetcafé] op 24 % ook dit is gezond.

• In de horeca is een netto winst van 10 tot 15 % normaal. Hier moet nog belasting af. Bij [eetcafé] is dit 31%. Ook dit is zeer gezond. Dit komt ook omdat wij de marges op de lunch gerechten goed hebben berekent. Deze krijg je nog.

Zoals je kan zien is [eetcafé] een goed lopende lunch zaak.

2.4.

Op verzoek van [gedaagde] heeft [bestuurder] op 26 november 2025 een tweede, gewijzigd financieel overzicht toegezonden, met daarbij tevens een arbeidsovereenkomst van een werkneemster en een personeelsoverzicht.

2.5.

Omstreeks l december 2025 heeft [gedaagde] sleutels van [eetcafé] gekregen. op 3 december 2025 heeft [gedaagde sub 2] een dag meegelopen in [eetcafé] .

2.6.

[bestuurder] heeft op 2 december 2025 het contract van [eetcafé] met [naam] opgezegd en op 3 december 2025 het contract voor het pinbetalingssysteem.

2.7.

[gedaagde] is bij de verdere besprekingen over de overname bijgestaan door adviseur [adviseur] (hierna: [adviseur] ). [eiser] is bijgestaan door makelaar/adviseur

[makelaar] (hierna: [makelaar] ).

2.8.

[adviseur] heeft een intentieovereenkomst opgesteld en deze op 4 december 2025 aan [eiser] toegestuurd. Deze intentieovereenkomst bevat, voor zover voor deze zaak van belang, de navolgende bepalingen:

IN OVERWEGING NEMENDE DAT: (... )

C. Partijen gesprekken zijn aangegaan met betrekking tot de voorgenomen overdracht door

Verkoper aan Koper van de activa en passiva die gezamenlijk de Onderneming vormen (de 'Transactie');

D. Partijen een zodanig stadium in de gesprekken over de voorgenomen Transactie hebben bereikt, dat zij het wenselijk achten om datgene waarover zij tot dusverre overeenstemming hebben bereikt, alsmede hun intenties met betrekking tot het verdere verloop van voormelde gesprekken, in de onderhavige Letter of Intent (' LOi') vast te leggen;

E. Partijen over en weer verklaren dat met deze LOi nog geen koopovereenkomst tot stand komt, maar dat Partijen zich over en weer verplichten om in redelijkheid verder te onderhandelen met als intentie om tot een definitieve koopovereenkomst te komen, één en ander met inachtneming van hetgeen overigens in deze LOi is bepaald;

Artikel I - Doel- intentie

I .1 Koper verklaart in beginsel van Verkoper te willen kopen en geleverd te willen krijgen, en Verkoper verklaart in beginsel aan Koper te willen verkopen en te willen leveren, de activa en passiva die gezamenlijk de Onderneming vormen (de' Activa en Passiva'), vrij van enige bezwaring of andere rechten van derden, een en ander met inachtneming van het bepaalde in deze LOi.

1.2

Na ondertekening van deze LOi zullen Partijen, met inachtneming van hetgeen hierin is bepaald, zich ervoor inspannen om volledige en definitieve overeenstemming te bereiken over de voorwaarden en condities van de Transactie. Koper zal in dit kader een beperkt due diligence onderzoek ('DDO') naar de Activa en Passiva (laten) uitvoeren.

1.3

Finale overeenstemming tussen Partijen zal worden vastgelegd in een koopovereenkomst Activa en Passiva alsmede de overeenkomsten zoals bedoeld in artikel 2 lid 4 deze LOi (de 'Transactiedocumentatie').

1.4

Overgedragen Activa en Passiva

De Transactie ziet op de overdracht van de in Bijlage I nader gespecificeerde Activa en Passiva, waaronder in elk geval begrepen:

(a) immateriële activa: (i) handelsnamen, merken, logo's en domeinnamen; (ii) database- en softwarerechten voor zover toebehorend aan de Vennootschap;

(b) materiële activa: inventaris, bedrijfsuitrusting, computers en overige bedrijfsmiddelen;

(c) voorraden: halffabricaten en promotiematerialen;

(d) contracten: distributie-, licentie-, leveranciers- en klantcontracten die door Partijen uitdrukkelijk zijn aangewezen voor contractsovername;

(e) vorderingen op handelsdebiteuren die op ofna de Transactiedatum ontstaan uit de overgedragen onderneming;

(f) Passiva: (i) verplichtingen en schulden die rechtstreeks samenhangen met de overgedragen onderneming en uitdrukkelijk zijn aangewezen door Partijen; (ii) verplichtingen uit de overgenomen contracten voor zover betrekking hebbend op prestaties na de Transactiedatum.

