Procesverloop
PROCESGANG
Bij vonnis van deze rechtbank van 25 april 2025 is de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van de schuldenaar.
Vanwege het niet nakomen van de informatieplicht door de schuldenaar, en dan met name de aan te leveren informatie met betrekking tot de Spaanse bankrekening bij Open Bank alsmede de via de postblokkade ontvangen beschikking ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 juli 2025, heeft er op 18 september 2025 ten overstaan van de rechter-commissaris een verhoor plaatsgevonden. Vanwege het niet verschijnen van de schuldenaar is het verhoor voortgezet op 6 oktober 2025.
Bij beschikking van 24 oktober 2025 heeft de rechter-commissaris de looptijd van de regeling met zes maanden verlengd, derhalve eindigend op 27 april 2026, om zo de schuldenaar in de gelegenheid te stellen de verzochte informatie te verstrekken.
Vanwege de nodige vragen bij de rechter-commissaris over de via de bewindvoerder ontvangen bankafschriften van de bankrekening van de schuldenaar bij de Open Bank heeft er op 4 februari 2026 wederom een verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris plaatsgevonden. De schuldenaar is niet verschenen.
De bewindvoerder [bewindvoerder] heeft op 17 februari 2026 schriftelijk verslag uitgebracht ten aanzien van de beëindiging van de schuldsaneringsregeling.
De rechter-commissaris heeft op 17 februari 2026 de rechtbank voorgedragen om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.
Deze voordracht is behandeld ter zitting van 20 maart 2026, alwaar de bewindvoerder en de schuldenaar zijn verschenen.
Overwegingen
RECHTSOVERWEGINGEN
Op basis van de in het dossier aanwezige stukken, waaronder de zittingsaantekeningen van de gehouden verhoren, de verslaglegging van de bewindvoerder, de voordracht van de rechter-commissaris en het verhandelde ter terechtzitting, is het navolgende gebleken.
De bewindvoerder heeft ter zitting aangegeven dat uit de ontvangen bankafschriften van de Open Bank blijkt dat de schuldenaar in de 3 jaar voorafgaand aan de toelating tot de schuldsaneringsregeling ruim € 52.000,00 heeft ontvangen van [naam] . Dit bedrag is, in tegenstelling tot wat de schuldenaar heeft verklaard, niet aangewend voor het betalen van facturen maar allemaal opgemaakt aan genotsmiddelen voor de schuldenaar zelf zoals de McDonalds, de koffieshop et cetera. De bewindvoerder stelt dat de schuldenaar naast zijn uitkering dan ook verkapt inkomen genoot. Volgens de bewindvoerder valt dit niet te rijmen met de verklaring van de schuldenaar tijdens het verhoor op 6 oktober 2025. De schuldhulpverlener, de heer [schuldhulpverlener] , die het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling namens de schuldenaar heeft ingediend was niet op de hoogte van het bestaan van de rekening bij de Open Bank. Over de artikel 12 Sv procedure heeft de schuldenaar tijdens de behandeling van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ook niets gezegd. Voorts heeft de bewindvoerder aangegeven dat sinds het beschermingsbewind van de schuldenaar is opgeheven er geen informatie meer is ontvangen en er sprake is van een boedelachterstand van € 332,69.
De schuldenaar heeft ter zitting verklaard dat zijn postbezorging nogal eens te wensen overlaat waardoor hij tot tweemaal toe niet op de hoogte was van de ingeplande verhoren. Op de bankrekening bij de Open Bank kwamen betalingen binnen van [naam] . De schuldenaar heeft verklaard dat de betalingen verdiensten waren voor uitgevoerde werkzaamheden voor [naam] . In principe was het salaris, aldus de schuldenaar. De toenmalige beschermingsbewindvoerder was hiervan op de hoogte. Het was haar idee om de betalingen via een Spaanse bank te laten verlopen omdat dan geen inkomstenbelasting verschuldigd is, aldus de schuldenaar. De schuldenaar heeft voorts verklaard dat al het geld is opgegaan aan boodschappen, (fastfoodketen)eten en zijn verslaving. De schuldenaar heeft verder aangegeven dat de rekening in april 2023 is geblokkeerd. De schuldhulpverlener was ook op de hoogte van deze rekening en deze rekening is bij het eerste verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling in 2024 ook opgegeven. Voor wat betreft de artikel 12 Sv procedure heeft de schuldenaar aangegeven dat zijn advocaat verwacht dat de aanklacht geseponeerd wordt. Aangaande de vermeende ontvreemding van een auto van [naam] heeft de schuldenaar opgemerkt dat hij [naam] al viermaal heeft verzocht om de auto te komen ophalen, zodat van verduistering geen sprake kan zijn.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank kan een schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigen op de gronden als genoemd in artikel 350 Faillissementswet (hierna: Fw). Die gronden zijn onder andere dat de schuldenaar een of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt of door zijn doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmert dan wel frustreert (artikel 350 lid 3 sub c Fw) en dat feiten en omstandigheden bekend worden die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288, eerste en tweede lid (artikel 350 lid 3 sub f Fw).
