RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Groningen
zaaknummer: C/18/23/40 R
vonnis van 1 mei 2026
[schuldenares]
, geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats],
wonende te [adres],
hierna te noemen de schuldenares,
bewindvoerder: [bewindvoerder].
Procesverloop
PROCESGANG
Bij vonnis van deze rechtbank van 22 maart 2023 is ten aanzien van de schuldenares de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.
Op 13 februari 2025 heeft een verhoor bij de rechter-commissaris plaatsgevonden. Schuldenares is hierbij niet verschenen. De zaak is vervolgens voorgedragen voor tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling en ter zitting behandeld op 21 maart 2025. Het verzoek is bij vonnis van 4 april 2025 afgewezen.
Vervolgens heeft er een verhoor plaatsgevonden op 2 maart 2026.
Door de bewindvoerder is op 12 maart 2026 schriftelijk verslag uitgebracht ten aanzien van de beëindiging van de schuldsaneringsregeling.
Op 13 maart 2026 heeft de rechter-commissaris de rechtbank voorgedragen de schuldsaneringsregeling te beëindigen.
De schuldenares heeft op 18 maart 2026 een brief geschreven aan de rechter-commissaris.
Op 14 april 2026 heeft de bewindvoerder een laatste stand van zaken ingediend.
Mr. De Jongh heeft op 16 april 2026 nadere stukken ingediend.
De zaak is behandeld ter zitting van 17 april 2026, alwaar de schuldenares tezamen met haar gemachtigde mr. M.J. de Jongh, namens Claves advocaten, is verschenen. Tevens is de bewindvoerder verschenen en mevrouw [beschermingsbewindvoerderder], de beschermingsbewindvoerder van de schuldenares.
Overwegingen
RECHTSOVERWEGINGEN
De rechtbank staat voor de vraag of de schuldenares tijdens de schuldsaneringsregeling, tekort is geschoten in de nakoming van één of meer verplichtingen uit die regeling en, indien daarvan sprake mocht zijn, of deze tekortkoming aan de schuldenares kan worden toegerekend. In geval van een toerekenbare tekortkoming zal de rechtbank vervolgens beoordelen of dat tot de beëindiging van de schuldsaneringsregeling moet leiden onder onthouding van “de schone lei”.
Uit de verslagen van de bewindvoerder, de voordracht van de rechter-commissaris en het verhandelde ter zitting is het navolgende gebleken.
Er zijn al kort na aanvang van de Wsnp twijfels gerezen over de persoonlijke en financiële omstandigheden zoals de schuldenares die had doorgegeven en doorgaf.
In het bijzonder was voor de bewindvoerder onduidelijk waarom de gemeente stopte met het verstrekken van een aanvullende bijstandsuitkering waardoor de schuldenares met haar twee kleine kinderen moest leven van een inkomen onder bijstandsniveau en waarom die aanvullende bijstandsuitkering later niet werd toegekend.
Inmiddels is gebleken dat de Sociale Recherche al in juni 2024 had vastgesteld dat de schuldenares samenwoonde met de vader van haar kinderen. Het onderzoekverslag van 12 juni 2024 werd lange tijd niet met de bewindvoerder en de rechtbank gedeeld. Zo is tijdens de behandeling van de tussentijdse beëindiging op 21 maart 2025 hiervan in het geheel geen melding gemaakt door de schuldenares en haar beschermingsbewindvoerder. Wel is toen met de schuldenares afgesproken dat zij opnieuw aanvullende bijstand zou aanvragen.
In of omstreeks juli 2025 is het in april 2025 ingediende verzoek om aanvullende bijstand weer ingetrokken. Inmiddels is gebleken dat intrekking heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een telefoontje van de gemeente dat de schuldenares de aanvraag moest intrekken in verband met het eerdere onderzoek. De intrekking is bevestigd in een e-mail van de gemeente Veendam van 3 juli 2025. Deze intrekking, de reden van intrekking en de e-mail van 3 juli 2025 werd voor de bewindvoerder verzwegen door de schuldenares en haar beschermingsbewindvoerder.
Tijdens de zitting heeft de schuldenares verklaard dat de situatie tussen haar en haar (ex-)partner ingewikkeld is. Omdat haar (ex-)partner niet veel bij haar was en zij opdraaide voor alle kosten en de zorg voor de kinderen, zag zij dit niet als samenwonen. De schuldenares ziet nu in dat dit wel degelijk samenwonen is en dat ook de huidige situatie met haar (ex-)partner als samenwonen kwalificeert. De schuldenares heeft ter zitting aangegeven dat zij niet bewust heeft gehandeld.