Uitgesloten blijven in elk geval: (i) kas- en banksaldi; (ii) leningen en rekening-courantposities jegens aan Verkoper gelieerde (rechts)personen; (iii) fiscale posities en aanspraken van de Vennootschap over perioden vóór de Transactiedatum, behoudens voor zover uitdrukkelijk anders overeengekomen.

Artikel 2 - Uitgangspunten Transactie

2.1

De juridische en economische overdracht van de Activa en Passiva zal plaatsvinden per 1 januari 2026 (de 'Transactiedatum'), vanaf welke datum de overgedragen Activa en Passiva met alle daaraan verbonden rechten en verplichtingen voor rekening en risico van Koper zullen zijn.

De levering zal plaatsvinden door middel van (i) onderhandse akten van cessie/overdracht waar relevant, en (ii) feitelijke levering van zaken.

(...)

Artikel 4 - Due diligence

4.1

Verkoper zal ervoor zorgdragen dat Koper zo spoedig mogelijk na ondertekening van deze LOi kan aanvangen met een due diligence onderzoek ('DDO'). Partijen zijn overeengekomen om het DDO zo beperkt mogelijk te houden (DDO 'light'). Verkoper zal alle in redelijkheid door Koper en haar adviseurs gewenste informatie met betrekking tot de Activa en Passiva (doen) verschaffen, rekening houdend met een DDO 'light'.

4.2

Koper zal haar belangrijkste bevindingen op grond van het DDO uiterlijk vijf werkdagen na aanvang van het DDO aan Verkoper mededelen.

4.3

Uitsluitend indien het DDO materiële negatieve afwijkingen oplevert ten opzichte van de tot op heden door of namens Verkoper aangeleverde informatie met betrekking tot de Activa en Passiva, zal Koper tot uiterlijk 14 december 2025 gerechtigd zijn om van de Transactie af te zien, doch niet eerder dan nadat Partijen zich tot het uiterste hebben ingespannen om alsnog in redelijkheid tot overeenstemming te komen.

Artikel 6 - Opschortende voorwaarden - beëindiging

6.1

Deze LOi eindigt op het moment dat de Transactiedocumentatie (met alle bijbehorende bijlagen) door alle daarbij betrokken partijen onvoorwaardelijk is ondertekend of zoveel eerder als Partijen gezamenlijk schriftelijk overeenkomen.

6.2

Partijen zijn gerechtigd om deze LOi met onmiddellijke ingang eenzijdig te beëindigen door middel van een schriftelijke mededeling aan de andere Partij, ingeval van een omstandigheid zoals bedoeld in sub a. en/ofb. van het onderhavige artikel: (a) de uitkomsten van het DDO voor Koper niet conveniërend zijn conform artikel 4 lid 3; (b) Koper niet uiterlijk op 21 december 2025 op marktconforme voorwaarden onvoorwaardelijk (bank)financiering heeft verkregen voor het bedrag van de Koopsom; in welke gevallen voor Partijen geen verplichting zal bestaan om verder te onderhandelen en de beëindigende Partij geen vergoeding van schade en/of kosten aan de andere Partij en/of de Vennootschap verschuldigd is, indien de beoogde Transactie geen doorgang vindt.

(...)

Deze intentieovereenkomst is niet door partijen getekend.

2.9.

Op 5 december 2025 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen partijen, in aanwezigheid van hun adviseurs [adviseur] en [makelaar] .