Lopende het schuldsaneringstraject zijn twee zaken aan het licht gekomen, te weten de mutaties op de bankrekening bij de Open Bank en de artikel 12 Sv procedure. De rechtbank zal daarop hieronder nader ingaan.
de bankrekening bij de Open Bank S.A.
Uit de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling tot toelating tot de schuldsaneringsregeling op 17 april 2025 volgt dat de schuldenaar heeft aangegeven € 3.500,00 te hebben op een Spaanse rekening en € 1.300,00 op een cryptocurrencyrekening. In het toelatingsvonnis van 25 april 2025 is geoordeeld dat de schuldenaar verplicht is het gespaarde bedrag op die twee rekeningen van in totaal ongeveer € 4.800,00 aan de bewindvoerder af te dragen. In verband met het bekend worden van de artikel 12 Sv procedure en het feit dat de schuldenaar geen toegang meer bleek te hebben tot de rekening bij de Spaanse bank, de Open Bank, zodat het geld niet kon worden overgeboekt naar de boedelrekening, heeft de bewindvoerder om een verhoor verzocht. Uit de zittingsaantekeningen van het gehouden verhoor op 6 oktober 2025 volgt dat de schuldenaar heeft verklaard dat hij tot augustus 2022 inzage had in de rekening. Daarna niet meer omdat zijn oude telefoon niet meer actief was en hij geen activeringsberichten meer kon ontvangen. Uit de bankafschriften van de bankrekening bij de Open Bank volgt dat de schuldenaar gedurende de periode van 22 april 2022 tot 17 maart 2023 aanzienlijke sommen geld heeft ontvangen van [naam] . Uit de bankafschriften volgt ook dat dit geld is uitgegeven bij de koffieshop, de MacDonalds en aan boodschappen. Het saldo van deze rekening van € 1.365,86 is op 30 oktober 2025 overgeboekt naar de boedelrekening.
Uit het vorenstaande volgt dat de schuldenaar in de drie jaar voorafgaand aan het schuldsaneringsverzoek zijn inkomsten nagenoeg geheel heeft uitgegeven aan zijn eigen (genots-)behoeften en niet heeft aangewend om de schuldeisers te voldoen en dat de schuldenaar inkomsten had die hij buiten het zicht van de belastingdienst, het UWV en de beschermingsbewindvoerders heeft gehouden.
De stelling van de schuldenaar dat – zo begrijpt de rechtbank – hem hiervan geen verwijt kan worden gemaakt omdat dit (het buiten het zicht houden van zijn inkomsten) op advies van zijn toenmalige beschermingsbewindvoerder is gebeurd, verwerpt de rechtbank. Uit niets blijkt dat de toenmalige beschermingsbewindvoerder dit heeft geadviseerd en het is ook niet erg waarschijnlijk. Anders dan de schuldenaar heeft aangevoerd is de bankrekening bij de Open Bank ook niet gemeld bij het eerste verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling in 2024. Daarbij was ook de opvolgend beschermingsbewindvoerder niet op de hoogte van de rekening bij de Open Bank, zo volgt uit de correspondentie.
Ten tijde van de toelating tot de schuldsaneringsregeling was de rechtbank weliswaar op de hoogte van een saldo bij een Spaanse bank, maar niet van het feit dat de schuldenaar op die rekening inkomsten ontving. Daarvan is door de schuldenaar ten tijde van de toelating in het geheel geen melding gemaakt. Evenmin is melding gemaakt van het feit dat de toegang tot deze rekening was geblokkeerd. De mutaties op de bankrekening bij de Open Bank komen niet overeen met het door de schuldenaar geschetste beeld van zijn situatie ten tijde van de toelating. Zo heeft de schuldenaar in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling aangegeven dat hij moet rondkomen van een WIA-uitkering zonder de inkomsten op de bankrekening bij de Open Bank te vermelden. De uitgaven bij de koffieshop stroken verder niet met de verklaring van de schuldenaar dat zijn verslaving onder controle zou zijn.
