Procesverloop
1.1.
Verzoeker heeft op 7 april 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
1.2.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 1 juni 2026. Daarbij is verzoeker verschenen tezamen met [schuldhulpverlener] , als schuldhulpverlener werkzaam bij Stichting de Gemeentelijke Kredietbank en [forensisch maatschappelijk werker] , als forensisch maatschappelijk werker werkzaam bij de Forensische Psychiatrische Kliniek van GGZ Drenthe te [plaats] (FPK).
Overwegingen
2.1.
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.
2.2.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
2.3.
Gebleken is dat verzoeker in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden.
2.4.
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.
2.5.
In verband hiermee wordt het volgende overwogen. Verzoeker heeft een schuldenlast van in totaal € 72.687,04. Verzoeker was vanaf 25 september 2020 vennoot van de vennootschap onder firma [bedrijf] . Op 22 oktober 2022 is verzoeker uitgetreden als vennoot. Blijkens het door de rechtbank opgevraagde uittreksel van de Justitiële Informatiedienst, die met verzoeker ter zitting is besproken, heeft verzoeker (met in begrip van de preventieve hechtenis) gedetineerd gezeten van 27 januari 2023 tot 17 mei 2024. Bij vonnis van 3 augustus 2023 is aan verzoeker onder meer de verplichting opgelegd zich op laten nemen in een nog nader te bepalen zorginstelling voor verplichte (ambulante) behandeling. Verzoeker is opgenomen geweest in de forensische psychiatrische kliniek van GGZ Drenthe (FPK).
2.6.
Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat zijn schulden zijn ontstaan nadat hij in 2016 zijn baan is kwijtgeraakt en is gescheiden. De scheiding heeft er flink ingehakt en resulteerde in overmatig drankgebruik. Medicatie voor ADHD werd niet meer ingenomen en verzoeker ontspoorde. In 2021 is de woning van verzoeker gedwongen verkocht met een flinke restschuld. Samen met een compagnon is verzoeker een onderneming begonnen. Door algehele teloorgang (alcoholgebruik en verkeerde vrienden) ging deze zaak bijna failliet waarna werd besloten door verzoeker om uit de vennootschap te treden. De compagnon heeft het bedrijf voortgezet. Verzoeker heeft verklaard dat hij de FPK op 4 februari 2026 heeft mogen verlaten en dat hij momenteel verblijft op de Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) met een lichter regime, waar ruimte is om parttime te werken Verzoeker geeft aan dat hij vanaf 13 mei 2026 drie dagen in de week werkt als waterexootbestrijder, dit in overleg met zijn casemanager. Fulltime werken behoort (nog) niet tot de mogelijkheden, omdat hij nog een aantal behandelingen moet volgen in de FPA. Verder heeft verzoeker aangegeven dat hij inmiddels al geruime tijd geen alcohol meer gebruikt en dat hij door budgetbeheer geleerd heeft beter om te gaan met geld. Verzoeker heeft verzocht om een verkorting van de duur van de schuldsanering, omdat hij door de situatie waarin hij verkeerd niet meer heeft kunnen werken dan hij heeft gedaan.
2.7.
De schuldhulpverlener heeft ter zitting verklaard dat de GKB niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum omdat verzoeker niet werkte.
2.8.
Mevrouw Van der Scheer heeft ter zitting verklaard dat uitbreiding van het aantal uur werken op dit moment niet mogelijk is omdat verzoeker nog een aantal behandelingen moet volgen.
2.9.
De rechtbank stelt vast dat de detentie en de schulden, die onder meer voorvloeien uit het overmatig alcoholgebruik in beginsel een toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling in de weg staan.
2.10.
Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).
2.11.
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.
2.12.
Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin verzoeker nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. Verzoeker heeft ter zitting blijk gegeven van een serieuze en saneringsgezinde houding. Verzoeker is vanaf 13 mei 2026 drie dagen per week aan het werk en heeft al geruime tijd geen alcohol meer gebruikt. Bij de rechtbank is dan ook het vertrouwen ontstaan dat verzoeker de verplichtingen uit de WSNP naar behoren zal nakomen. Daarbij laat de rechtbank meewegen dat bij het verzoekschrift een verklaring van mevrouw Van der Scheer is overgelegd, waarin zij heeft verklaard dat verzoeker verschillende behandelmodules heeft afgerond wat heeft geleid tot een verbetering van verzoekers algemene en psychische welbevinden, waardoor hij op 4 februari 2026 is doorgestroomd naar een lager beveiligingsniveau. Verzoeker heeft verschillende vrijheden opgebouwd, waardoor hij veilig kan beginnen met resocialiseren in de maatschappij. Voorts acht de rechtbank van belang dat verzoeker vanaf 1 juli 2025 wordt gebudgetteerd en dat verzoeker zich houdt aan de afspraken die met hem worden gemaakt. De rechtbank is derhalve van oordeel dat sprake is van een keer ten goede en zal het verzoek daarom toewijzen.
2.13.
De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.
2.14.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltimebaan. Bij arbeidsongeschiktheid moet onderbouwd worden waarom niet maximaal gewerkt wordt. 2.15. Verzoeker heeft ter zitting verzocht om de Wsnp een aantal maanden eerder te laten ingaan. De rechtbank ziet hiertoe geen aanleiding omdat verzoeker als gevolg van zijn strafrechtelijke verleden na zijn detentie eerst is opgenomen in een FPK en daarna in een FPA met als gevolg dat hij niet in staat is geweest om tijdens het minnelijk voortraject fulltime te werken. Geconcludeerd moet derhalve worden dat verzoeker door zijn eigen toedoen niet aan de vereisten heeft kunnen voldoen. De rechtbank zal het verzoek om een eerdere ingangsdatum om die reden afwijzen.