Hierna heeft [makelaar] op 8 december 2025 een koopovereenkomst naar [gedaagde] gestuurd. Deze overeenkomst bevat, voort zover voor deze zaak van belang, de navolgende bepalingen:

Art: 1. Verkoper(s) verklaart aan koper(s) te hebben verkocht, gelijk koper(s) verklaart van verkoper(s) te hebben gekocht en te zullen aanvaarden in de staat waarin het zich bevindt ten tijde van de ondertekening van deze overeenkomst de: aanwezige inventaris, handelsnaam en goodwill, benoemd en omschreven in de bijgevoegde inventarislijst zoals geschouwd en goed bevonden door beide partijen van:

- [eetcafé] , [adres] -

De overeengekomen verkoopprijs - overname koopprijs bedraagt euro€ [koopprijs] , =

(... )

Art: 2. Verkoper verklaart dat, er geen bruikleenovereenkomsten, leasecontracten, huurkoopovereenkomsten, afnameverplichtingen of andere verplichtingen rusten op het verkochte.

Alle tot de leveringsdatum en overdrachtsdatum 5-12-2025 ontstane vorderingen en andere schulden en/of vorderingen op verkoper(s), die betrekking hebben op de hier genoemde exploitatie, blijven voor rekening van verkoper(s). Partijen komen uitdrukkelijk overeen dat de overige, niet in deze overeenkomst genoemde bedrijfsactiva en -passiva, zoals de debiteuren, geldmiddelen en overige vlottende activa, crediteuren, geldleningen en overige op de balans vermelde verplichtingen e.d. niet in de verkoop en koop zijn betrokken.

Verkoper verplicht zich vanaf 5 december 2025 geen wijzigingen aan te brengen in het verkochte. De aanwezige en gekochte inventaris dient op de overdrachtsdatum 5 december naar behoren te functioneren. Vanaf de feitelijke overdrachtsdatum 5 december 2025 komen alle baten ten goede van koper(s) en zijn de lasten, zoals bedoeld in de hiervoor bestemde wetgeving voor rekening van koper(s).

(...)

Art: 3. De ter zake doende financiële overzichten/ gegevens van het (ver)gekochte, zijn aan koper(s) ter beschikking gesteld.

Art: 4. De verkoper is met de kopers wel/? een korte inwerk termijn overeengekomen.

Art: 5. Partijen komen overeen dat de totale koopsom€ [koopprijs] zegge: [koopprijs] euro bedraagt. Hiervan voldoet koper op datum ondertekening een bedrag van

[koopprijs] (zegge: [koopprijs] ) als aanbetaling op het rekeningnummer van de makelaar. Het restantbedrag van€ [koopprijs] zal door koper aan verkoper worden voldaan conform een afzonderlijke betalingsregeling,(... )

Het volledige eigendomsrecht van de inventaris gaat pas over op koper zodra de totale koopsom van€ [koopprijs] , inclusief het gegarandeerde bedrag van€ [koopprijs] , volledig is voldaan.

Verkoper(s) en koper(s) gaan bij voorbaat akkoord met deze betalingswijze. (...)

Art: 6. De overdracht geschiedt op d.d. 5 december 2025.

Art: 7. De aanwezige courante bedrijfsvoorraad zal op de dag van de economische overdracht wel overgenomen worden zonder kosten.

Art: 8. De huurovereenkomst zal worden verstrekt door de verhuurders.

Art: 9. Verkoper en koper(s) nemen als bijzondere voorwaarde op dat beide partijen opteren voor "een indeplaatsstelling", welke bij géén medewerking van verhuurder, door partijen aan het kantongerecht zal worden voorgelegd. Partijen zullen zich bij voorbaat conformeren aan deze beslissing. Indien er géén indeplaatsstelling door het kantongerecht en/of andere rechterlijke macht wordt verleend is deze overeenkomst ontbonden.

(...)

Art:13. Deze overeenkomst is voor beide partijen bindend en onverlet. (... )

Art:16. Koper neemt de arbeidsovereenkomsten over volgens artikel 7:662 BW ev. (overgang onderneming). Alle (betalings)verplichtingen, claims of aanspraken vanuit medewerkers tot en met de overdrachtsdatum, blijven volledig voor rekening en risico van verkoper. Verkoper staat garant voor een correcte afwikkeling daarvan.

(... )

Art:19. Koper(s) krijgt door aankoop van het gekochte wel het recht en verwerft, voor zover de wet dat toelaat, het eigendom van de gevoerde handelsnaam, social media en website,

(... )

2.10.

Op 6 december 2025 heeft [gedaagde] de huur- en energietermijnen van [eetcafé] voor de maand december 2025 betaald.

2.11.

