Rechtbank Noord-Nederland, eerste aanleg - enkelvoudig insolventierecht

ECLI:NL:RBNNE:2026:4088

Op 31 August 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van insolventierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/18/26/1264 R, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNNE:2026:4088. De plaats van zitting was Groningen.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
C/18/26/1264 R
Datum uitspraak:
31 August 2026
Datum publicatie:
28 September 2026
Verwijzingen:
Faillissementswet 288

Indicatie

Toewijzing wsnp na succesvol beroep op de hardheidsclausule. Schulden CJIB niet te goeder trouw verslaving onder controle en keer ten goede.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Team insolventie

Zittingsplaats Groningen

zaaknummer: C/18/26/1264 R

vonnis van 31 augustus 2026

Op het verzoek van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats], wonende te [adres],

verzoeker, hierna te noemen: [verzoeker],

tot toepassing van de schuldsaneringsregeling

Samenvatting

[verzoeker] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.

De rechtbank wijst het verzoek toe.

Procesverloop

1
Het verdere procesverloop
1.1.

[verzoeker] heeft op 19 september 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

1.2.

Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 24 augustus 2026. Daarbij is [verzoeker] verschenen tezamen met zijn vriendin mevrouw [naam]. Namens de schuldhulpverlener is verschenen mevrouw [schuldhulpverlener] van de Kredietbank Midden-Nederland.

Overwegingen

2
Het verzoek en de beoordeling daarvan
2.1.

De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van [verzoeker] in Nederland ligt.

2.2.

Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.

2.3.

Gebleken is dat [verzoeker] in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden.

2.4.

Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.

2.5.

In verband hiermee wordt het volgende overwogen. [verzoeker] heeft een totale schuldenlast van € 27.777,33, waaronder een vordering aan het CJIB te hoogte van€ 5.417,92. Blijkens het overzicht van het CJIB bestaat de vordering naast een aantal verkeersboetes ook uit een tweetal boetes welke zijn opgelegd vanwege deelname aan het verkeer onder invloed van drugs. Verzoeker is in september 2025 driemaal aangehouden voor rijden onder invloed van drugs en is daarbij ook zijn rijbewijs kwijtgeraakt.

De door [verzoeker] bij zijn verzoekschrift overgelegde bankafschriften uit die periode laten veelvuldig bezoek aan diverse coffeeshops zien.

Ter zitting heeft [verzoeker] aangegeven dat hij in het verleden veel problemen heeft gehad. Hij had daardoor ook geen motivatie om te werken. Sinds kort is hij samen met de gemeente aan het kijken naar de mogelijkheden voor werk. Er zal een arbeidsdeskundig onderzoek plaatsvinden en hij is aangemeld bij de praktijkondersteuner van de huisarts. [verzoeker] heeft aangegeven dat hij al bijna een jaar geen drugs meer gebruikt. Hij zal binnenkort een drugstest ondergaan om zijn rijbewijs terug te kunnen krijgen.

De schuldhulpverlener heeft ter zitting aangegeven dat er duidelijk sprake is van een stijgende lijn. Zij twijfelt er niet aan dat [verzoeker] op de goede weg is.

De beoordeling

2.6.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen schulden aan het CJIB, in het bijzonder de schulden betreffende het rijden onder invloed van drugs, in beginsel, naar hun aard niet als te goeder trouw ontstaan worden aangemerkt. De overtredingen hebben daarnaast binnen de driejaarstermijn plaatsgevonden. Het bestaan van deze boetes staat aan toewijzing van het verzoek om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling in de weg.

2.7.

Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).

2.8.

De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.

2.9.

Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin [verzoeker] nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. De rechtbank overweegt daartoe dat [verzoeker] sinds een klein jaar geen drugs meer gebruikt. Hij zit in budgetbeheer en sindsdien ontstaan er geen nieuwe schulden meer. Er zijn na september 2025 ook geen nieuwe boetes meer bijgekomen. Bovendien is [verzoeker] met de gemeente aan het kijken naar de mogelijkheden om aan het werk te gaan en is hij aangemeld bij de praktijkbegeleider van de huisarts. Daarmee heeft [verzoeker] laten zien dat hij zijn leven weer op de rit heeft en bereid is om de ontstane problemen aan te pakken en op te lossen. De rechtbank zal het verzoek daarom toewijzen.

Ingangsdatum

2.10.

De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.

2.11.

De rechtbank stelt vast dat [verzoeker] niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum. Aan de hand van de ingediende stukken en hetgeen ter zitting is besproken ziet de rechtbank ook geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.

Beslissing

3
3. De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats], wonende te [adres],

3.2.

stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van dit vonnis;

3.3.

benoemt tot rechter-commissaris mr. S. van Gessel,

en tot bewindvoerder [bewindvoerder],

gevestigd te [adres];

3.4.

geeft de bewindvoerder de opdracht om de post van [verzoeker] in te zien totdat de regeling eindigt, maar in elk geval niet langer dan 13 maanden;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Groenewegen en in het openbaar uitgesproken op

31 augustus 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. (Voetnoot 1)

Voetnoot

Voetnoot 1

Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.