RECHTBANK Noord-Nederland
Rekestnummer: NL:TZ:2610827:R-RK
[verzoeker]
,
geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: verzoeker,
tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
[verzoeker] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.
De rechtbank wijst het verzoek af.
Procesverloop
1.1.
Verzoeker heeft op 29 april 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
1.2.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 15 juni 2026. Daarbij is verzoeker verschenen tezamen met de heer [schuldhulpverlener], als schuldhulpverlener werkzaam bij Stichting de Gemeentelijke Kredietbank (GKB), mevrouw [naam 1], moeder van verzoeker en mevrouw [naam 2], namens GGZ-Drenthe, ambulant begeleider.
Overwegingen
2.1.
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.
2.2.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
2.3.
Gebleken is dat verzoeker in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden.
2.4.
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.
2.5.
Verzoeker heeft een totale schuldenlast van € 46.338,61. De schuldenproblematiek is begonnen in 2019 en volgens het verzoekschrift is de laatste schuld ontstaan op 1 maart 2026. Het ontstaan van de schulden vindt zijn oorsprong in de psychische toestand van verzoeker, te weten amnesie en verslavingsproblematiek. Ten gevolge hiervan heeft verzoeker een tijd een zwervend bestaan geleid. Ook zijn volgens verzoeker de schulden ontstaan doordat hij studies niet afrondde, omdat achteraf bleek dat dit toch niet een geschikte opleiding voor hem was. Op de schuldenlijst staan veel schulden van onderwijsinstellingen. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat het totaal aan schulden niet klopt. Zo ontbreekt de totale schuld aan DUO van ongeveer € 59.000 en zou de schuld aan ACCS (namens NCOI) zijn vervallen, althans dat is verzoeker telefonisch meegedeeld. Over het ontstaan van de belastingschulden heeft verzoeker verklaard dat hij een bedrijfje heeft gehad en vergeten was om aangiften te doen, zodat er ambtshalve aanslagen en boetes zijn opgelegd. Het bedrijfje is inmiddels geëindigd. Verzoeker geeft voorts aan dat hij ambulante zorg heeft en dat het nu door gebruik van medicatie goed met hem gaat. Gokken doet verzoeker volgens eigen zeggen nog zo nu en dan. Voor de door de schuldhulp geadviseerde onderbewindstelling staat verzoeker niet open.
2.6.
De schuldhulpverlener heeft ter zitting verklaard dat hij niet achter het ingediende Wsnp-verzoek staat. Tijdens het minnelijk traject zijn er diverse nieuwe schulden ontstaan en van een stabiele situatie is geen sprake. Er is, net als vandaag ter zitting, veel discussie over de schulden en door de psychische problematiek van verzoeker verloopt de medewerking door verzoeker behoorlijk stroef. Het minnelijk traject is om die reden ook mislukt. Van het geadviseerde beschermingsbewind wil verzoeker niets weten. Maar dit zou gelet op zijn situatie wél aangewezen en de beste oplossing zijn. Ondanks het budgetbeheer, waar verzoeker sinds maart 2024 gebruik van maakt, zijn er toch nieuwe schulden ontstaan, zelfs zeer recent nog. Het probleem is ook dat verzoeker zelf zaken gaat regelen, wat volledig door de gemaakte plannen heenlopen, hetgeen alles ingewikkeld en lastig maakt. Daarnaast communiceert verzoeker warrig en niet adequaat, reageert hij niet of laat en niet op wat er is gevraagd. Dit maakt het uitvoeren van de schuldhulpverlening moeilijk. Op het gokken van verzoeker is evenmin zicht. Hij zegt nu dat het zo nu en dan is, maar uit de bankrekening blijkt dat het zeer regelmatig is. De schuldhulpverlener acht gezien de onstabiele situatie van verzoeker de kans op het succesvol doorlopen van Wsnp-regeling uiterst klein.
2.7.
De ambulant begeleider heeft ter zitting meegedeeld dat er wekelijks contact is met verzoeker. Daarbij moet verzoeker telkens gemotiveerd worden om zijn medicatie te blijven nemen. Er is nog steeds sprake van een verslaving, maar hoe en wat is niet duidelijk omdat verzoeker daar niet open en transparant over is. Dit alles maakt de begeleiding lastig.
2.8.
De rechtbank stelt vast dat de schulden die bij de Belastingdienst en LAVG (boetes zwartrijden NS) zijn ontstaan niet als te goeder trouw kunnen worden aangemerkt. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verzoeker niet te goeder trouw is door het op lichtvaardige wijze schulden laten ontstaan door telkens van studie te wijzigen dan wel te stoppen.
2.9.
Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).
2.6.
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.
2.7.
Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting onvoldoende gebleken dat de situatie waarin verzoeker nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. Gebleken is dat het minnelijk traject is mislukt vanwege de onduidelijkheid en discussies over de (hoogte van de) schulden en dat er (recent) nieuwe schulden zijn ontstaan. Daarnaast is de psychische stabiliteit van verzoeker fragiel. De ambulant begeleider heeft immers verklaard dat verzoeker nog steeds aangespoord moet worden om zijn medicatie in te nemen. Ook is de informatievoorziening van verzoeker richting de schuldhulpverlener onder de maat geweest, waarbij het de vraag is of dit bij een toelating tot de Wsnp anders zal zijn, terwijl de informatieplicht een belangrijke pijler is om een Wsnp-regeling te laten slagen. Nu verzoeker volhoudt niet open te staan voor beschermingsbewind is er in die zin ook geen achtervang om hieraan alsnog te voldoen of tot een verbetering te komen. Daarnaast is van belang dat de schuldhulpverlener om de hiervoor genoemd redenen het verzoek tot toelating niet ondersteunt, hetgeen een ernstige contra-indicatie is. Al het voorgaande bij elkaar leidt de rechtbank tot de conclusie dat de situatie van verzoeker onvoldoende stabiel is en dat onvoldoende is gebleken van een bestendige gedrags-verandering om te worden toegelaten tot de Wsnp. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.