Hierna heeft er op 11 december 2025 een nieuw gesprek plaatsgevonden tussen partijen over de door [eiser] verstrekte cijfers. In vervolg hierop heeft [makelaar] nog diezelfde dag betaallijsten aangaande het personeel uit het systeem Nmbers naar [adviseur] gestuurd. Op verzoek van [adviseur] heeft [makelaar] op 12 december 2025 de loonaangiftes toegestuurd.

2.12.

[adviseur] heeft vervolgens op 12 december 2025 de navolgend e-mail namens [gedaagde] naar [makelaar] gestuurd:

We hebben de cijfers even op een rij gezet in bovenstaande bestand. Op de 2e pagina van Cijfers [eiser] zie je een overzicht van de loonkosten zoals doorgegeven door [bestuurder] . Zie ook bijlage Financieel overzicht 2025 wat door [bestuurder] is aangeleverd. Hier hebben we de cijfers zoals deze in Shiftbase staan en de cijfers zoals deze nu vanuit Nmbers en de loonheffingen en pensioenen zijn aangeleverd naast elkaar gezet. Hieruit blijkt ook dat de

cijfers uit Shiftbase niet ver bij de werkelijkheid vandaan zaten.

Zoals je kunt zien is er een materieIe afwijking ten opzichte van de loonkosten zoals deze door [bestuurder] zijn aangegeven in het overzicht en de werkelijke loonkosten. Hierbij is al rekening gehouden met het feit dat er I medewerker van [eetcafé] voor [bedrijf] werkzaam was. Het verschil is ruim 30k wat neerkomt op meer dan de gehele EBITDA. De onderneming is daarmee zelfs verlieslatend in plaats van de winstgevendheid die [bestuurder] in eerste instantie heeft voorgehouden. Hiermee is wat ons betreft een onjuiste voorstelling van zaken gegeven.

Op basis van deze informatie zou dan ook nooit overeenstemming zijn bereikt.

Cf hetgeen overeengekomen in de LOi onder Artikel 6.2 en Artikel 4.3 zien [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] dan ook af van de Transactie.

2.13.

In de avond van 12 december 2025 heeft [adviseur] nog de navolgende e-mail naar [makelaar] gestuurd:

Naar aanleiding van ons telefoongesprek vanmiddag heb ik nogmaals contact gehad met [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] . Ze hebben hierbij ook juridisch advies ingewonnen. Hierbij deel ik hun standpunt.

Allereerst zijn [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] van mening dat er nooit een overeenkomst voor overname van [eetcafé] tot stand is gekomen. Sterker nog, er is een intentieovereenkomst in concept opgesteld, waarin partijen afspraken wensten vast te leggen over intenties met betrekking tot het komen tot de (ver)koop, maar zelfs deze intentieovereenkomst is nog nimmer ondertekend. Laat staat dat er van een daadwerkelijke koopovereenkomst sprake is.

Wel is er expliciet afgesproken dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in december [eetcafé] zouden helpen om te zorgen dat er geen gaten in het rooster zouden vallen van [eetcafé] en hierbij [bestuurder] te ontzien. Dit is dan ook de reden geweest dat zij alvast actief zijn geworden binnen de onderneming. Het was dan ook voornamelijk op aandringen van [bestuurder] dat zij uit coulance in december zijn bijgesprongen omdat [eetcafé] anders gewoon niet zou draaien in deze maand.

Daarnaast het volgende. Mocht het zo zijn dat er wel sprake is van een rechtsgeldige overeenkomst (hetgeen niet het geval is) dan is zo'n overeenkomst tot stand gekomen onder invloed van dwaling. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hebben immers resultaatcijfers ontvangen die duidelijk

niet kloppen. Het is hen pas de afgelopen dagen duidelijk geworden dat [eetcafé] geen winstgevende zaak is maar juist verlies draait. Met de juiste voorstelling van zaken hadden zij natuurlijk nooit het voorstel tot overname zoals dat er nu ligt, geaccepteerd.

Als er een overeenkomst tot stand gekomen zou zijn gekomen, dan vernietigen zij deze. Wij gaan er vanuit dat ook jullie inzien dat het afdwingen van de (ver)koop zinloos is. Liever gaan wij in gesprek over hoe de samenwerking, zoals deze in de afgelopen dagen is opgestart, zo effectief mogelijk ontvlecht kan worden.

2.14.