De schuldenaar heeft in het verzoek tot toelating ook aangegeven dat hij in de vijf jaar voorafgaand aan de schuldsaneringsregeling geen onderneming heeft gehad. Aan de bewindvoerder heeft de schuldenaar echter geschreven dat hij een bedrijf in Spanje had dat in 2023 is uitgeschreven omdat hij toen met [naam] een nieuw bedrijf had opgericht. Zulks is te meer verrassend nu uit de e-mailcorrespondentie uit augustus 2022 met zijn toenmalige beschermingsbewindvoerder volgt dat zij niet zomaar akkoord gaat met het opstaren van een onderneming. Verder is van belang dat ook nog aan het licht is gekomen dat de schuldenaar een auto van [naam] onder zich heeft
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de toelatingsrechter het toelatingsverzoek vanwege het ontbreken van de goede trouw ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden zou hebben afgewezen, indien de toelatingsrechter bekend was met het bovenstaande in het bijzonder met de inkomsten van de schuldenaar op de bankrekening bij de Open Bank en de mutaties op die bankrekening.
de artikel 12 Sv procedure
Naar aanleiding van een op 14 augustus 2024 ingediend klaagschrift door [naam] , vanwege fraudeleus handelen door de schuldenaar, heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij beschikking van 2 juli 2025 op grond van artikel 12 Sv bevolen de vervolging van de schuldenaar ter zake van verduistering, valsheid in geschrift en oplichting, gepleegd in de periode van juli 2021 tot en met (ten minste) 4 april 2024 en voorts de Officier van Justitie gelast om op grond van artikel 181 Sv onderzoekhandelingen te gaan verrichten. In verband met de behandeling van het klaagschrift heeft op 13 mei 2025 een behandeling plaatsgevonden bij het gerechtshof waarbij onder andere de schuldenaar is gehoord.
Er is niet duidelijk geworden of de schuldenaar ten tijde van de toelating tot de schuldsaneringsregeling op de hoogte was van de artikel 12 Sv procedure. Wel is duidelijk dat de schuldenaar hiervan op de hoogte was tijdens het huisbezoek van de bewindvoerder. Ook toen heeft de schuldenaar geen melding gemaakt van de artikel 12 Sv procedure. In zoverre heeft de schuldenaar dan ook zijn informatieplicht geschonden. De vraag is of bekendheid met de artikel 12 Sv procedure reden zou zijn geweest het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling af te wijzen. Naar het oordeel van de rechtbank was de enkele lopende artikel 12 Sv procedure nog geen reden geweest het verzoek af te wijzen omdat nog onbekend is of de schuldenaar daadwerkelijk wordt vervolgd dan wel er daadwerkelijk een veroordeling volgt. Wel merkt de rechtbank op dat bekendheid met die artikel 12 Sv procedure voor de toelatingsrechter aanleiding had kunnen zijn tot nader onderzoek. Verder merkt de rechtbank op dat een veroordeling gevolgen kan hebben voor een eventuele schone lei verklaring.
Niet naar behoren nakomen verplichtingen schuldsaneringsregeling
Het beschermingsbewind is eind vorig jaar opgeheven, na het verzoek om ontslag van de beschermingsbewindvoerder. De bewindvoerder heeft aangegeven dat sinds het beschermingsbewind is opgeheven niet meer aan de informatieverplichting door de schuldenaar wordt voldoen en er een (kleine) boedelachterstand is ontstaan.
Naar het oordeel van de rechtbank is het niet nakomen door de schuldenaar van zijn informatieverplichting en het laten ontstaan van een boedelachterstand, toerekenbaar. Duidelijk was dat voor een goed verloop van de schuldsaneringsregeling beschermingsbewind noodzakelijk was. De schuldenaar heeft er voor gekozen geen nieuwe beschermingsbewindvoerder te zoeken en daarmee het risico genomen dat het beschermingsbewind zou worden opgeheven. Gelet op het verloop van de schuldsaneringsregeling kan voorts niet worden gezegd dat sprake is van een geringe tekortkoming.
Slotsom
Het voorgaande leidt ertoe dat er grond is voor tussentijdse beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling zoals hiervoor overwogen, zulks op grond van artikel 350 lid 3 f Fw en op grond van artikel 350 lid 3 sub c Fw.
Op grond van artikel 350, lid 5 van de Fw verkeert de schuldenaar van rechtswege in staat van faillissement, zodra deze uitspraak in kracht van gewijsde zal zijn gegaan.
De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen.
Beslissing
BESLISSING
- beëindigt tussentijds de schuldsaneringsregeling;
- verstaat dat, zodra deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, de schuldenaar in staat van faillissement verkeert;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. D.J. Klijn en stelt tot curator aan mr. G.W. Breuker, gevestigd te Groningen, met het correspondentieadres [adres] ;
- stelt het bedrag van het salaris van de bewindvoerder vast op € 3.703,11 (inclusief de verschuldigde omzetbelasting);
- geeft last aan de voornoemde curator tot het openen van aan de gefailleerde gerichte brieven.
Gewezen door mr. I.F. Clement, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.