Mr. De Jongh heeft tijdens de zitting verklaard dat hij veel moeite heeft moeten doen om aan de schuldenares uit te leggen hoe de situatie juridisch zit. De relatie tussen de schuldenares en haar (ex-)partner is complex. Haar (ex-)partner is verslaafd aan verdovende middelen. Hij is vaak bij de schuldenares. Het lijkt een normaal gezin met een vader, moeder en twee kinderen, maar dat is het niet. Mr. De Jongh heeft er moeite mee dat er klakkeloos van uit wordt gegaan dat de schuldenares met kwade intenties heeft gehandeld. Ze heeft nooit de intentie gehad om de schuldeisers te benadelen. En het is ook lang niet zeker of de schuldeisers daadwerkelijk zijn benadeeld.
Uit de gang van zaken volgt dat de schuldenares haar informatieverplichting heeft geschonden. De rechtbank is evenwel van oordeel dat deze tekortkoming van de schuldenares, alle omstandigheden in aanmerking genomen, niet aan het toekennen van de zogenoemde “schone lei” in de weg staat. De rechtbank wil er geen misverstand over laten bestaan dat het kwalijk is dat de schuldenares geen openheid van zaken heeft gegeven over haar situatie. Zeker nadat de sociale recherche langs was geweest had zij moeten begrijpen dat sprake was van samenwonen en de bewindvoerder dienen te informeren. Tegelijkertijd heeft de schuldenares zich ingespannen om haar overige verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling na te komen. Daarbij is de schuldenares van een zeer gering inkomen – onder de bijstandsnorm – rondgekomen terwijl zij de zorg had en heeft voor twee jonge kinderen. Relevant is verder dat de gemeente – gezien de situatie van de schuldenares – niet tot terugvordering van onterecht verstrekte bijstand is overgegaan. Voor de rechtbank weegt verder mee dat het maar zeer de vraag is of de schuldeisers van de schuldenares door de schending van de informatieplicht zijn benadeeld. Ten slotte is van belang dat ook de beschermingsbewindvoerder van de schuldenares steken heeft laten vallen. Weliswaar kan de schuldenares zich niet verschuilen achter de beschermingsbewindvoerder, maar de beschermingsbewindvoerder was ook op de hoogte van het onderzoek van de gemeente. Zij had de schuldenares moet wijzen op de gevolgen hiervan en op het feit dat de schuldenares dit moest melden. De beschermingsbewindvoerder heeft dit om haar moverende reden niet gedaan. De schuldenares mag hiervan niet de dupe worden. Gelet op al het vorenstaande zal aan de schuldenares, ondanks de schending van de informatieplicht, een zogenaamde schone lei worden verleend.
De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder vaststellen. De vergoeding voor de bewindvoerder is berekend op € € 3.933,54 (inclusief onkosten en omzetbelasting). Voor zover actief aanwezig is, kan de bewindvoerder de vergoeding als salaris opnemen. Voor zover de kosten van het griffierecht ad € voor het deponeren van de slotuitdelingslijst niet uit de boedel kunnen worden voldaan, komen deze ten laste van de Staat.
Ingevolge artikel 356 lid 2 van de Faillissementswet (Fw) zal de schuldsaneringsregeling van rechtswege geëindigd zijn, zodra de slotuitdelingslijst verbindend is geworden. Alsdan zijn de vorderingen die vallen onder de werking van de schuldsaneringsregeling van de schuldenares krachtens artikel 358 lid 1 Fw niet langer afdwingbaar.
Beslissing
BESLISSING
beëindigt de schuldsaneringsregeling;
stelt vast dat de schuldenares toerekenbaar in de nakoming van haar informatieverplichting is tekortgeschoten;
bepaalt dat deze tekortkoming buiten beschouwing blijft;
verleent de zogenoemde “schone lei” waardoor de na de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling bestaande vorderingen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt, voor zover deze onvoldaan zijn gebleven, niet langer afdwingbaar zijn;
stelt het salaris voor de bewindvoerder, inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op het aanwezige actief tot een bedrag van maximaal € 3.933,54.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.F. Clement en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. (Voetnoot 1)