[eiser] heeft hierna bij brief van 15 december 2025 van haar advocaat te kennen gegeven dat er tussen partijen al een koopovereenkomst is gesloten die door [gedaagde] moet worden nagekomen. [gedaagde] heeft dit vervolgens bij brief van haar advocaat betwist. [eetcafé] is momenteel niet geopend.

3
Het geschil
3.1.

[eiser] vordert, bij vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Primair:

gedaagden hoofdelijk te veroordelen om drie dagen na betekening van het te deze te wijzen vonnis uitvoering te geven aan de overeenkomst, daaronder begrepen de betaling van het eerste deel van de koopsom ad€ [koopprijs] ,00 (zegge: [koopprijs] ), op straffe van verbeurte van een dwangsom van€ 1.000,00 per dag, of gedeelte daarvan, dat zij geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft dan wel blijven in de nakoming van het voorafgaande, zulks tot een maximum van E 100.000,00:

Subsidiair:

Il.

gedaagden hoofdelijk te bevelen om te goeder trouw en naar redelijkheid en billijkheid de onderhandelingen met eiseres voort te zetten, om te komen tot het sluiten van de overeenkomst zoals deze zich ten tijde van het afbreken van de onderhandelingen op hoofdlijnen had uitgekristalliseerd, en het gedaagden te verbieden de onderhandelingen af te breken, zolang geen sprake is van een zwaarwegende en objectief gerechtvaardigde grond die een dergelijk afbreken kan rechtvaardigen en te bevelen om gedaagden binnen vijf werkdagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis opnieuw in overleg te treden met eiseres, op straffe van verbeurte van een dwangsom van€ 1.000,00 per dag, of gedeelte daarvan, dat zij geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft dan wel blijven met de nakoming van het voorgaande, zulks tot een maximum van € 100.000,00;

Zowel primair als subsidiair:

III. Gedaagden hoofdelijk te veroordelen in proceskosten, te vermeerderen met de deurwaarderskosten en de eventuele nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten met ingang van de zevende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling.

3.2.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

Overwegingen

4
De beoordeling

De koopovereenkomst

4.1.

De primaire vordering betreft nakoming van de koopovereenkomst. [eiser] stelt dat partijen op 5 december 2025 een koopovereenkomst hebben gesloten waaraan [gedaagde] is gebonden. [gedaagde] heeft dit weersproken. Dit vormt de kern van het geschil en de voorzieningenrechter oordeelt hierover als volgt, mede aan de hand van de hierna samengevat weergegeven stellingen van partijen.

4.2.

Volgens [eiser] hebben partijen, nadat zij hadden onderhandeld, elkaar op 5 december 2025 de hand geschud ter bekrachtiging van de overname van [eetcafé] voor

[koopprijs] ,-. [eiser] stelt dat zij in de periode daaraan voorafgaand alle financiële gegevens die op dat moment beschikbaar waren had verstrekt en dat zij heeft aangegeven dat er niet meer was in verband met een conflict met de accountant, waarop [gedaagde] heeft geantwoord "dan zullen we het hiermee moeten doen".

[eiser] heeft ter onderbouwing verder gesteld dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] vóór december 2025 meerdere malen in de zaak zijn geweest, dat zij de sleutels al hadden ontvangen en al een dag hadden meegelopen. Verder hadden zij contact gehad met de chef-kok, waren zij per 1 december 2025 gestart in het bedrijf, hadden zij al contacten met enige leveranciers gelegd en de huur en energienota's over december betaald. [bestuurder] had ook al enige contracten van [eetcafé] opgezegd.

4.3.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat er op 5 december 2025 geen koopovereenkomst is gesloten, maar dat er slechts overeenstemming is bereikt over de uitganspunten van de koopovereenkomst op basis waarvan een concept-koopovereenkomst kon worden opgesteld. Volgens haar was de aanleiding voor het gesprek op 5 december 2025 de dag daarvoor door [adviseur] toegezonden intentieovereenkomst, waarin de intentie was vastgelegd onder welke voorwaarden [gedaagde] [eetcafé] zou kopen. Omdat er feitelijk overeenstemming over deze uitgangspunten werd bereikt en het de bedoeling was dat er op korte termijn een koopovereenkomst zou worden getekend, is de intentieovereenkomst volgens [gedaagde] niet meer ondertekend. Volgens [gedaagde] waren er tijdens het gesprek nog twee struikelblokken, namelijk de verkoopprijs en de overnamedatum. Volgens [gedaagde] heeft [adviseur] tijdens het gesprek meerdere malen aangegeven dat er nog een due diligence onderzoek zou moeten plaatsvinden.

