Rechtbank Noord-Nederland, eerste aanleg - enkelvoudig insolventierecht

ECLI:NL:RBNNE:2026:1146

Op 20 February 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van insolventierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/18/25/7 R, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNNE:2026:1146. De plaats van zitting was Assen.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
C/18/25/7 R
Datum uitspraak:
20 February 2026
Datum publicatie:
10 April 2026
Verwijzingen:
Faillissementswet 350

Indicatie

Tussentijdse beëindiging wsnp. Niet voldaan aan sollicitatie- en informatieverplichting.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie: Assen

zaaknummer: C/18/25/7 R

vonnis van 20 februari 2026

in de zaak van:

[schuldenares] , geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] , wonende [adres] , hierna te noemen de schuldenares,

bewindvoerder: [bewindvoerder] .

Procesverloop

PROCESGANG

Bij vonnis van deze rechtbank van 9 januari 2025 is de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van de schuldenares.

De bewindvoerder heeft op 12 november 2025 schriftelijk verslag uitgebracht ten aanzien van de beëindiging van de schuldsaneringsregeling.

Op 22 december 2025 heeft de rechter-commissaris de rechtbank voorgedragen om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.

Deze voordracht is behandeld ter zitting van 6 februari 2026, alwaar de bewindvoerder is verschenen. Hoewel deugdelijk opgeroepen, is de schuldenares niet verschenen.

Overwegingen

RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank dient te beoordelen of de schuldenares één of meer van haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen en of op die grond de regeling tussentijds moet worden beëindigd.

Uit het verslag van de bewindvoerder en de voordracht van de rechter-commissaris blijkt het volgende. De schuldenares heeft een sollicitatieverplichting, maar heeft het afgelopen kwartaal geen informatie verstrekt over door haar verrichte sollicitaties. De bewindvoerder heeft diverse malen getracht om via e-mail, post, whatsapp en telefoon met de schuldenares in contact te komen, maar dat is niet gelukt. Ook op het verzoek van de bewindvoerder aan de schuldenares om contact op te nemen met haar werkcoach is niet gereageerd.

De schuldenares is opgeroepen voor een verhoor bij de rechter-commissaris op22 december 2025, maar is daar niet verschenen. Tijdens het verhoor heeft de bewindvoerder verklaard dat de schuldenares sinds juni 2025 niet meer (aantoonbaar) heeft gesolliciteerd. Het lukt niet om met de schuldenares in contact te komen. De budgetbeheerder heeft dezelfde ervaring. De schuldenares neemt alleen contact op als zij extra geld nodig heeft. De rechter-commissaris heeft vervolgens de rechtbank voorgedragen de schuldsaneringsregeling te beëindigen.

De voordracht is behandeld op 6 februari 2026. Hoewel deugdelijk opgeroepen, heeft de schuldenares door niet ter zitting te verschijnen niet van de gelegenheid gebruik gemaakt om het één en ander te weerleggen dan wel toe te lichten. De bewindvoerder heeft ter zitting aangegeven dat zij de schuldenares kort voor de zitting alsnog telefonisch heeft gesproken. De schuldenares was erg emotioneel aan de telefoon en gaf aan dat het op dit moment niet goed met haar gaat. Ze heeft voor volgende week een afspraak gemaakt bij de huisarts.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de schuldenares is tekortgeschoten in de nakoming van haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en dat haar dat kan worden toegerekend. De schuldenares heeft niet voldaan aan haar informatie- en sollicitatieverplichting. Uit de verklaringen van de bewindvoerder lijkt te volgen dat de schuldenares op dit moment ook niet in staat is om aan deze verplichtingen te voldoen, maar zonder nadere toelichting van de schuldenares zelf kan de rechtbank niet vaststellen of sprake is van een bijzondere aard of geringe betekenis van de tekortkoming. Nu de schuldenares niet ter zitting is verschenen kan evenmin besproken worden of een voortzetting van de regeling, al dan niet met een verlenging van de looptijd, tot de mogelijkheden behoort. De rechtbank zal daarom de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigen op grond van artikel 350, lid 3 sub c van de Faillissementswet (Fw). Dit heeft tot gevolg dat de vorderingen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling heeft gewerkt, voor zover deze onvoldaan zijn gebleven, afdwingbaar blijven.

Blijkens het overzicht van de bewindvoerder is de stand van de boedelrekening momenteel€ 3.127,51. Op grond van het bepaalde in artikel 350, lid 5 Fw zal niet van rechtswege faillissement volgen aangezien er na aftrek van de kosten van de schuldsaneringsregeling, onvoldoende baten beschikbaar zullen zijn. Nu het uit te delen actief na aftrek van de boedelkosten (met name salaris en advertentiekosten) minder dan € 2.000,- bedraagt, kan naar het oordeel van de rechtbank het opmaken van een slotuitdelingslijst achterwege blijven en eindigt de schuldsaneringsregeling door het in kracht van gewijsde gaan van dit vonnis.

De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen. De vergoeding voor de bewindvoerder is berekend op € 3.810,74 (inclusief onkosten en omzetbelasting). Voor zover actief aanwezig is, kan de bewindvoerder de vergoeding als salaris opnemen. Voor zover de kosten van de in de schuldsaneringsregeling bevolen publicaties niet uit de boedel kunnen worden voldaan, komen deze ten laste van de Staat.

Beslissing

BESLISSING

De rechtbank:

- beëindigt de schuldsaneringsregeling;

- stelt vast dat de schuldenares toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen;

- stelt het salaris voor de bewindvoerder, inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op€ 3.810,74.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Baarsma, en in het openbaar uitgesproken op20 februari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier. (Voetnoot 1)

Voetnoot

Voetnoot 1

Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.