Rechtbank Noord-Nederland, eerste aanleg - enkelvoudig insolventierecht

ECLI:NL:RBNNE:2026:1988

Op 21 May 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van insolventierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/18/26/1154 R, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNNE:2026:1988. De plaats van zitting was Leeuwarden.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
C/18/26/1154 R
Datum uitspraak:
21 May 2026
Datum publicatie:
28 May 2026

Indicatie

Toewijzing toelatingsverzoek Wsnp, geslaagd beroep op de hardheidsclausule. Eerdere ingangsdatum bepaald.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie: Leeuwarden

zaaknummer: C/18/26/1154 R

vonnis van 21 mei 2026

in de zaak van:

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats]

wonende te [adres] ,

hierna te noemen: verzoeker.

Procesverloop

1
PROCESGANG
1.1.

Verzoeker heeft op 16 maart 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

1.2.

Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 6 mei 2026. Daarbij is verzoeker verschenen tezamen met de heer [schuldhulpverlener] , schuldhulpverlener en werkzaam bij Kredietbank Nederland (KBNL).

Overwegingen

2
RECHTSOVERWEGINGEN
2.1.

De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.

2.2.

Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.

2.3.

Gebleken is dat verzoeker in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden.

2.4.

Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.

2.5.

Uit het verzoekschrift is gebleken dat verzoeker een schuldenlast heeft van

€ 26.978,71, waaronder een schuld aan het CJIB. De CJIB-schuld bedraagt in totaal volgens het door de rechtbank opgevraagde overzicht € 4.360,92 en bestaat uit 13 opgelegde WAHV-boetes. Een deel van deze boetes zijn minder dan 3 jaar geleden ontstaan.

2.6.

Verzoeker heeft tijdens de zitting verklaard dat de meeste schulden zijn ontstaan tijdens de relatie met zijn ex en dat hij na de scheiding (ontbinding van het geregistreerd partnerschap) in 2023 de schulden op zich heeft genomen. Verder heeft verzoeker verklaard dat hij er zelf een puinhoop heeft gemaakt en dat hij er spijt van heeft dat hij recent nog een verkeersboete heeft gekregen wegens het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het fietsen.

2.7.

De rechtbank stelt vast dat verzoeker ten aanzien van een deel van de schulden niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt, omdat deze de afgelopen drie jaar zijn ontstaan.

2.8.

Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).

2.9.

De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.

2.10.

Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin verzoeker nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. Verzoeker heeft eind 2023 hulp gezocht bij het Wijkteam en sinds januari 2024 is er budgetbeheer ingesteld. Sinds januari 2024 heeft verzoeker geen nieuwe schulden meer gemaakt behalve één verkeersboete op 18 maart 2026 wegens het vasthouden van een mobieltje tijdens het fietsen. De rechtbank zal verzoeker dit niet aanrekenen. De rechtbank zal het verzoek daarom toewijzen.

2.11.

De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.

2.12.

Verzoeker heeft verzocht om de Wsnp 18 maanden eerder in te laten gaan, omdat hij vanaf april 2024 (al dan niet door middel van beslag) heeft afgedragen, waarbij er bij de berekening van de eerdere ingangsdatum wel ”gemiddeld” dient te worden over de verschillende maanden. De schuldhulpverlener heeft in het verzoekschrift en ter zitting verklaard dat er aan de zijde van schuldhulpverlening veel is misgegaan tijdens het minnelijk traject. Achteraf heeft de schuldhulpverlener opnieuw berekeningen moeten maken omdat er eerder fouten zijn gemaakt voor wat betreft de vaststelling van het vrij te laten bedrag door KBNL. Daardoor heeft KBNL onjuiste voorstellen gedaan aan de schuldeisers. In het begin is de huur wel juist meegenomen maar is er ten onrechte alimentatie opgevoerd als correctie. Dat is aangepast met helaas een verkeerd bedrag aan huur in de voorstellen. Verder is er niet altijd rekening gehouden met ingehouden boetes op het loon. Dit is achteraf hersteld en sinds februari 2026 wordt er rekening gehouden met de juiste bedragen. Verder heeft het LBIO vanaf oktober 2025 beslag gelegd op het inkomen van verzoeker. De schuldhulpverlener heeft de maanden januari 2025 tot en met april 2025 niet meegenomen als maanden waarin maximaal is afgedragen omdat de loonstroken niet kunnen worden aangeleverd over deze periode.

2.13

De afdrachten zijn met stukken, waaronder berekeningen van het vrij te laten bedrag onderbouwd. De rechtbank ziet aanleiding om de ingangsdatum te bepalen op 18 maanden voor de datum van deze uitspraak. Verzoekeer heeft vanaf april 2024 fulltime gewerkt. De rechtbank stelt weliswaar vast dat KBNL tijdens het minnelijk traject flinke steken heeft laten vallen maar zal daaraan jegens verzoeker geen consequenties verbinden. Uit de door KBNL namens verzoeker overgelegde vtlb-berekeningen en stukken die daaraan ten grondslag liggen, blijkt dat verzoeker vanaf maart 2024 tot en met december 2024 en mei 2025 tot en met februari 2026 een bedrag van € 14.083,98 had moeten sparen ten behoeve van de schuldeisers. Verzoeker heeft volgens de ter beschikking gestelde gegevens in die periode uit zijn inkomen inclusief beslag een bedrag van € 12.525,35 gespaard. Ter zitting heeft de schuldhulpverlener verklaard dat de afdrachten na februari 2026 zijn blijven doorlopen tot en met april 2026. Gelet op het bovenstaande heeft verzoeker aannemelijk gemaakt dat hij in 18 maanden voorafgaand aan de datum van de uitspraak heeft voldaan aan zijn afdrachtplicht.

Beslissing

3
3. BESLISSING

De rechtbank:

3.1.

spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ;

3.2.

stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf 21 november 2024 en verlengt de termijn van deze regeling met zes maanden zodat deze eindigt op 21 november 2026 en ontheft verzoeker gedurende die periode van zijn sollicitatie- en afdrachtplicht;

3.3.

benoemt tot rechter-commissaris mr. C.H. Beuker,

en tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,

gevestigd te [adres] ;

3.4.

geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brieven en telegrammen.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.J. Klijn en in het openbaar uitgesproken op

21 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. (Voetnoot 1)

Voetnoot

Voetnoot 1

Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.