[gedaagde] heeft verder aangevoerd dat al snel na 5 december bij haar verdere twijfels ontstonden over de financiële positie van [eetcafé] . Op basis van de gaandeweg door [eiser] verstrekte cijfers en de informatie uit de personeelsplanningstool Shiftbase waar [gedaagde] later toegang toe had gekregen bleek haar dat [eetcafé] niet winstgevend was, zoals [bestuurder] had aangegeven, maar verlieslijdend. Volgens [gedaagde] zijn haar onjuiste cijfers over met name de personeelslasten voorgehouden.

[gedaagde] heeft verder weersproken dat zij de exploitatie al vanaf l december 2025

heeft overgenomen. [gedaagde sub 2] heeft een dag meegelopen omdat er personeelstekort was en [gedaagde] wilde niet dat het enige overgebleven vaste personeelslid zou vertrekken. De huur en energiekosten zijn door haar betaald omdat [eetcafé] liquiditeitsproblemen had en [gedaagde] wilde voorkomen dat de zaken bij [eetcafé] om die reden zouden mislopen.

4.4.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Het antwoord op de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen, is afhankelijk van wat beide partijen over en weer

hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten toekennen, hebben afgeleid. Het betreft hier de zogenaamde Haviltex-maatstaf. Aanbod en aanvaarding behoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden. Zij kunnen in elke vorm plaatsvinden en kunnen besloten liggen in een of meer gedragingen.1

4.5.

Als partijen nog niet over alle onderdelen van de overeenkomst overeenstemming hebben bereikt kan ook een overeenkomst tot stand komen. Het antwoord of overeenstemming op onderdelen een overeenkomst doet ontstaan terwij I op andere onderdelen nog geen overeenstemming bestaat, is eveneens afhankelijk van de bedoeling van partijen zoals hiervoor genoemd. Bij de vaststelling van de bedoeling van partijen is onder andere relevant: i) de betekenis van hetgeen wel en niet geregeld is, ii) van het al dan niet bestaan van het voornemen tot verder onderhandelen en iii) van hetgeen op grond van de verdere omstandigheden van het geval moet worden aangenomen.2 Bij de beoordeling van de vraag of er op wezenlijke onderdelen overeenstemming is bereikt, dient tevens rekening te worden gehouden met de aard en de strekking van de (beoogde) overeenkomst, in deze zaak de overname van [eetcafé] .

4.6.

Dat het de intentie van partijen was dat [eetcafé] door [gedaagde] zou worden overgenomen is niet in geschil. Evenmin is in geschil dat partijen overeenstemming hadden bereikt over de hoofdlijnen van de koopovereenkomst. Hetgeen is gesteld en gebleken is echter onvoldoende om te kunnen concluderen dat tussen partijen al een (onvoorwaardelijke) koopovereenkomst tot stand was gekomen.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat [adviseur] tijdens het gesprek op 5 december 2025 meerdere malen heeft aangegeven dat het due diligence onderzoek, zoals bedoeld in artikel 4 van de intentieovereenkomst, nog moest plaatsvinden. [gedaagde] heeft hierbij verwezen naar de voorafgaand aan het gesprek van 5 december 2025 door [adviseur] aan [makelaar] toegestuurde intentieovereenkomst waarin het due diligence onderzoek vermeld staat. [eiser] heeft niet weersproken dat partijen het erover eens waren dat dit onderzoek naar de cijfers

zou plaatsvinden. Dit was niet een van de struikelblokken die op 5 december zijn besproken. Dat partijen elkaar de hand hebben geschud en dat [gedaagde] heeft gezegd: "dan moeten we het hier mee doen" toen [eiser] verklaarde dat er niet meer cijfers voorhanden waren maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet dat [eiser] deze opmerking zo mocht begrijpen dat zij afstand deed van haar recht om de cijfers die zij had gekregen nog (nader) te onderzoeken. Dit geldt temeer, omdat over deze cijfers al de nodige twijfel was ontstaan en de winstverwachting voorafgaand aan het gesprek al naar beneden was bijgesteld.

4.7.

In dit verband overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende. De stelling van [eiser] dat slechts sprake is van een activa-overeenkomst, zodat de winstverwachting niet relevant is, volgt de voorzieningenrechter niet. Blijkens zowel de intentieovereenkomst als de door [makelaar] opgestelde koopovereenkomst was niet alleen sprake van overname van de inventaris, maar ook van de handelsnaam en voorraden. Hier zou goodwill voor worden betaald. Verder zouden de activiteiten van de onderneming worden voortgezet en het personeel zou worden overgenomen. Er is daarom onmiskenbaar sprake van een overgang van onderneming. Dit is ook zo verwoord in de concept-koopovereenkomst die door de

1. Hoge Raad 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1889.

2 Zie hiervoor o.a. HR 26 september 2003, ECLl:NL:HR: 2003:AF9414.

adviseur van [eiser] is opgesteld. De vraag of winst kan worden behaald met de onderneming is dan ook van essentieel belang. Een boekenonderzoek alvorens een overname definitief wordt beslecht is in die situatie gebruikelijk.

4.8.

Dat de intentieovereenkomst niet is ondertekend, maakt het voorgaande naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet anders. Ten eerste omdat, zoals hiervoor al is vastgesteld, de intentie om tot verkoop/aankoop van [eetcafé] over te gaan niet ter discussie staat. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiser] , anders dan zij heeft gesteld, zelf ook heeft gehandeld in overeenstemming met de intentieovereenkomst door na 5 december 2025 aan [gedaagde] (op haar verzoek) aanvullende financiële gegevens te verstrekken in het kader van het financiële onderzoek en daarover op 11 december 2025 ook nog nader in gesprek te gaan.

[eiser] heeft er ter onderbouwing van haar standpunt in dit verband tijdens de mondelinge behandeling nog op gewezen dat er al lopende contracten waren beëindigd, waarmee zij kennelijk heeft willen stellen dat er al was gehandeld op basis van een gesloten koopovereenkomst, maar dit argument wordt door de voorzieningenrechter gepasseerd.

De twee door haar al in de dagvaarding genoemde opzeggingen dateren van vóór 5 december 2025 en daarom kunnen zij geen betrekking op de stelling dat een overeenkomst is gesloten per 5 december 2025.3

4.8.

Daar komt bij dat de door [gedaagde] gegeven verklaringen voor de vóór 5 december 2025 verrichte handelingen zoals het betalen van de huur en energienota's, het contact opnemen met leveranciers en het 'bijspringen' in de zaak naar het oordeel van de voorzieningenrechter plausibel zijn tegen de achtergrond van de intentie om de zaak over te nemen. Dat is echter onvoldoende om bij te dragen als argument dat op 5 december 2025 daadwerkelijk een koopovereenkomst tot stand is gekomen. De afspraak was dat de in hoofdlijnen gemaakte afspraken in een concept-koopovereenkomst zouden worden verwoord door de adviseur van [eiser] , wat hij ook heeft gedaan. [gedaagde] is daarbij in de gelegenheid gesteld om opmerkingen daarover te maken.

4.10.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het onvoldoende aannemelijk is geworden dat er op 5 december 20205 een koopovereenkomst is gesloten waaraan [gedaagde] is gebonden, zodat het primair door [eiser] gevorderde niet toewijsbaar is.

Het dooronderhandelen

4.11.

Gelet op de voorgaande beslissing moet worden beoordeeld of er aanleiding is om [gedaagde] te veroordelen om door te onderhandelen. Uitgangspunt hierbij is dat ieder van de onderhandelende partijen - die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen - vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het totstandkomen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn.4

[eiser] zal feiten moeten stellen en aannemelijk moeten maken die rechtvaardigen dat het [gedaagde] in dit geval niet vrijstond om te handelen zoals zij heeft gedaan en de onderhandelingen voort te zetten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat zij dat onvoldoende heeft gesteld. Daartoe geldt het volgende.

3 Zie bij 2.6 hiervoor.

4 Hoge Raad 12 augustus 2005, ECLl:NL:HR:2005:AT7337.

4.12.

De transactie is stukgelopen op de financiële positie van [eetcafé] . [bestuurder] heeft op verzoek van [gedaagde] vanaf 19 november 2025 financiële gegevens aangeleverd.

4.13.

Op 19 november 2025 heeft [bestuurder] door middel van een door hemzelf ingevuld Excelbestand kenbaar gemaakt dat sprake is van een zeer gezonde onderneming met een winstmarge van 31%.5 [bestuurder] heeft daarbij de loonkosten van twee werknemers niet opgenomen in dit overzicht en de verdere werkgeverslasten achterwege gelaten. Nadat [gedaagde] om nadere informatie heeft gevraagd en op 26 november 2025 heeft verkregen is gebleken dat de winstverwachting moest worden bijgesteld naar 9%. Vervolgens heeft [gedaagde] na het gesprek van 5 december 2025 gegevens uit de personeelsplanningstool Shiftbase, salarisadministratietool Nmbers en de loonaangiftes ontvangen. Bankafschriften heeft [bestuurder] ondanks verzoek om toezending daarvan niet verstrekt. Uit al deze gegevens heeft [gedaagde] de conclusie getrokken dat er geen sprake was van een winstgevende, maar van en verlieslatende situatie omdat de personeelslasten veel hoger waren dan aanvankelijk uit de in november 2025 versterkte gegevens viel afte leiden.

4.14.

[bestuurder] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de onderneming ten tijde van de verkoop niet winstgevend maar verlieslatend was, omdat hij er zelf vanwege zijn andere bedrijf te weinig aandacht aan kon besteden en er daarom meer personeel nodig was. Verder heeft hij niet betwist dat in het overzicht van 26 november 2025 alleen netto lonen zijn opgenomen. [eiser] heeft in dit verband nog naar voren gebracht dat er maar één personeelslid nodig zou zijn omdat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] de bezetting zelf zouden kunnen invullen, zoals [bestuurder] dat in het verleden ook had gedaan.

4.15.

[gedaagde] heeft in reactie hierop aangevoerd dat het niet aan [eiser] is om in te vullen hoe zij het bedrijf zou moeten gaan organiseren, alsmede dat zij, net als [bestuurder] , nog een andere onderneming exploiteert. Volgens [gedaagde] had [bestuurder] de juiste cijfers moeten presenteren. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit standpunt juist is en dat het voldoende aannemelijk is dat [bestuurder] aanvankelijk niet de juiste en volledige cijfers heeft gepresenteerd.6 Dat de twee overige werknemers inmiddels niet meer bij [eetcafé] werken doet hier niet aan af omdat het op de weg van [eetcafé] lag om de juiste en volledige cijfers te presenteren van de exploitatie van [eetcafé] zoals die op dat moment plaatsvond.

4.16.

Uit de verklaring van [bestuurder] , de overgelegde stukken en hetgeen daaromtrent is aangevoerd door [gedaagde] leidt de voorzieningenrechter af dat [bestuurder] aanvankelijk een (veel) te rooskleurig beeld van de winstgevendheid van [eetcafé] heeft geschetst, waardoor [gedaagde] bij het besluitvormingsproces omtrent de overname op het verkeerde been is gezet. In deze situatie is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding om af te wijken van het onder 4.11 omschreven uitgangspunt. [gedaagde] mocht in de gegeven, hiervoor beschreven situatie afzien van het verder onderhandelen over

5 Zie 2.3 hiervoor.

6 Daaraan kan nog worden toegevoegd dat [bestuurder] de ook nog gevraagde bankafschriften nooit heeft overgelegd, waarvoor hij ter zitting een niet duidelijke en overtuigende verklaring met een verwijzing naar een regeling met de Belastingdienst als nawerking van de Coronaperiode heeft gegeven.

het aangaan van de overeenkomst. Ook de subsidiaire vordering zal daarom worden afgewezen.

De proceskosten

4.17.

[eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden aan de zijde van [gedaagde] begroot op:

- griffierecht

€ 3.083,00

- salaris advocaat

€ 1.177,00

- nakosten

€ 189,00 (plus de betekeningskosten zoals hierna vermeld)

totaal

€ 4.449,00.

Beslissing

5
De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op€ 4.449,00, te voldoen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met, indien [eiser] na aanschrijving niet tijdig voldoet en het vonnis daarna worden betekend, met € 98,00 en de kosten van de betekening,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskostenveroordeling.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Werkema en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.